Week 1:
HC 1: Bouwstenen van het brein
Bio- en neuropsychologie houd zich bezig met de link tussen het brein en gedrag, deze link is bidirectioneel;
de invloed gaat beide kanten op. Het identificeren van die link is echter niet altijd even makkelijk:
VB: Stier;
Hersenstimulatie in specifiek gebied bij een stier zorgde ervoor dat hij een onderzoeker niet ging aanvallen.
De onderzoeker stelde het agressiegebied gestimuleerd te hebben en dat dat aan dit gedrag ten grondslag
lag. Echter kan het ook zo zijn dat er een motorisch gebied gestimuleerd wordt waardoor de stier zijn
controle over de motoriek verliest.
Niveaus van onderzoek in de neuropsychologie:
→ Laag niveau
1. Moleculaire neurowetenschap
2. Neuronen
3. Neurale netwerken
4. Functionele hersengebieden
5. Gedrag
→ Hoog niveau
Deze niveaus zijn allemaal met elkaar verbonden, je bent echter het meest geïnteresseerd in gedrag en de
invloeden hierop. Hoe ontstaat gedrag vanuit dit netwerk aan niveaus en invloeden vanuit de hersenen en
andersom.
Centrale zenuwstelsel (CNS):
Menselijk brein
ruggenmerg
Perifere zenuwstelsel (PNS):
Alle zenuwcellen die niet in het brein of het ruggenmerg zitten. Hieronder vallen de kopzenuwen, spinale
zenuwen, het sympathische- en parasympatisch zenuwstelsel.
Perspectieven bij het bekijken van het brein:
- Dorsaal (achter)= bovenkant brein
- Ventraal (voor)= onderkant brein
→ Deze terminologie is zo omdat mensen op twee benen lopen; de neuraxis loopt hierdoor anders. Normaal
is dit één rechte lijn maar bij mensen zit er een bocht in.
, - Anterior= voor; maar ook de bovenkant van het CNS.
- Posterior= achter; maar ook de onderkant van het CNS.
- Rostraal= anterior
- Caudaal= posterior
In het brein zitten ongeveer 100 miljard neuronen, het weegt maar 1.3 kg.
Cellen van het zenuwstelsel:
1. Neuronen:
- Functie:
o Communicatie:
Ze ontvangen signalen en geven deze door.
o Informatie verwerking
- Structuur:
o Dendrieten:
Ontvangen signalen.
VB: Bij mensen met een verstandelijke beperking is te zien dat de dendrieten er heel
anders uitzien. Zo zie je zelfs op zo’n laag niveau de doorslag naar gedrag en
cognitie.
o Soma=cellichaam
Wordt omgrensd door een dubbele fosfolipide laag. Dit maakt de cel
semipermeabel= kleine moleculen kunnen door deze laag de cel in, voor grotere
stoffen moet er actief transport plaatsvinden middels receptoren.
o Axon
o Pre-synaptische terminals= end bulbs= boutons:
Uitzenden van signalen
- Soorten neuronen:
o Pirimidale neuronen:
Hebben hun dendrieten in een soort driehoekige vorm (piramide).
Komen voor in het cerebellum.
, o Bipolaire neuronen:
Hebben maar 1 dendriet en 1 axon.
o Sensorische neuron:
Neuronen hebben een vorm die past bij hun functie.
VB: Hele complexe neuronen van bijen die veel contact hebben met elkaar, zorgt ervoor dat
ze veel geuren uit elkaar kunnen houden.
Zo zie je in het menselijke brein dat elke locatie andere type neuronen heeft. In de cortex
zelf zijn ook meerdere lagen te onderscheiden waarin je verschillende soorten neuronen
vindt.
2. Gliacellen:
Van deze cellen werd eerst gedacht dat ze niet veel functie hadden behalve de lijm van het brein.
Maar nu weten we dat ze enorm veel belangrijke en verschillende functies hebben, die zelfs direct
invloed hebben op cognitie.
- Functie:
o Stevigheid
o Conductie:
o Via de myelineschede verbeteren ze de geleiding.
o Hygiëne:
• Opruimen van dode cellen
• Opruimen van neurotransmitters
o Bescherming:
Bloed-brein-barrière
o Voeding
- Soorten:
CNS:
o Ependymale cellen:
Spelen een rol bij de productie van hersenvocht en vormen een barrière tussen dit
vocht en de hersenen. Ze filteren schadelijke stoffen uit dit hersenvocht.
o Radial gliacel:
Geeft een soort raster voor de neuronen zodat ze hierlangs kunnen migreren.
o Oligodendrocieten:
Myeliniseren axonen; ze kunnen meerdere axonen per keer myeliniseren.
o Astrocieten:
• Haalt voedingsstoffen uit bloed en geeft dit door aan neuronen.
• Spelen een rol in cognitie. Ze kunnen allemaal neurotransmitters in zich
opnemen en die plotseling vrijlaten. Alle omliggende neuronen zullen bij
deze release van neurotransmittters allemaal gelijktijdig gaan vuren. Zo
kunnen er bepaalde ritmes in het brein ontstaan die een belangrijke rol
spelen bij het uitvoeren van cognitieve taken.
o Microgliacellen:
Vuilnismannen van het brein, ze ruimen de afvalstoffen in het brein op.
, PNS:
o Satellietcellen:
Vergelijkbare functie van astrocieten?
o Schwanncellen:
Myeliniseerd axonen; ze kunnen één axon per keer myeliniseren.
3. Interneuronen:
- Ontvangen een signaal en geven dit door.
- Een neuron waarvan het axon en de dendriet in eenzelfde (enkele) structuur liggen; zo ligt
het interneuron binnen het ruggenmerg waar het sensorische informatie direct doorgeeft
aan motorische neuronen t.b.v. reflexen.
Richting van signalen:
Efferent= er vanaf; het signaal gaat ergens vanaf weg.
VB: Motorisch signaal;
Vanuit het brein wordt een signaal naar de spieren gestuurd om deze te bewegen. Dit signaal gaat dus van
het brein af naar het lichaam; er vanaf=efferent.
Afferent= aankomst; het komt er naartoe.
VB: Sensorisch signaal;
Dit signaal komt vanuit de sensorische cellen in het lichaam aan in het brein. Het gaat dus naar het brein toe;
aankomst=afferent.
Purkinje-cellen zijn soorten neuronen die met name te vinden zijn in het cerebellum. Ze spelen een rol bij de
motoriek.
❖ Multipele sclerose (MS)
- Immuunsysteem valt de gliacellen in het brein aan. Dit zorgt er voor dat de myelineschede
rondom de axonen van neuronen afneemt. Hierdoor is de signaalgeleiding minder snel; een
ongemyeliniseerd neuron geleid met zo’n 2m/sec, waarbij het bij een gemyeliniseerd neuron
zo’n 120m/sec is. dit zorgt voor verschillende klachten.
- Symptomen:
o Langzamer lopen/bewegen
o Zwaar gevoel in benen
o Urine frequentie neemt toe
o MS-laesies in het brein te zien
Bij de imaging die hier is gebruikt is de grijzestof licht en de witte stof donker,
daardoor is hier beter te zien dat er laesies (wit) in de wittestof (donker) zitten.
Normaal is bij beeldvorming de wittestof licht en de grijze stof donker: