Dit is een compacte samenvatting van het vak, maar alle belangrijke onderdelen worden uitgebreid besproken.
Persoonlijk vind ik het veel beter te begrijpen met een samenvatting als dit met 40 pagina’s dan een heel
uitgebreide uitwerking met meer dan 100 pagina’s.
Vooral de toepassingen zijn uitgebreid terug te vinden. Hier kan je je tentamenantwoorden op baseren.
Inhoud
Inleiding strafrecht....................................................................................................................................................1
Week 1 – structuur, verwijtbaarheid, opzet, culpa...................................................................................................2
Week 2 – strafbare feiten en verdachtebegrip..........................................................................................................8
Week 3 – Uitbreiding strafbaarheid & Actoren.......................................................................................................12
Modernisering.........................................................................................................................................................17
Week 4 – Opsporing................................................................................................................................................19
Week 5 – vervolging & voorarrest...........................................................................................................................24
Week 6 – OTTZ.........................................................................................................................................................28
Week 7 - Strafuitsluitingsgronden...........................................................................................................................33
Week 8 – Sancties....................................................................................................................................................36
Week 1 – structuur, verwijtbaarheid, opzet, culpa.................................................................................................2
Week 2 – strafbare feiten en verdachtebegrip........................................................................................................8
Week 3 – Uitbreiding strafbaarheid & Actoren.....................................................................................................12
Modernisering........................................................................................................................................................17
Week 4 – Opsporing...............................................................................................................................................19
Week 5 – vervolging & voorarrest.........................................................................................................................24
Week 6 – OTTZ........................................................................................................................................................28
Week 7 - Strafuitsluitingsgronden.........................................................................................................................33
Week 8 – Sancties...................................................................................................................................................36
Tip voor tentamen: vraag oefenvragen die lijken op werkgroepvragen aan AI bij ieder onderwerp
, Week 1 – structuur, verwijtbaarheid, opzet, culpa
1. Bronnen en structuur van strafrecht
Strafrecht bepaalt wie strafbaar is, voor welk gedrag en welke straf kan volgen à rechtszekerheid.
- Wetboek van Strafrecht (Sr): inhoud van de strafbare feiten en sancties.
- Wetboek van Strafvordering (Sv):
(Plus bijzondere wetten, zoals de Opiumwet).
Materieel strafrecht:
Regelt wie, voor welk gedrag en onder welke omstandigheden, strafbaar is en welke sanctie kan
volgen.
Normstelling: strafbaar feit is schending van materiële norm
Wetboek van Strafrecht als basis
Dit is het inhoudelijke deel van het strafrecht
Formeel strafrecht (procesrecht)
Wat: regelt hoe opsporing, vervolging en berechting verlopen.
Basiswet: Wetboek van Strafvordering.
Kern: het gaat om de procedure: bevoegdheden van politie/OM, rechten van burgers, en
waarborgen tegen machtsmisbruik.
De verlichting – Beccaria: hier begon rechtszekerheid
Gaat uit van rationalisme
Proportionaliteitsbeginsel
Rechtszekerheid door geschreven wetgeving, belangrijkste rechtsbron
o Wetboek van Strafrecht 1886
o Wetboek van strafvordering (1926)
Ook jurisprudentie en ongeschreven rechtsbeginselen (subsiduariteit, proportionaliteit)
Opbouw wetboek v Strafrecht à bestaat uit 3 boeken
a) Algemene regels en leerstukken van materieel strafrecht, zoals uitzonderingen en uitbreidingen.
Toepasbaar op alle delicten. Ook regels over sanctierecht en andere onderwerpen
b) Strafbaarstelling van (ernstige) misdrijven (moord, diefstal). Strafbepalingen met omschrijving van
strafbare gedrag en bijpassende maximale straf.
c) Strafbaarstelling van (minder ernstige) overtredingen (verkeersovertredingen). Strafbepalingen met
omschrijving van strafbare gedrag en bijpassende maximale straf.
Opbouw wetboek v Strafvordering à 4 belangrijke boeken, titels, afdelingen
a) Boek 1: algemene bepalingen: belangrijkste bevoegdheden bij opsporing.
b) Boek 2: Strafvordering (vervolging en berechting) in eerste aanleg door OvJ en rechtbank.
c) Boek 3: rechtsmiddelen: beslissingen aanvechten bij rechter, zoals hoger beroep en cassatie.
d) Boek 6: tenuitvoerlegging (uitvoeren van uitspraak), uitvoering van straffen en (in strafprocesrecht)
omzetting van voorwaardelijk naar onvoorwaardelijk.
,2. Legaliteitsbeginsel (Art. 1 lid 1 Sr & Art. 1 Sv)
Vastgelegd in wetboek van Strafrecht en strafvordering:
Art. 1 lid 1 Sr: “Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling”
Art. 1 Sv: ‘Strafvordering heeft alleen plaats op de wijze bij de wet voorzien’.
De 2 lijken hetzelfde, maar
- Strafrecht zegt: je bent niet strafbaar voor iets wat op moment van de gedraging nog niet verboden
was. De wet waarin gedraging verboden wordt moet duidelijk en voorzienbaar zijn.
Gaat om materiële wetten (lagere wetgevers), zolang het eeniederverbindende bepalingen zijn
- Strafvordering zegt: Er mag alleen worden ingegrepen als bevoegdheid is gegeven in een wet à WIFZ.
De 2 wetten verschillen in terminologie à Muilkorf arrest
F: APV-Verbod om honden langer dan 65 cm zonder Muilkorf te laten loslopen. Politie zou dan de
eigenaar aanwijzing kunnen geven om hond te meten in politiebureau, eigenaar weigerde.
Hoe ver reikt het legaliteitsbeginsel? à strafbaarstelling in APV, maar voor het meenemen van een
hond naar het bureau moet het vastgelegd zijn in WIFZ
C: Dit was formeel wetsbegrip. Strafprocesrecht mag alleen bij wet in formele zin.
Niet dus in (bijv) een APV.
Let op: Als het materieel wetsbegrip was, mocht strafbaarstelling wel.
Zorgt voor rechtszekerheid: verbod van terugwerkende kracht + Lex certa beginsel (duidelijke omschrijving).
Wetgever maakt de norm, rechter mag de norm interpreteren (valt actie van verdachte onder die norm?)
Arrest runescape: over de interpretatie van een goed. Wetgever kon vroeger niet bedenken dat er virtuele
goederen zouden komen. Rechter interpreteert nu het gestolen virtuele amulet als een goed idzv art 310 Sr.
3. Structuur van het strafbaar feit à 4 voorwaarden strafbaar feit
Een strafbaar feit is ‘een menselijke gedraging die valt binnen de grenzen van een
wettelijke delictsomschrijving, die wederrechtelijk is en aan schuld te wijten is’.
1. Menselijke gedraging (MG): alleen mensen kunnen vervolgd worden bij strafbare gedragingen. Hierbij kan
het gaan om actief optreden (comissie) of het nalaten van handelen (omissie).
Alleen gedragingen zijn strafbaar, niet het denken eraan.
Als de menselijke gedraging niet bewezen kan worden zal de verdachte worden vrijgesproken (art 352 lid 1 Sv)
2. Wettelijke delictsomschrijving (DO): gedragingen zijn pas strafbaar als ze in de wet terug zijn te vinden
(legaliteitsbeginsel). Wetgever schrijft wetten algemeen op, rechter moet interpreteren.
Zoals runescape: of virtuele goederen ook als goed konden worden aangemerkt. Als bestanddeel DO ontbreekt,
wordt de verdachte vrijgesproken (art 352 lid 1 Sv)
3. Wederrechtelijkheid (W): de gedraging moet in strijd zijn met de wet (Dit is invulling van de DO)
Een rechtvaardigingsgrond (noodweer) kan wel een geldig excuus opleveren.
VB: Indien Klaas een autoruit inslaat voor de lol is hij gewoon strafbaar. Zijn gedraging is wederrechtelijk.
Indien Klaas een autoruit inslaat om het leven van een mens te redden is Klaas uiteraard niet strafbaar. Zijn
gedrag is niet in strijd met de wet (wederrechtelijk). Als hier geen sprake van is, is er OVAR (352, lid 2 Sv)
4. Verwijtbaarheid (V): niemand mag gestraft worden zonder schuld (Dit is invulling van de DO)
, Van schuld is sprake als er redelijkerwijs kon worden verwacht dat hij zich anders kon gedragen dan dat hij heeft
gedaan, of dat de verdachte de mogelijkheid had om anders te handelen waarmee hij het strafbare feit kon
vermijden (=vermijdbare verwijtbaarheid).
Schulduitsluitingsgronden: omstandigheden waarbij het wel wederrechtelijk is maar niet verwijtbaar is.
VB: ontoerekeningsvatbaarheid. Dan volgt ontslag van alle rechtsvervolging (OVAR, art. 352, lid 2 Sv)
è Vrijspraak: Rechter kan feit niet bewijzen (art 352 lid 1 Sv)
o Ontbreken MG: bewijs ontbreekt of geen menselijke gedraging (reflex)
o Ontbreken DO: gedraging past niet bij DO, bvb als opzet ontbreekt bij diefstal.
è OVAR: feit is bewezen, maar feit of verdachte is niet strafbaar in de wet (apv, is geen wifz. Ook
rechtvaardigings- of schulduitsluitingsgrond (art. 352, lid 2 Sv)
1. Menselijke gedraging met mogelijke gevolgen (causaliteit) art 51 Sr à Bestanddeel
2. Voldoet aan de delictsomschrijving die in wet staat (legaliteitsbeginsel) à Bestanddeel
3. Wederrechtelijk: in strijd met het recht (tenzij rechtvaardigingsgrond) à Element
4. Schuld: verwijtbaarheid (tenzij schulduitsluitingsgrond) à Element
Ideaaltypische delicten (hierboven)
1 en 2 zijn vastgelegd als bestanddelen à moeten worden bewezen.
3 en 4 zijn vastgelegd als elementen à mogen worden verondersteld (wanneer bestanddelen zijn bewezen)
Niet ideaaltypische delicten zijn wat ingewikkelder, hier moet de wederrechtelijkheid of schuld vaak wel
worden bewezen (dus zijn het ook bestanddelen). Elementen kunnen niet altijd worden verondersteld.
Bij zware delicten kan je de wederrechtelijkheid en schuld niet veronderstellen.
VB: een sloopbedrijf wordt niet vervolgd bij vernieling, aangezien het hun werk is. Het artikel ‘vernieling’, luidt:
‘’Hij die opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort,
vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, wordt gestraft met…...’’
Wederrechtelijk moet hier bewezen worden (want bestanddeel), maar hier is er geen sprake van.
Wetgever heeft het bewust opgenomen in de wet, want het gedrag is niet altijd in strijd met de wet.
Delictsomschrijving bij culpa (aanmerkelijke onvoorzichtigheid, verdachte voor gevolg voorzichtiger moeten handelen)
Wederrechtelijkheid in DO (bestanddeel)
Verwijtbaarheid (schuld) in DO (bestanddeel)
VB: art 6 WVW: “Aan zijn schuld te wijten verkeersongeval…”. Hierbij moet worden bewezen dat verdachte
aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld. Als culpa ontbreekt: vrijspraak
Delictsomschrijving bij opzet (willens en wetens)
Opzet kan expliciet zijn opgenomen, of impliciet volgen uit DO
VB: art 300 Sr: ‘hij die een ander mishandelt…’. Is een opzet delict, ondanks dat het er niet staat.
Wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid is hier een element, is zo omdat …
4. Soorten delicten
Formeel delict: Strafbaarstelling van een handeling (onderdeel 1: menselijke gedraging)