1. Algemene rechtsbeginselen
Legaliteitsbeginsel = overheidsoptreden en straffen moet gebaseerd zijn op de wet; beschermt
burgers tegen willekeur en machtsmisbruik. Voor besluiten die eenzijdig de belangen van burgers
beïnvloeden is in beginsel een grondslag in geschreven recht vereist.
Specialiteitsbeginsel = de overheid mag een bevoegdheid alleen gebruiken voor het specifieke
algemene belang waarvoor die is toegekend (doelbinding). Uitwerking van het legaliteitsbeginsel;
verband met art. 1:2 lid 2, 3:3 en 3:4 lid 1 Awb.
Rechtszekerheidsbeginsel = wetten en overheidshandelen moeten duidelijk, voorzienbaar en
consistent zijn, zodat burgers vooraf hun rechten, plichten en de gevolgen van hun handelen kennen.
Formeel rechtszekerheidsbeginsel = duidelijke begrenzing van de bestuursbevoegdheid en
ondubbelzinnige bepaling van de rechtspositie van de burger; wetgeving moet niet voor tweeërlei
uitleg vatbaar zijn.
Materieel rechtszekerheidsbeginsel = het geldende recht vindt ook werkelijk toepassing en besluiten
mogen in beginsel niet met terugwerkende kracht aan burgers worden tegengeworpen.
Gelijkheidsbeginsel = gelijke gevallen moeten gelijk worden behandeld; beschermt tegen willekeur
en discriminatie. Toetsing van wetten in formele zin aan art. 1 Gw mag niet (art. 120 Gw), wel aan
verdragsbepalingen (art. 94 Gw).
Onpartijdigheidsbeginsel = de overheid moet volledig objectief handelen, zonder vooroordelen of
persoonlijk belang.
2. Algemene beginselen van behoorlijk bestuur (abbb)
De abbb zijn deels gecodificeerd in de Awb, maar de namen en de inhoud moet je kennen:
Zorgvuldigheidsbeginsel = de overheid moet vooraf alle relevante feiten en belangen goed en
volledig onderzoeken voordat zij een besluit neemt (vgl. art. 3:2 Awb).
Vertrouwensbeginsel = een burger mag erop vertrouwen dat concrete en duidelijke toezeggingen (of
vergelijkbare uitlatingen) van de overheid ook worden nagekomen.
Evenredigheidsbeginsel = een maatregel moet geschikt zijn om het doel te bereiken en mag niet
verder gaan dan noodzakelijk; voor de burger moet het minst bezwarende middel worden gekozen
(art. 3:4 lid 2 Awb).
Motiveringsbeginsel = een besluit moet berusten op een deugdelijke, kenbare motivering (art. 3:46-
3:50 Awb).
Vergewisplicht (toetsingsplicht) = een bestuursorgaan moet nagaan of het zich op een uitgebracht
advies mag baseren.
3. Beslissingsruimte en toetsing
Gebonden bevoegdheid = de wet laat de overheid geen enkele beslissingsruimte; zodra aan de
wettelijke voorwaarden is voldaan, moet het bestuursorgaan een vooraf bepaald besluit nemen.
, Beoordelingsruimte (discretionair) = de wet biedt het bestuursorgaan vrijheid om zelfstandig te
beoordelen of aan de bevoegdheidsvoorwaarden is voldaan.
Gebonden beoordelingsruimte = de uitleg van de bevoegdheidsvoorwaarden ligt vast; geen eigen
beoordelingsvrijheid (te onderscheiden van discretionaire beoordelingsruimte).
Beleidsruimte = het bestuursorgaan is vrij om – op grond van een belangenafweging – van het
gebruik van een bevoegdheid af te zien, ook al is aan de wettelijke voorwaarden voldaan.
Marginale (terughoudende) toetsing = bij discretionaire bevoegdheden toetst de rechter
terughoudend: alleen of het bestuursorgaan in redelijkheid tot het besluit kon komen (rechter als
grensrechter, niet als scheidsrechter).
Volle toetsing = bij gebonden bevoegdheden en bij bestraffende sancties (criminal charge) toetst de
rechter volledig.
4. Toetsen en criteria (stappenschema's)
Evenredigheidstoets ‘nieuwe stijl’ – drie stappen (Harderwijk)
1. Geschiktheid: is het besluit geschikt om het beoogde doel te bereiken?
2. Noodzakelijkheid: is het besluit noodzakelijk, of kan een lichter middel dat de burger minder
belast?
3. Evenwichtigheid: is de geschikte en noodzakelijke maatregel niet onevenredig bezwarend
voor de betrokkene?
Geldt in beginsel voor (bijna) alle besluiten. Schrijft een wet in formele zin dwingend een besluit
voor, dan kan in beginsel niet via het evenredigheidsbeginsel worden afgeweken, tenzij sprake is van
niet-verdisconteerde omstandigheden (contra legem).
Vertrouwensbeginsel – drie stappen
1. Toezegging? kan de uitlating of gedraging worden gekwalificeerd als een toezegging?
2. Toerekening? kan de toezegging worden toegerekend aan het bevoegde bestuursorgaan?
3. Honorering? moet de gerechtvaardigde verwachting ook worden gehonoreerd
(belangenafweging)?
Een toezegging moet voldoen aan vier harde eisen:
– Specifiek: gericht op de individuele situatie van de burger, niet op algemene voorlichting of
beleid.
– Concreet: stellig, helder en ondubbelzinnig.
– Zonder voorbehoud: geen duidelijke slag om de arm.
– Burgerperspectief centraal: niet wat de ambtenaar bedoelde, maar hoe de burger het
redelijkerwijs mocht begrijpen.
Bij honorering worden afgewogen: het belang van de burger, het algemeen belang en de belangen van
derden. Wegen het algemeen belang of derdenbelangen zwaarder, dan hoeft de toezegging niet te
worden nagekomen, maar moet de schade vaak wel worden vergoed (dispositievereiste).
OPERA-criteria – belanghebbende natuurlijk persoon (art. 1:2 lid 1 Awb)
– Objectief bepaalbaar belang: niet alleen een eigen gevoel of beleving.