PABO Rekentoets (WISCAT/RWT) 2026 – Complete
Samenvatting
Alle domeinen van de landelijke reken- en wiskundetoets (RWT, voorheen WISCAT-PABO)
overzichtelijk uitgelegd: hoofdrekenen, breuken, procenten, verhoudingen, meten &
meetkunde en verbanden & statistiek — inclusief 30 oefenvragen met uitwerkingen.
Examenoverzicht
120 minuten, 55 opgaven verdeeld over 2 onderdelen
Deel 1 – Hoofdrekenen: 17 vragen in 17 minuten (geen rekenmachine)
Deel 2 – Gemengde vragen: 38 opgaven in 103 minuten
Verplicht onderdeel van de PABO-toelating, vaak los van de taaltoets af te leggen
Waarom deze toets?
Iedere aankomende PABO-student moet aantonen te beschikken over voldoende reken-
wiskundige vaardigheid om straks zelf rekenonderwijs te kunnen geven op de basisschool.
De RWT/WISCAT test dit met opgaven op minimaal het niveau dat een leerkracht
basisonderwijs nodig heeft.
1. Hoofdrekenen
Bij hoofdrekenen mag je geen rekenmachine of kladpapier gebruiken; je moet sommen uit je
hoofd (of met een korte notatie) snel oplossen.
• Optellen en aftrekken met grote getallen, bijvoorbeeld 3.800 − 1.250.
• Vermenigvuldigen en delen, bijvoorbeeld 24 × 15 of 480 ÷ 12.
• Rekenen met tientallen, honderdtallen en duizendtallen door slim te schatten en af te
ronden.
• Handige rekenstrategieën: splitsen (bijv. 47 × 8 = 40×8 + 7×8), compenseren (bijv.
98 + 47 = 100 + 47 − 2) en verdubbelen/halveren.
Tip
Oefen met hardop rekenen en tijdsdruk: de tijd per vraag bij het hoofdrekenen-onderdeel is
krap (ongeveer 1 minuut per vraag), dus snelheid is minstens zo belangrijk als
nauwkeurigheid.
2. Breuken, decimalen en procenten
Breuken
• Gelijknamig maken om breuken op te tellen of af te trekken, bijvoorbeeld 1/3 + 1/4 =
4/12 + 3/12 = 7/12.
• Breuken vermenigvuldigen (teller × teller, noemer × noemer) en delen
(vermenigvuldigen met het omgekeerde).
• Vereenvoudigen van breuken tot de kleinste vorm, bijvoorbeeld 12/16 = 3/4.
Decimalen (kommagetallen)
Pagina 1 van 8
, PABO Rekentoets 2026 Stuvia
• Optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen van kommagetallen, met aandacht
voor de plaats van de komma.
• Omzetten tussen breuken en decimalen, bijvoorbeeld 3/4 = 0,75.
Procenten
• Een percentage van een getal berekenen, bijvoorbeeld 15% van 260.
• Procentuele toename of afname berekenen, bijvoorbeeld een prijsstijging van 8%.
• Terugrekenen: als je weet dat 20% korting € 12 is, wat was dan de oorspronkelijke
prijs?
• Omzetten tussen breuk, decimaal en procent (bijv. 1/5 = 0,2 = 20%).
3. Verhoudingen
Verhoudingsvraagstukken komen vaak voor in combinatie met recepten, schaal, snelheid en
verdeling.
• Verhoudingstabellen gebruiken om verhoudingen op te schalen, bijvoorbeeld: als een
recept voor 4 personen 300 gram rijst nodig heeft, hoeveel dan voor 6 personen?
• Kaartschaal: de werkelijke afstand berekenen op basis van de schaal van een kaart
(bijv. schaal 1:50.000).
• Snelheid, afstand en tijd: v = afstand ÷ tijd, en de omgekeerde berekeningen hiervan.
• Mengverhoudingen, bijvoorbeeld het mengen van verf in een verhouding 2:3.
4. Meten en meetkunde
Meten
• Omrekenen tussen maateenheden: lengte (mm, cm, m, km), inhoud (ml, cl, l) en
gewicht (mg, g, kg, ton).
• Oppervlakte en inhoud berekenen van rechthoeken, driehoeken, cirkels, kubussen
en balken.
• Omtrek berekenen van vlakke figuren.
Formules die je moet kennen
Figuur Formule
Rechthoek (oppervlakte) lengte × breedte
Driehoek (oppervlakte) (basis × hoogte) ÷ 2
Cirkel (oppervlakte) π × straal²
Cirkel (omtrek) 2 × π × straal
Balk (inhoud) lengte × breedte × hoogte
Kubus (inhoud) zijde³
Meetkunde
• Hoeken herkennen en berekenen (scherpe, rechte, stompe hoek; hoekensom in een
driehoek is 180°).
• Aanzichten en bovenaanzichten van 3D-figuren herkennen (plattegronden,
bouwplaten).
• Symmetrie en spiegelen van figuren.
Pagina 2 van 8