Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 47 pagina's
Samenvatting

Volledige samenvatting formeel strafrecht B2 EUR

Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 47 pagina's

Samenvatting van formeel strafrecht b2 van de Erasmus Universiteit. In deze samenvatting zit ook alle stof van de hoorcolleges verwerkt. Je krijgt onderwerpen zoals: bevoegdheden, opsporing, vervolging, doorzoeking, het proces, de verdachte, het slachtoffer, verschoning, motiveren en beslissen, vormverzuimen en rechtsmiddelen. Ook staan er veel arresten in deze samenvatting!

Voorbeeld van de inhoud

Formeel strafrecht B2

Week 1

Basisbeginselen en -begrippen

Het strafproces regelt: 1) de bevoegdheid om op te sporen, 2) de bevoegdheid om te vervolgen
en 3) de bevoegdheid om te (ver)oordelen.

Hoofddoelen strafprocesrecht:

- Bestraffen van schuldigen en het voorkomen van de bestraffing van onschuldigen.
- Realisatie van het materiële strafrecht.

Bijkomende doelen strafprocesrecht:

- De eerbiediging van de rechten en vrijheden van de verdachte. Vervolging is op zichzelf
een zware belasting voor de verdachte, dus zijn rechten moeten worden beschermd.
- Eerbiediging van de rechten en vrijheden van andere betrokkenen, zoals getuigen en
slachtoffers.
- Procedurele rechtvaardigheid (eerlijk proces).
- Demonstratiefunctie: de terechtzitting moet openbaar zijn. Hierdoor is publieke controle
mogelijk en wordt willekeur tegengegaan.

Rule of law: de rule of law staat centraal in de verhoudingen tussen de overheid en de burger in
een rechtsstaat. Ook de overheid dient zich te houden aan de wet. Het recht stelt grenzen ten
aanzien van de uitoefening van bevoegdheden. De strafmacht van de overheid is gebonden aan
de wet. Hier zijn wel vier kanttekeningen voor te maken:

1. Ten eerste mist rechtsbescherming als doel van het strafprocesrecht onderscheidend
vermogen.
2. Ten tweede blijft onverklaard waarom de overheid strafmacht krijgt toegekend om de
materiële waarheid boven tafel te krijgen. Als het doel van het strafprocesrecht te vinden
is in het beschermen van de burger tegen deze bevoegdheden, dan kunnen de
bevoegdheden beter niet toegekend worden.
3. Ten derde wordt onderbelicht dat voor toekenning van bevoegdheden aan de overheid
een goede grond moet zijn volgens het rechtstaatidee.
4. Ten vierde leidt de zienswijze van de rule of law snel tot eenzijdigheid.
Rechtsbescherming versmalt tot bescherming van de verdachte tegen de overheid. Het
strafproces omvat echter meer, namelijk ook bescherming van slachtoffers.

Bronnen van het strafprocesrecht:

1. Wetgeving: op grond van art. 107 lid 1 Gw wordt het strafprocesrecht geregeld in het
wetboek van strafvordering. Ook zijn er een aantal bijzondere wetten (zoals de Opiumwet
en Wet Wapens en Munitie). Art. 1 Sv bepaalt dat strafvorderlijke regelingen niet door
lagere wetgevers kunnen worden getroffen (delegatie niet toegestaan). Delegatie van de
wetgever in formele zin aan de kroon of ministers is wel mogelijk.
2. Beleidsregels: beleidsregels zijn recht in de zin van art. 79 RO wanneer zij op behoorlijke
wijze zijn gepubliceerd. Beleidsregels worden vaak opgesteld door overheidsorganen

, met discretionaire bevoegdheden. In beleidsregels wordt vastgesteld hoe gebruik dient
te worden gemaakt van die bevoegdheid. Vaak komen ze voor in de vorm van
aanwijzingen of richtlijnen. Burgers kunnen zich hier alleen op beroepen wanneer die
regel afkomstig is van een orgaan met de bevoegdheid om bindende voorschriften voor
functionarissen te geven ten aanzien van de uitoefening van hun bevoegdheden.
3. Internationaal recht, zoals het EVRM en EHRM.
4. Jurisprudentie: de hoge raad geeft in sommige jurisprudentie wetsuitleg en invulling aan
open normen. Het EHRM ziet nationale jurisprudentie als law.
5. Aanwijzing OM, zoals een strafbeschikking

Beginselen in het strafprocesrecht:

- Goede procesorde: alle procesdeelnemers moeten zich op een eerlijke, zorgvuldige
manier gedragen, zodat het strafproces eerlijk verloopt.
- Vertrouwensbeginsel: een verdachte mag op de toezeggingen/uitlatingen van bevoegde
overheidsinstanties vertrouwen.
- Gelijkheidsbeginsel: gelijke gevallen worden gelijk behandeld.
- Beginsel van zuiverheid van oogmerk (verbod détournement de pouvoir): een
bevoegdheid mag alleen worden gebruikt voor het doel waarvoor die bevoegdheid is
verleend.
- Behoorlijke en billijke belangenafweging: alle betrokken belangen moeten zorgvuldig
tegen elkaar worden afgewogen.
- Rechtszekerheidsbeginsel: burgers moeten weten waar zij aan toe zijn. Wet- en
regelgeving moet duidelijk en voorspelbaar zijn. Ook moet de overheid consequent
handelen.
- Legaliteitsbeginsel (art. 1 Sv): overheidsoptreden moet gebaseerd zijn op de wet.
- Onschuldpresumptie: een verdachte is onschuldig totdat zijn schuld wordt bewezen.
- Dubio pro reo-beginsel: bij twijfel moet in het voordeel van de verdachte worden beslist.
Art. 338 Sv geeft aan dat de rechter feiten alleen bewezen mag verklaren wanneer hij zelf
de overtuiging heeft gekregen dat het feit door de verdachte is begaan.
- Nemo teneteur-beginsel: niemand is verplicht om mee te werken aan zijn eigen
veroordeling.
- Fair trial beginsel (art. 6 EVRM): iedereen heeft recht op een eerlijk proces.
- Opportuniteitsbeginsel: het OM beslist of een verdachte wordt vervolgd. Het OM kan op
grond van het algemeen belang afzien van vervolging of kiezen voor een alternatieve
afdoening.

Het strafprocesrecht heeft een verband met andere rechtsgebieden. Zo zie je een duidelijk
verband bij de trias politica en de onafhankelijkheid van de rechter. Het privaatrecht staat naast
het strafrecht. Een strafbaar feit kan ook een onrechtmatige daad opleveren. Ook is er een
verband bij het bestuursrecht. Ten eerste ten aanzien van het penitentiaire recht waar ook de
Awb van toepassing is. Ten tweede ten aanzien van de politiek op het vlak van de
criminaliteitsbestrijding en ten derde ten aanzien van oplegging van bestuurlijke boetes.

- Inquisitoir procesmodel: actieve rol van rechters bij het onderzoeken van de zaak, het
oordelen van deze rechters op basis van de materiële waarheid en vervolging en

, berechtiging zijn in één hand verenigd. De verdachte is voorwerp van het onderzoek,
geen procespartij.
- Accusatoir procesmodel: gericht op een conflict tussen twee gelijkwaardige partijen. De
rechter is lijdelijk en beslist op hetgeen partijen hebben aangedragen. De aanklager
hoeft zich voorts niet te bekommeren om de belangen van de verdachte. Een voordeel
van dit model is dat de verdachte een volwaardige procespartij is. Hierdoor vloeit zijn
recht op verdediging rechtstreeks uit het systeem. De rechter wordt bovendien
gedwongen beide kanten van het verhaal te bekijken, in tegenstelling tot het inquisitoire
model, waarbij de rechter enkel zijn eigen optiek bekijkt. Bij het accusatoire model is een
nadeel dat feitelijke gelijkwaardigheid in werkelijkheid niet altijd aanwezig is. Daarnaast
biedt het weinig garanties voor de veroordelingen in overeenstemming met de materiële
waarheid vanwege het systeem van plea bargaining.

Het Nederlandse strafprocesmodel heeft sterk inquisitoire kenmerken maar ook accusatoire
kenmerken, zoals dat de verdachte wordt gezien als een volwaardige procespartij.

Hoofdrollen in het strafprocesrecht:

- De rechter: de rechter moet onafhankelijk en onpartijdig zijn en neemt uiteindelijk de
beslissing.
- De OvJ/het OM: door de actieve rol van de OvJ heeft de rechter een minder dominante rol
gekregen. De OvJ vertegenwoordigt het OM. Het OM hoort bij de rechterlijke macht, maar
heeft zich wel tot op zekere hoogte verzelfstandigd. Het is geen onafhankelijke instantie,
zij valt immers onder de politieke verantwoordelijkheid van de Minister Van Justitie die
ook aanwijzingen kan geven (art. 127 Wet RO). De OvJ heeft als taak om strafbare feiten
te vervolgen op basis van het opportuniteitsbeginsel. De OVJ is partijdig, maar niet de
tegenstander van de verdachte. Hij behartigt namelijk het algemeen belang, dus ook het
belang van de verdachte. Voorts is het OM belast met de tenuitvoerlegging van
rechterlijke beslissingen en heeft hij een taak in het kader van de opsporing van strafbare
feiten.
- De verdachte: de verdachte is een volwaardige procespartij die veel rechten toekomt:
onschuldpresumptie, nemo tenetur-beginsel, fair hearing, zwijgrecht en rechtsbijstand.
Art. 6 EVRM stelt dat verdediging ook zonder raadsman mag plaatsvinden, maar wanneer
de verdachte rechtsbijstand nodig heeft zal dit moeten worden toegestaan. Bovendien,
wanneer hij onvoldoende financiële middelen heeft, zal de overheid de raadsman (deels)
moeten bekostigen.
• Art. 27 Sv: iemand is pas verdachte als er een redelijk vermoeden van schuld is.
‘Degene te wiens aanzien uit feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden
van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeit’ (materiele criterium). ‘Degene
tegen wie de vervolging is gericht’ (formeel criterium).
- De advocaat/raadsman of -vrouw: de verdachte heeft recht op rechtsbijstand gedurende
het gehele proces (art. 28 lid 1 Sv). De raadsman dient te adviseren en te ondersteunen.
Ze zijn gebonden aan gedragsregels van de OvA, maar ze oefenen wel een vrij beroep uit
(niet gebonden aan de overheid). Ze verdedigen de verdachte en zijn een
vertrouwenspersoon (hij heeft namelijk verschoningsrecht). De raadsman mag wel

, partijdig zijn. Wanneer de raadsman de verdachte verdedigt, doet hij niet namens de
verdachte. Hij heeft daartoe alle bevoegdheden die de verdachte ook heeft (art. 331 Sv).
• Hij is onzelfstandig want de eindbeslissing ten aanzien van de verdediging ligt bij
de verdachte.
• Er is geen sprake van vereenzelviging want de acties van de raadsman worden
niet toegerekend aan de cliënt.
• Er geldt een plicht tot geheimhouding.
• Er geldt eenheid in het optreden naar buiten.
• Hij is gebonden aan het tuchtrecht: de vrijheid van verdediging betekent niet dat
de wet mag worden overtreden.
• Stelbrief (art. 51 Sv): de gekozen raadsman moet schriftelijk aan de hulpofficier
bekendmaken dat hij in naam van de verdachte optreedt (art. 39 Sv). Deze
kennisgeving wordt ook wel het stelbriefje genoemd.
- (Het slachtoffer speelt ook een rol, maar deze heeft geen hoofdrol).

Vooronderzoek

Vooronderzoek (ook wel voorbereidend onderzoek genoemd) is het onderzoek hetwelk aan de
behandeling ter terechtzitting voorafgaat (art. 132 Sv). Er zijn twee reden voor vooronderzoek:

- De OvJ beslist op basis van het vooronderzoek of een verdachte wordt gedagvaard of
niet. Wordt er vervolgd of niet? Of wordt de zaak wellicht geseponeerd of anderszins
afgedaan?
- Er wordt materiaal verzameld zodat de vragen van art. 350 Sv kunnen worden
beantwoord.

Bij het vooronderzoek moet het legaliteitsbeginsel (art. 1 Sv) in acht worden genomen. Al het
jegens burgers belastende overheidsoptreden dient op een wet in formele zin te berusten. Bij het
vooronderzoek kunnen bepaalde dwangmiddelen worden gebruikt, of kan sprake zijn van een
inbreuk op de informationele privacy. Hiervoor is altijd een wet in formele zin vereist. Een
voorbeeld hiervan is de wet die recht geeft om te fouilleren. Fouilleren mag op grond van art. 52
lid 3 WWM. Hier is het doel het opsporen van wapens. In de Opiumwet vind je niet zo’n wet. Je
mag dus niet preventief fouilleren op drugs. Dit mag wel als er een redelijk vermoeden is van
schuld (art. 27 Sv).

Opsporing

Onder voorbereidend onderzoek valt opsporing. Opsporingsonderzoek is het onderzoek in
verband met strafbare feiten onder het gezag van de OvJ met als doel het nemen van
strafvorderlijke beslissingen (art. 132a Sv). Activiteiten die niet zijn gericht op het nemen van
strafvorderlijke beslissingen vallen niet onder opsporing.

Een opsporing begint zodra er een vermoeden rijst dat er een strafbaar feit is gepleegd. Een
vermoeden kan komen door diverse omstandigheden, zoals aangifte, ontdekking, heterdaad etc.
Als opsporingsambtenaren hierna gaan handelen, vallen deze handelingen onder de opsporing.
Er hoeft voor opsporing nog geen verdachte te zijn, want je gaat vaak juist opzoek naar wie het
heeft gedaan en of er een redelijk vermoeden van schuld bestaat tegen dit persoon (art. 27 Sv).
Opsporing kan ook nog plaatsvinden tijdens het onderzoek ter terechtzitting (art. 148 en 316 Sv).

Gekoppeld boek
 image
B.F. Keulen, G. Knigge Ons strafrecht 2 - Strafprocesrecht
Uitgever: augustus 2016 ISBN: 9789013121797 Druk: 13

Documentinformatie

Heel boek samengevat?
Ja
Geüpload op
1 juli 2026
Aantal pagina's
47
Geschreven in
2025/2026
Type
Samenvatting
€15,96

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Verkocht
3
Volgers
0
Items
5
Laatst verkocht
1 maand geleden

Echte notities, van echte studenten
Elk document op Stuvia is geschreven door een medestudent die hetzelfde vak deed. Zo leer je van iemand die het al heeft gehaald.



Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen