Theorielijn A Geneeskunde Psychiatrie voor verpleegkundigen
9.1-9.4 blz. 347-353 Begeleiding en behandeling bij verslavingsproblematiek
9.1 Verslaving: complex fenomeen
Vroeger dacht men dat een verslaving een keuze was. Tegenwoordig wordt het gezien als een
chronische hersenziekte met een destructieve leefstijl voor de persoon die het betreft en diens
omgeving.
Visie op verslaving kan vanuit drie verschillende aspecten worden bekeken:
1. Maatschappelijk georiënteerde principes
2. Psychologische visies
3. Biomedisch
9.2 Verslaving en verslavingszorg
De verslavende middelen kunnen op basis van hun werking worden onderscheiden in 3 soorten:
1. Stimulerend: koffie, tabak, cocaine, amfetamine
2. Verdovend: kalmerende medicijnen, heroine, methadon
3. Bewustzijnsveranderend: hasj, lsd, psilocybine
Sommige middelen hebben een gemengd effect, bijvoorbeeld ecxtacy.
9.3 Comorbiditeit
De pathologie bij verslaafde mensen is vaak complex en wordt gekenmerkt door:
- Het gelijktijdig voorkomen van somatische stoornissen die en direct of indirect gevolg zijn van het
gebruik van verslavingsmiddelen
- Het gelijktijdig voorkomen van andere psychiatrische stoornissen
- Het veroorzaken van maatschappelijke overlast of crimineel gedrag
- Het veelvuldig gebruik van meerdere stoffen
Veel verslaafde mensen gebruiken meerdere psychoactieve stoffen tegelijkertijd. Men spreek van
een dubbele diagnose wanneer bij een verslaafde patient ook nog ten minste een andere
psychiatrische stoornis wordt vastgesteld.
Chronisch verslaafden zijn patiënten met vaak polydrugsgebruik, een dubbele diagnose en gedrag
dat veelal leidt tot maatschappelijke overlast en criminaliteit. Ook komen bij verslaafde mensen vaak
somatische problemen voor.
9.4 Diagnostiek en indicatiestelling
Bij de diagnostiek en indicatiestelling wordt bij patiënten met stoornissen door het gebruik van
psychoactieve stoffen dezelfde procedure gevolgd als bij andere psychiatrische stoornissen. In de
eerste plaats wordt er uit gegaan van een continuüm van problemen.
Verslavingsdriehoek
Aan de linkerzijde zijn er geen of milde problemen, aan de rechterzijde is er sprake van ernstige
problematiek.
,Geen gebruik: preventie en voorlichting
Experimenteel gebruik/gebruik zonder klachten: vroege signalering
Riskant gebruik: korte interventie
Riskant gebruik met klachten/verslaafd: gespecialiseerde behandeling
Ernstig chronisch verslaafd: zorg
9.5-9.6.5 blz. 353-362
9.5 Behandeling
Stepped care: de patient krijgt de minst intensieve behandeling of zorg op basis van diagnostiek en
professionele inschatting. Als die behandeling onvoldoende effect heeft, wordt een meer intensieve
behandeling gestart.
Patienten doorlopen tijdens iedere behandeling een proces van herstel waarbij een aantal
doelstellingen centraal staat, deze doelstellingen zijn de 4 R’s:
Remoralisatie focus op de verbetering van het subjectief welbevinden.
Remeditie symptomatische herstel en vermindering van symptomatische stress.
Rehabilitatie verbetering van het functioneren op meerdere leefgebieden.
Recovery het zelfstandig kunnen leven van de patient
Behandelingen:
1. Cognitieve gedragstherapie: gebaseerd op een leertheorie. Er wordt vanuit gegaan dat de
gedachten van een persoon de gevoelens en het gedrag beïnvloeden. Het is een uiteenloping van
cognitieve en gedragsmatige interventies . Ook contingency management is hier onderdeel van. Deze
richt zich op het positief belonen van gewenst gedrag en het negeren van ongewenst gedrag. In de
cognitieve gedragstherapie wordt gebruik gemaakt van een functieanalyse, waarbij de functie van
het gebruik van middelen van de patient wordt geanalyseerd.
2. Farmacotherapie: gericht op
- onderhoudsbehandeling met vervangende medicijnen (agonisten). Agonisten zijn stoffen die de
werking van een bepaalde lichaamsstof nabootsen door stimulatie van dezelfde receptoren. In de
verslavingszorg wordt gebruik gemaakt van opiaatagonisten. Als dit niet werkt kan over gegaan op
drugtherapie onder toezicht.
- detoxificatie: ontgiftigen van het verslavende middel. Dit is er op gericht de
onthoudingsverschijnselen te beperken (alcohol: benzodiazepinen)
- het voorkomen van terugvallen in hernieuwd gebruik van het middel. (alcohol: naltrexon en
acamprostaat) Bij disulfiram wordt de afbraak van het tussenproduct aceetaldehyde geremd
waardoor de patient zich ziek gaat voelen op het moment dat hij alcohol drinkt.
3. Community reinforcement approach (CRA): vooral gedragstherapeutische technieken die zich richt
op een andere manier van leven die meer belonend is dan middelengebruik.
4. Detoxificatie: Detoxificatie kan ambulant of intramuraal plaatsvinden. Wanneer een positief effect
wordt bereikt hangt af van het soort middel dat is gebruikt. De afweging van de keuze berust op het
volgende:
- mate van gebruik
- lichamelijke conditie
- lichamelijke complicaties
- comorbide problematiek
, - omstandigheden in de thuissituatie
- voorkeur van de patient
Benzodizepinen, methadon, marihuana, hasj, polydrugsgebruik positief effect in 2-3 weken
heroine positief effect in 2 weken
XTC, cocaine, amfetamine, alcohol positief effect in 1 week
In het transtheoretische model van verandering worden 5 fasen in het veranderingsproces
onderscheiden (prochaska):
1. Voorbeschouwingsfase: niet bewust van een probleem, niet overwegen te veranderen (pre-
comtemplatie)
2. Overpeinzingsfase: voor en nadelen afwegen en overweegt te veranderen (contemplatie)
3. Voorbereidingsfase: voornemen wat aan het gedrag te doen (preparatie)
4. Actiefase: nieuwe gedrag toepassen in de praktijk (actie)
5. Fase van gedragsbehoud: nieuwe gedrag volhouden en eigen maken (consolidatie)
Terug val treedt op wanneer het nieuwe gedrag niet kan worden behouden. In de praktijk wordt dan
terug gegaan naar de vorige fase.
9.6 De verpleegkundige verslavingszorg
Verpleegkundige houding:
- respectvolle bejegening zorgt voor motivatie bij de patient
- geen discussie aangaan over hoeveelheid gebruik, benadruk dat openheid over de hoeveelheid
bevorderend is voor de behandeling
- de verpleegkundige gaat ervan uit dat een verslaving een ziekte is waar de patient niet van kan
genezen, maar wel van kan herstellen
- de verpleegkundige geeft goede ondersteuning bij pij en het lijden van de verslaafde, maar neemt
de verantwoordelijkheid voor het gedrag dat het lijden heeft veroorzaakt niet over
Uitglijder: 1 keer weer gebruiken
Terugval: Meerdere dagen weer gebruiken
Interventies voor het voorkomen van een terugval:
- dagelijks opschrijven hoe hij zich voelt, oftewel zelfregistratie waarbij risicosituaties in kaart worden
gebracht
- een noodplan opstellen voor wanneer en er een terugval plaatsvindt en bespreekbaar maken dat er
altijd sprake kan zijn van en terugval waardoor de schaamte hierover te spreken kleiner wordt.
- leren nee zeggen tegen een aanbod van middelen
Omdat patiënten vaak niet kunnen zeggen welke middelen zij hebben gebruikt, dien je als
verpleegkundige kennis te hebben van de symptomen om zo de intoxicatie te bepalen.
Langzaam en duidelijk praten, nauwe pupillen: opiaten
snel praten: stimulantia
langzaam en onduidelijk praten: alcohol
9.1-9.4 blz. 347-353 Begeleiding en behandeling bij verslavingsproblematiek
9.1 Verslaving: complex fenomeen
Vroeger dacht men dat een verslaving een keuze was. Tegenwoordig wordt het gezien als een
chronische hersenziekte met een destructieve leefstijl voor de persoon die het betreft en diens
omgeving.
Visie op verslaving kan vanuit drie verschillende aspecten worden bekeken:
1. Maatschappelijk georiënteerde principes
2. Psychologische visies
3. Biomedisch
9.2 Verslaving en verslavingszorg
De verslavende middelen kunnen op basis van hun werking worden onderscheiden in 3 soorten:
1. Stimulerend: koffie, tabak, cocaine, amfetamine
2. Verdovend: kalmerende medicijnen, heroine, methadon
3. Bewustzijnsveranderend: hasj, lsd, psilocybine
Sommige middelen hebben een gemengd effect, bijvoorbeeld ecxtacy.
9.3 Comorbiditeit
De pathologie bij verslaafde mensen is vaak complex en wordt gekenmerkt door:
- Het gelijktijdig voorkomen van somatische stoornissen die en direct of indirect gevolg zijn van het
gebruik van verslavingsmiddelen
- Het gelijktijdig voorkomen van andere psychiatrische stoornissen
- Het veroorzaken van maatschappelijke overlast of crimineel gedrag
- Het veelvuldig gebruik van meerdere stoffen
Veel verslaafde mensen gebruiken meerdere psychoactieve stoffen tegelijkertijd. Men spreek van
een dubbele diagnose wanneer bij een verslaafde patient ook nog ten minste een andere
psychiatrische stoornis wordt vastgesteld.
Chronisch verslaafden zijn patiënten met vaak polydrugsgebruik, een dubbele diagnose en gedrag
dat veelal leidt tot maatschappelijke overlast en criminaliteit. Ook komen bij verslaafde mensen vaak
somatische problemen voor.
9.4 Diagnostiek en indicatiestelling
Bij de diagnostiek en indicatiestelling wordt bij patiënten met stoornissen door het gebruik van
psychoactieve stoffen dezelfde procedure gevolgd als bij andere psychiatrische stoornissen. In de
eerste plaats wordt er uit gegaan van een continuüm van problemen.
Verslavingsdriehoek
Aan de linkerzijde zijn er geen of milde problemen, aan de rechterzijde is er sprake van ernstige
problematiek.
,Geen gebruik: preventie en voorlichting
Experimenteel gebruik/gebruik zonder klachten: vroege signalering
Riskant gebruik: korte interventie
Riskant gebruik met klachten/verslaafd: gespecialiseerde behandeling
Ernstig chronisch verslaafd: zorg
9.5-9.6.5 blz. 353-362
9.5 Behandeling
Stepped care: de patient krijgt de minst intensieve behandeling of zorg op basis van diagnostiek en
professionele inschatting. Als die behandeling onvoldoende effect heeft, wordt een meer intensieve
behandeling gestart.
Patienten doorlopen tijdens iedere behandeling een proces van herstel waarbij een aantal
doelstellingen centraal staat, deze doelstellingen zijn de 4 R’s:
Remoralisatie focus op de verbetering van het subjectief welbevinden.
Remeditie symptomatische herstel en vermindering van symptomatische stress.
Rehabilitatie verbetering van het functioneren op meerdere leefgebieden.
Recovery het zelfstandig kunnen leven van de patient
Behandelingen:
1. Cognitieve gedragstherapie: gebaseerd op een leertheorie. Er wordt vanuit gegaan dat de
gedachten van een persoon de gevoelens en het gedrag beïnvloeden. Het is een uiteenloping van
cognitieve en gedragsmatige interventies . Ook contingency management is hier onderdeel van. Deze
richt zich op het positief belonen van gewenst gedrag en het negeren van ongewenst gedrag. In de
cognitieve gedragstherapie wordt gebruik gemaakt van een functieanalyse, waarbij de functie van
het gebruik van middelen van de patient wordt geanalyseerd.
2. Farmacotherapie: gericht op
- onderhoudsbehandeling met vervangende medicijnen (agonisten). Agonisten zijn stoffen die de
werking van een bepaalde lichaamsstof nabootsen door stimulatie van dezelfde receptoren. In de
verslavingszorg wordt gebruik gemaakt van opiaatagonisten. Als dit niet werkt kan over gegaan op
drugtherapie onder toezicht.
- detoxificatie: ontgiftigen van het verslavende middel. Dit is er op gericht de
onthoudingsverschijnselen te beperken (alcohol: benzodiazepinen)
- het voorkomen van terugvallen in hernieuwd gebruik van het middel. (alcohol: naltrexon en
acamprostaat) Bij disulfiram wordt de afbraak van het tussenproduct aceetaldehyde geremd
waardoor de patient zich ziek gaat voelen op het moment dat hij alcohol drinkt.
3. Community reinforcement approach (CRA): vooral gedragstherapeutische technieken die zich richt
op een andere manier van leven die meer belonend is dan middelengebruik.
4. Detoxificatie: Detoxificatie kan ambulant of intramuraal plaatsvinden. Wanneer een positief effect
wordt bereikt hangt af van het soort middel dat is gebruikt. De afweging van de keuze berust op het
volgende:
- mate van gebruik
- lichamelijke conditie
- lichamelijke complicaties
- comorbide problematiek
, - omstandigheden in de thuissituatie
- voorkeur van de patient
Benzodizepinen, methadon, marihuana, hasj, polydrugsgebruik positief effect in 2-3 weken
heroine positief effect in 2 weken
XTC, cocaine, amfetamine, alcohol positief effect in 1 week
In het transtheoretische model van verandering worden 5 fasen in het veranderingsproces
onderscheiden (prochaska):
1. Voorbeschouwingsfase: niet bewust van een probleem, niet overwegen te veranderen (pre-
comtemplatie)
2. Overpeinzingsfase: voor en nadelen afwegen en overweegt te veranderen (contemplatie)
3. Voorbereidingsfase: voornemen wat aan het gedrag te doen (preparatie)
4. Actiefase: nieuwe gedrag toepassen in de praktijk (actie)
5. Fase van gedragsbehoud: nieuwe gedrag volhouden en eigen maken (consolidatie)
Terug val treedt op wanneer het nieuwe gedrag niet kan worden behouden. In de praktijk wordt dan
terug gegaan naar de vorige fase.
9.6 De verpleegkundige verslavingszorg
Verpleegkundige houding:
- respectvolle bejegening zorgt voor motivatie bij de patient
- geen discussie aangaan over hoeveelheid gebruik, benadruk dat openheid over de hoeveelheid
bevorderend is voor de behandeling
- de verpleegkundige gaat ervan uit dat een verslaving een ziekte is waar de patient niet van kan
genezen, maar wel van kan herstellen
- de verpleegkundige geeft goede ondersteuning bij pij en het lijden van de verslaafde, maar neemt
de verantwoordelijkheid voor het gedrag dat het lijden heeft veroorzaakt niet over
Uitglijder: 1 keer weer gebruiken
Terugval: Meerdere dagen weer gebruiken
Interventies voor het voorkomen van een terugval:
- dagelijks opschrijven hoe hij zich voelt, oftewel zelfregistratie waarbij risicosituaties in kaart worden
gebracht
- een noodplan opstellen voor wanneer en er een terugval plaatsvindt en bespreekbaar maken dat er
altijd sprake kan zijn van en terugval waardoor de schaamte hierover te spreken kleiner wordt.
- leren nee zeggen tegen een aanbod van middelen
Omdat patiënten vaak niet kunnen zeggen welke middelen zij hebben gebruikt, dien je als
verpleegkundige kennis te hebben van de symptomen om zo de intoxicatie te bepalen.
Langzaam en duidelijk praten, nauwe pupillen: opiaten
snel praten: stimulantia
langzaam en onduidelijk praten: alcohol