PABO Taaltoets Nederlands (Kennisbasis Taal / LKT)
2026 – Complete Samenvatting
Alle onderdelen van de landelijke kennistoets Nederlands voor de PABO overzichtelijk
uitgelegd: spelling, formuleren, interpunctie en grammatica — inclusief 30 oefenvragen met
uitwerkingen. De ideale aanvulling op de rekentoets.
Examenoverzicht
150 vragen in totaal, verdeeld over 4 onderdelen
Spelling: 50 vragen • Formuleren: 40 vragen • Interpunctie: 20 vragen • Grammatica:
40 vragen
Slaaggrens: minimaal 113 van de 150 vragen goed (75%)
Onderdeel van de landelijke kennisbasistoets (LKT) taal Nederlands voor de PABO
1. Spelling (50 vragen)
Het spellingonderdeel test of je werkwoorden, zelfstandige naamwoorden en andere
woordsoorten correct kunt schrijven.
Werkwoordspelling
• Persoonsvorm tegenwoordige tijd: ik-vorm (stam), je/jij-vorm (stam + t, tenzij
inversie), hij/zij-vorm (stam + t).
• D/t-regel: de hij/zij-vorm is altijd de stam + t, ook als de stam al op een 'd' eindigt
(bijv. stam 'word' + t = 'hij wordt'). Bij een stam die al op een 't' eindigt, komt er geen
extra 't' bij (bijv. stam 'zit' → 'hij zit').
• Voltooid deelwoord: de 't kofschip'-regel (medeklinkers t, k, f, s, ch, p) bepaalt of de
uitgang '-t' of '-d' is: eindigt de stam op zo'n medeklinker, dan is de uitgang '-t' (bijv.
stam 'werk' → 'gewerkt'); in alle andere gevallen is de uitgang '-d' (bijv. stam 'hoor' →
'gehoord'). Let op de bekende uitzonderingen zoals 'leven' → 'geleefd' en 'geloven'
→ 'geloofd', waarbij ondanks de f-klank toch een d wordt geschreven.
• Werkwoorden op -eren krijgen geen dubbele medeklinker (bijv. 'controleer', niet
'controleerr').
Open en gesloten lettergrepen
• Bij een open lettergreep (eindigend op een klinker) met een lange klank wordt de
klinker niet verdubbeld in het enkelvoud, maar wel bij verlenging soms verkort (bijv.
'maan' → 'manen').
• Bij een gesloten lettergreep met een korte klank wordt de medeklinker verdubbeld bij
het toevoegen van een uitgang die met een klinker begint (bijv. 'kat' → 'katten').
Tussen-n
• De tussen-n in samenstellingen (bijv. 'pannenkoek', 'bessensap') volgt een aantal
vaste regels rond het eerste zelfstandig naamwoord (meervoud op -en, en geen
mensen/dieren-aanduiding in de andere richting).
Pagina 1 van 8
, PABO Taaltoets Nederlands 2026 Stuvia
2. Formuleren (40 vragen)
Bij formuleren beoordeel je of een zin taalkundig correct is opgebouwd. Veelvoorkomende
foutsoorten:
• Congruentiefouten: onderwerp en persoonsvorm komen niet overeen in getal (bijv.
'De kinderen loopt naar school' — moet 'lopen' zijn).
• Verkeerd gebruik van voegwoorden, waardoor de zin logisch niet klopt.
• Contaminaties: het door elkaar halen van twee uitdrukkingen (bijv. 'zijn mannetje
staan' + 'zich staande houden' = fout: 'zijn mannetje staande houden').
• Verkeerde woordvolgorde, waardoor de zin onnatuurlijk of onduidelijk wordt.
• Dubbele ontkenningen of overbodige woorden die de zin onlogisch maken.
Tip
Lees de zin altijd hardop (in gedachten) — foute zinnen 'klinken' vaak net niet goed, ook al
kun je de exacte regel niet meteen benoemen.
3. Interpunctie (20 vragen)
Bij dit onderdeel beoordeel je of leestekens correct zijn gebruikt.
• Komma: gebruikt om opsommingen, bijzinnen en toevoegingen af te bakenen; een
komma vóór 'en' in een opsomming is meestal niet nodig, tenzij dit verwarring
voorkomt.
• Puntkomma: verbindt twee nauw verwante hoofdzinnen zonder voegwoord.
• Dubbele punt: kondigt een opsomming, uitleg of citaat aan.
• Aanhalingstekens: bij letterlijke citaten of om een woord te markeren als niet letterlijk
bedoeld (ironie).
• Vraag- en uitroepteken: sluiten respectievelijk een vraagzin en een uitroep af;
combineren met een komma is nooit correct.
• Haakjes: voor toevoegingen die de zin ook zonder kunnen missen.
4. Grammatica (40 vragen)
Dit onderdeel bestaat uit twee delen: woordsoorten benoemen (20 vragen) en zinsdelen
benoemen (20 vragen).
Woordsoorten (taalkundig ontleden)
Woordsoort Voorbeeld
Zelfstandig naamwoord tafel, vriendschap, Amsterdam
Werkwoord lopen, is, gegeten
Bijvoeglijk naamwoord mooi, groot, snel
Bijwoord snel (in 'hij loopt snel'), gisteren, erg
Voorzetsel op, in, met, naar
Voegwoord en, maar, omdat, terwijl
Lidwoord de, het, een
Voornaamwoord ik, jouw, deze, die
Pagina 2 van 8