Inhoudsopgave
Seminar 1006 E-ologie van cariës. .......................................................................................................................... 2
Seminar 1008 Pathologie en chemie van cariës. ................................................................................................... 15
Seminar 1049 Het pulpaden-necomplex. ............................................................................................................. 26
Seminar 1837 Detec-e en diagnos-ek. ................................................................................................................. 35
Seminar 0108 Van gezond naar gingivi-s. ............................................................................................................. 44
Seminar 1640 Restaura-eve tandheelkunde en biomaterialen. ........................................................................... 49
Seminar 1635 Het domein ‘Orale func-eleer’. ...................................................................................................... 51
Seminar 1838 Cariës management in het licht van preven-e............................................................................... 60
Seminar 2051 Parodontologie. .............................................................................................................................. 68
Seminar 1636 Dentofaciale aspecten. ................................................................................................................... 70
Seminar 1637 Func-onele aspecten: Orale func-es. ............................................................................................ 76
Seminar 0454 Levensloop van het natuurlijke gebit. ............................................................................................ 82
Seminar 1973 – Socio-economische problemen bij ouderen en de invloed hiervan op de mondverzorging. ...... 85
Seminar 1638 Func-onele aspecten: Het mandibulaire bewegingsapparaat. ...................................................... 93
,Seminar 1006 E-ologie van cariës.
Kennisclip:
Tandcariës is een zeer belangrijke aandoening en tre4 het overgrote deel van de
wereldbevolking.
Inciden:e verwijst naar het aantal nieuwe ziektegevallen in een popula:e gedurende een
bepaalde periode.
Prevalen:e verwijst naar het totale aantal ziektegevallen in een popula:e dat op een
bepaald moment aanwezig is.
Tandcariës is een door biofilm gemedieerde, door voeding beïnvloede, mul:factoriële, niet-
overdraagbare en dynamische aandoening die resulteert in neEo mineraalverlies van harde
tandweefsels. De aandoening wordt bepaald door biologische, gedragsma:ge, psychosociale
en omgevingsfactoren. Als gevolg van dit proces ontstaat een cariëslaesie.
Er is een verschil tussen het proces van tandcariës en het resultaat zelf daarvan, de
cariëslaesie. Een cariëslaesie is dus niet hetzelfde als tandcariës zelf.
Tandcariës moet niet worden beschouwd als een infec:eziekte, maar eerder als een
gedragsgebonden aandoening met een microbiële component. Hierbij spelen factoren een
rol zoals wat je eet, hoe vaak je eet, hoe vaak je je tandenpoetst en het gebruik van
fluoridetandpasta.
Demineralisa:e is het proces waarbij de minerale component van de tand oplost in zijn
ionaire bestanddelen.
NeEo demineralisa:e betekent dat opgeloste mineralen van de tand verloren gaan,
voornamelijk calcium- en fosfaa:onen. Dit leidt tot progressie van het tandcariësproces.
Remineralisa:e is het proces waarbij opnieuw kristalgroei plaatsvindt en mineralen worden
gevormd uit ionaire bestanddelen in gedemineraliseerd tandweefsel.
NeEo remineralisa:e is het proces waarbij calcium-, fosfaat- en fluoride-ionen vanuit een
externe bron (bijv. speeksel of creviculaire vloeistof) aan de tand worden geleverd om neEo
mineraalafzePng in het glazuur te bevorderen. Dit leidt tot regressie (herstel) van het
cariësproces en de cariëslaesie.
Glazuur lost niet op in een gezonde mondomgeving omdat speeksel oververzadigd is met
tandmineralen en daardoor een beschermende omgeving biedt voor de verkalkte
componenten van glazuur en den:ne. De oververzadiging van speeksel met Ca2+ en PO43-
wordt in stand gehouden door macromoleculen zoals statherine en prolinerijke eiwiEen.
Hydroxyapa:et: Ca10(PO4)6(OH)2
Een verminderde speekselstroom of speekselkwaliteit vertraagt het herstel van de plaque-pH
na zuurblootstelling en verhoogt daardoor het risico op cariës.
Speeksel bestaat uit water, eiwiEen, glycoproteïnen, proteïnasen, minerale ionen en
enzymen.
,Speeksel speelt een belangrijke rol bij bevorderen remineralisa:e, voorkomen
demineralisa:e, smering van mond, spijsvertering, smaakwaarneming, voedselbolus vorming
en hee4 an:virale, an:schimmel en an:bacteriële func:es.
Boek dental cariës:
Het menselijk lichaam lee4 voortdurend samen met enorme aantallen micro-organismen.
Deze verzameling van bacteriën, schimmels, virussen en andere microben noemt men de
microbiota. De term microbiome gaat nog een stap verder: dat omvat niet alleen de micro-
organismen zelf, maar ook al hun gene:sch materiaal. In het menselijk lichaam zijn er
ongeveer honderd biljoen micro-organismen aanwezig, wat betekent dat ze de menselijke
lichaamscellen in aantal overtreffen. Deze micro-organismen leven meestal in symbiose met
de gastheer. Elk deel van het lichaam hee4 zijn eigen specifieke microbiome, aangepast aan
de omstandigheden van die plek. Samen vormen mens en microbiome een holobiont.
Een microbiome wordt niet alleen bepaald door welke soorten aanwezig zijn, maar vooral
ook door hun func:e. Daarom kijkt men tegenwoordig niet meer enkel naar bacteriesoorten,
maar ook naar welke genen ac:ef zijn, welke eiwiEen en enzymen geproduceerd worden en
welke stofwisselingsproducten ontstaan. Dit gee4 een veel beter beeld van wat er werkelijk
gebeurt binnen een microbiële gemeenschap. Omdat micro-organismen constant beïnvloed
worden door hun omgeving, moet een gezond microbiome dynamisch zijn: het moet stabiel
blijven, maar zich ook kunnen aanpassen aan veranderingen.
Een belangrijk kenmerk van een gezond microbiome is diversiteit. In gezonde situa:es bevat
een microbiota meestal veel verschillende soorten micro-organismen. Bij ziekte verandert
die samenstelling vaak: sommige bacteriën nemen sterk toe terwijl andere verdwijnen. Zo’n
verstoorde balans noemt men dysbiose.
Een ander belangrijk begrip is resilience, o4ewel veerkracht. Een gezond microbiome kan na
een verstoring, zoals een an:bio:cakuur, weer terugkeren naar een evenwich:ge toestand.
Het orale microbiome wordt het best onderzocht via speeksel. De speekselmicrobiota
weerspiegelt namelijk de micro-organismen a[oms:g van alle oppervlakken in de mond.
Vooral de tongrug bevat een zeer hoge dichtheid en diversiteit aan bacteriën. Eten, drinken
of mondspoelingen verminderen :jdelijk het aantal bacteriën doordat veel bacteriën worden
doorgeslikt, maar meestal herstelt de microbiota zich snel. Tijdens de slaap, wanneer de
mond langere :jd ongestoord blij4, kunnen bacteriën juist sterk toenemen door
voortdurende groei op de orale oppervlakken. Wereldwijd blijkt het orale microbiome
opvallend veel overeenkomsten te vertonen tussen verschillende bevolkingsgroepen. Vooral
het genus Streptococcus domineert overal ter wereld en wordt gezien als het kenmerkende
bacteriële genus van de menselijke mond.
Hemolyse een belangrijk kenmerk bij streptokokken. Bèta-hemoly:sche streptokokken
veroorzaken volledige a_raak van rode bloedcellen en vormen heldere zones op bloedagar.
Alfa-hemoly:sche streptokokken veroorzaken slechts gedeeltelijke a_raak, zichtbaar als een
groenach:ge verkleuring. De meeste orale streptokokken behoren tot deze alfa-hemoly:sche
groep en worden gezamenlijk viridans-streptokokken genoemd. Hoewel ze meestal
, commensalen zijn, kunnen ze bij binnendringen in de bloedbaan toch erns:ge infec:es
veroorzaken, zoals endocardi:s.
Een zeer belangrijke bacterie in de mond is Veillonella. Dit is een Gram-nega:eve strikt
anaerobe coccus die vooral voorkomt op de tongrug en in tandplaque. Veillonella gebruikt
zelf geen suikers, maar lee4 van melkzuur dat geproduceerd wordt door streptokokken.
Daardoor speelt deze bacterie een belangrijke rol in het ecologisch evenwicht van de mond,
omdat zij helpt de pH na suikerinname weer te herstellen. Daarnaast kan Veillonella nitraat
uit voeding omzeEen in nitriet, wat an:microbiële eigenschappen hee4. Ondanks deze
guns:ge func:es bezit de bacterie ook LPS-endotoxine en kan zij dus ontstekingsreac:es
opwekken.
Binnen de Ac:nobacteria spelen Ac:nomyces-soorten een cruciale rol in vroege
tandplaquevorming. Deze draadvormige bacteriën kunnen goed hechten aan
speekseleiwiEen en co-aggrega:e aangaan met andere bacteriën, vooral streptokokken. Ze
produceren zuren zoals melkzuur en azijnzuur en groeien graag in omgevingen met weinig
zuurstof en verhoogd CO₂.
Naast bacteriën bevat het orale microbiome ook schimmels, archaea, protozoa en virussen.
Het orale mycobiome wordt gedomineerd door Candida-soorten, vooral Candida albicans.
Deze schimmels komen normaal voor in kleine aantallen maar kunnen sterk toenemen bij
droge mond, an:bio:cagebruik, prothesedragers of immunosuppressie. Candida kan dan
candidiasis veroorzaken. Omdat Candida goed groeit in zure omstandigheden wordt het ook
vaker gezien in cariësrijke omgevingen.
Het grootste deel van de orale microbiota lee4 niet los in speeksel maar georganiseerd in
biofilms. Een biofilm is een complexe gemeenschap van micro-organismen ingebed in een
beschermende extracellulaire matrix van polysachariden. Dit is de natuurlijke leefwijze van
orale bacteriën. Biofilms beschermen bacteriën tegen uitdroging, spoeling door speeksel en
an:microbiële stoffen. Binnen een biofilm groeien veel bacteriën langzaam of verkeren ze in
een rusEoestand, waardoor ze extra resistent worden tegen an:microbiële middelen.
De orale mucosa vormt de eerste verdedigingslinie van het lichaam tegen micro-organismen.
Het epitheel van de slijmvliezen voorkomt normaal gesproken dat bacteriën en andere
microben het onderliggende bindweefsel binnendringen. In de mond worden deze
slijmvliezen voortdurend bedekt door speeksel. Dat speeksel transporteert micro-
organismen door de mond, maar zorgt er tegelijk voor dat bepaalde bacteriën zich juist
kunnen hechten aan het oppervlak van de mucosa. Alleen micro-organismen die beschikken
over specifieke adhesinen – moleculen waarmee ze kunnen binden aan receptoren op
epitheelcellen – kunnen zich blijvend ves:gen. Bacteriën zonder geschikte adhesinen worden
doorgeslikt. De mucosa selecteert dus ac:ef welke micro-organismen passen binnen een
gezonde microbiota. De belangrijkste koloniseerders van de orale slijmvliezen zijn
streptokokken, vooral Streptococcus mi:s en Streptococcus salivarius.
De tongrug vormt echter een heel ander ecosysteem. Door de aanwezigheid van papillen en
diepe groeven ontstaat een ideale niche voor bacteriën, vooral voor soorten die zich minder
goed aan epitheel kunnen hechten. De bacteriën kunnen zich tussen de papillen nestelen en