Week 1
Week 2
HC 1: Cognitieve psychologie en cognitieve neurowetenschappen
Cognitie= verwijst naar alle processen waarbij sensorische input wordt getransformeerd, gereduceerd,
uitgewerkt, opgeslagen, opgehaald en gebruikt (Ulric Neisser).
Deze definitie leidde tot een model wat heel lang is aangehouden in de psychologie.
Emotie werd hier echter volledig buiten beschouwing gelaten als het om cognitie ging. Cognitie bestond
toen slechts uit “koude processen”.
Emotie heeft echter invloed op alle verschillende processen die opgenomen zijn in dit model van cognitie.
Cognitieve psychologie heeft overlap met allerlei andere psychologische disciplines:
- Sociale psychologie
- Wegontwerp
- Computer vision:
Als je een computer wilt ontwerpen die waarneemt zoals wij dat doen moet je eerst weten hoe wij
waarnemen.
VB: Tesla die auto’s op de weg herkend enzo.
- Wayfinding
- Human factors:
Enginering psychologie, gaat over de interactie tussen mens en technologie.
VB: Interactie van piloot en vliegtuig zodat de piloot in nood automatisch goede handelingen doet.
- Human computer interaction:
Hoe mensen interacteren met computers of websites.
VB: Hoe een website inrichting.
, - Behavioral economics
- Ontwikkelingspsychologie:
Hoe leren mensen.
- Klinische psychologie
Time-line van cognitieve psychologie:
Wundt (1879):
Oorsprong van psychologie. Hij had zijn eigen lab waarin hij gebruik maakte van:
- Structuralisme:
Alle losse aspecten van waarneming vormen samen bewuste waarneming.
VB: Een appel is rond, rood, etc. en die aspecten vormen samen de waarneming van de appel.
- Introspectie:
Zelf nagaan hoe iets ging in jezelf.
James (1890):
Keek naar gedrag vanuit:
- Introspectie
- Functionalisme
Gestalt (1920):
Ging in tegen het structuralisme. Stelde dat een geheel altijd anders is dan zijn onderdelen.
VB: Een appel is altijd anders dan zijn elementen.
VB: Je ziet een driehoek maar eigenlijk zijn het drie rondjes met een hoekige inkeping.
Watson en Skinner (1913-1938):
Gingen in tegen de subjectieve methode van introspectie met behulp van het behaviorisme. Watson
onderzocht klassieke conditionering (little albert) en skinner de operante conditionering.
Behavioristen stelden dat je de geest van mensen niet kan bestuderen, alleen de stimulus en respons kan je
bestuderen.
Model van behaviorisme:
Tolman en Chomsky (1948-1959):
Gingen in tegen het behaviorisme. Tolman bewees dat ratten een cognitieve kaart kunnen maken van een
dolhof; de blackbox werd bestudeerbaar.
En chomsky ging met zijn language aquisition device theorie in debat met Skinner over taalverwerving.
Opkomst computer (1957):
Werd een soort analoog voor de cognitieve processen van mensen.
Neisser (1967):
Schreef een boek over cognitieve psychologie. Stelde dat we de processen in het brein, de black box, wel
kunnen meten.
,De gedragsoutput zegt iets over wat er in ons hoofd gebeurt. Je kan de mentale/interne processen meten
middels cognitieve experimenten.
Cognitieve experimenten= systematisch manipuleren van de input (onafhankelijke variabele) en de ouput
vervolgens meten (afhankelijke variabele).
Opzet experiment:
Reactietijd meten (niet acuraatheid).
Je geeft twee verschillende soorten input, je gaat de output meten met behulp van reactietijd.
1. Detectietaak:
Je moet een stimulus registreren en vervolgens een respons geven.
VB: Linkervoet stampen als je een geel lichtje ziet. Hier vervolgens de reactietijd van meten.
2. Discriminatietaak:
Je moet een stimulus registreren, beslissen welke respons je geeft en die respons vervolgens
uitvoeren. Deze taak kost dan ook vaak langer dan de detectietaak.
VB: Linkervoet stampen als je een geel lichtje ziet, rechtervoet stampen als je rood lichtje ziet.
Substractiemethode:
Aan de hand van deze taken kan je de substractiemethode uitvoeren. Het enige wat er bij de
discriminatietaak bij komt is de beslissing moeten nemen. Door de reactietijden van elkaar af te halen kan je
stellen hoe lang het nemen van beslissingen duurt= substractiemethode.
Deze methode stelt dat informatieverwerking bestaat uit stadia:
- Perceptie
- Beslissen
- Respons voorbereiden
Ieder stadium kost tijd. Een tijdsverschil tussen een taak met een bepaald stadium en een taak zonder een
bepaald stadium moet dan dus de verwerkingstijd zijn van dat bepaalde stadium.
Voordelen van deze methode:
+ Geeft een causale relatie weer:
De verandering in de input veroorzaakt verandering in de output.
+ Het is objectief.
+ Breed toepasbaar:
Wordt ook ingezet bij fMRI methodes.
Nadelen van deze methode:
- Deze methode gaat ervan uit dat de stadia onafhankelijk van elkaar zijn en bij elkaar optellen, dit is in
werkelijkheid echter niet altijd wat er gebeurt.
Dit is te zien bij stimulus-response mapping= een stimulus kan een respons automatisch uitlokken.
Dit treed bijvoorbeeld ook op wanneer iemand bij het uitvoeren van een cognitieve taak leert en zo beter
wordt in de taak. Om dit niet in je resultaten te hebben wordt er bij cognitieve experimenten vaak eerst
geoefend.
Simon taak:
Een cognitief experiment waarbij je bij een blauw licht met links moet drukken op een knop, en bij groen
licht met rechts moet drukken op een knop.
Het blijkt dat mensen sneller zijn met drukken als het licht aan de bijpassende kant word laten zien:
Blauw wordt links laten zien sneller dan groen links laten zien.
, Dit toont aan dat er een spatiele congruentie is tussen de stimulus in het visuele veld en de hand waarmee je
reageert. Dit zorgt er voor dat je bij het overeenkomen van visueel en motoriek je automatisch sneller bent.
Dit is een vorm van stimulus respons mapping.
Dit wordt ook toegepast in de praktijk. Objecten lokken zo automatisch een bepaalde respons bij je
uit=affordances. Dit wordt ook veel gebruikt bij human factors; psychologisch engineering.
VB: Lay-out gasfornuis is gemaakt op die spatiele congruentie; de plek waar de knoppen zitten komen
overeen met het gaspitje waardoor je automatisch weet aan welke knop je moet draaien.
Visueel zoeken= visueel tussen verschillende stimuli opzoek gaan naar een specifiek iets. Hier is selectieve
aandacht voor nodig (=je aandacht ergens op richten).
Je kan namelijk al die verschillende stimuli niet tot je nemen en verwerken tot op een grote hoogte. Het is
handiger om je op een selectieve stimulus te richten om de informatie te kunnen verwerken en het tot je
bewustzijn te laten komen.
Waar we onze aandacht op richten wordt bepaald door:
- Top down factoren:
o Ook wel top-down aandacht of endogene aandacht.
o Taak of doel gerelateerd.
o Je bepaald zelf waarop je je aandacht richt. Deze vorm van aandacht wordt gecontroleerd
door de opzettelijke strategieën en bedoelingen van de waarnemer.
o Traag en onder vrijwillige controle.
- Bottom up factoren:
o Ook wel bottom-up aandacht of exogene aandacht.
o De aandacht wordt naar iets getrokken omdat het opvallend (salient) is.
o Het is onvrijwillige aandacht, je bepaald dit niet zelf. De aandacht wordt gecontroleerd door
opvallendheid (onderscheidendheid) die niet per se relevant is voor het doel van de
waarnemer.
o Snel en automatisch.
Deze twee invloeden of vormen van aandacht zijn continu met elkaar in competitie.
VB: Je loopt op straat en bent opzoek naar een winkel (endogeen), maar wordt continu getrokken door alle
stimuli om je heen (exogeen). Zo zijn die twee vormen dus met elkaar in competitie.
Additional Singleton taak:
Dit experiment meet de competitie tussen endogene en exogene aandacht door gebruik van visueel zoeken.
Je moet opzoek gaan naar de unieke vorm en reageren op de oriëntatie van de lijn die in die unieke vorm
staat (endogene aandacht). De reactietijd wordt gemeten.
Er wordt vervolgens een distractor bij gezet (exogene aandacht), die zou moeten afleiden van de taak. Ook
dan wordt de reactie tijd gemeten.
Onafhankelijke variabele= aanwezigheid van distractor: twee niveaus.
Afhankelijke variabele= reactietijd.