Handelen vanuit grootstedelijk beleid, kernbegrippen
, 2
Begrippen:
Week 1:
Straatman ‘Stad en beleid’ H2.1 en H3.1, 3.3
Sociaal beleid: de manier waarop in wetten en regels is vastgelegd hoe we in Nederland
kijken naar zorg en welzijn. Het gaat over wat we normaal vinden in een samenleving en wie
verantwoordelijk is voor hulp.
Voorbeeld: In Nederland is afgesproken dat mensen zo lang mogelijk thuis blijven
wonen.Daarom kan de gemeente via de Wmo dingen regelen zoals huishoudelijke hulp,
begeleiding of een hulpmiddel (bijv. een rolstoel).
Participatiesamenleving is een samenleving dat getypeerd wordt door
-meedoen in de samenleving
-niet alleen de overheid, maar iedereen doet mee, en draagt bij aan de verantwoordelijkheid
-kwetsbare momenten blijven zoveel mogelijk ik hun eigen omgeving
Voorbeeld: iemand met beginnende problemen krijgt begeleiding in de wijk (niet meteen een
instelling), zodat diegene kan blijven meedoen.
Paradigmaverandering: grote verandering in denken en doen. --> verwachtingen
veranderen ook. Denk aan wat de burgers zelf moeten doen, wat de professionals doen en
wat de overheid regelt.
Voorbeeld:
Vroeger dacht men "ewa overheid doet alles" (verzorgingsstaat). Nu: Persoon die hulp nodig
heeft krijgt eerst ondersteuning van naasten in de wijk, pas als dat niet lukt dan komt
zwaardere zorg (participatiesamenleving)
Decentralisatie: taken en beslissingen gaan van de meer landelijke overheid naar
gemeenten. In sociaal werk is dat al bezig met de nieuwe wetgeving in 2015 en de WMO
2007. ---> gemeenten sturen sociaal werk meer aan + er wordt meer verantwoordelijkheid bij
burgers gelegd. Het idee is dat de gemeenten dichter bij de burgers staan en sneller kunnen
inspelen als dat nodig is.
Voorbeeld: Iemand heeft hulp nodig in huis (bijv. schoonmaken of begeleiding). Door
decentralisatie vraagt die persoon dit niet bij “het Rijk” aan, maar bij de gemeente via de
Wmo. De gemeente bepaalt dan wat iemand krijgt en hoeveel.
Institutioneel sociaal beleid: hoe zorg en welzijn in Nederland via wetten en regels én de
uitvoering door instanties is geregeld. Het kan ondersteunen omdat regels rechten en hulp
mogelijk maken (bijvoorbeeld via de Wmo). Maar het kan ook schaden als regels te streng
zijn of niet passend, bijvoorbeeld wanneer de gemeente bepaalt dat hulp via het netwerk
opgelost moet worden.
Sadomasochistisch enthousiasme betekent dat professionals heel enthousiast beleid
uitvoeren (vaak met positieve woorden), terwijl het beleid in de praktijk schadelijk kan
uitpakken voor kwetsbare mensen.
Beleid:
, 3
1. het streven om doelen te bereiken met bepaalde middelen binnen een bepaalde tijd
2. een politiek bekrachtigd plan en is meestal het antwoord op een probleem
Voorbeeld: Er is een probleem --> beleid wordt gemaakt om dat aan te pakken.
Beleidsproces: het hele traject van idee, tot plan tot uitvoering van beleid. Een beleidsplan
ontstaat:
-in een politieke context (meningen, belangen, verkiezingen)
-binnen een beleidssysteem(regels, procedures, gemeenten)
-met meerdere partijen (overheid, professionals)
Lastigheden:
1. Niet iedereen ziet het zelfde probleem
2. Niet iedereen wilt dezelfde oplossing
Top down: overheid bedenkt en bepaalt het beleid, anderen moeten het uitvoeren
Voorbeeld: gemeente beslist regels voor Wmo-hulp en wijkteam voert dit uit
Bottom up: beleid ontstaat meer vanuit de praktijk, samen met bewoners/organisaties:
overheid werkt gelijkwaardiger samen.
Voorbeeld: bewoners geven aan wat nodig is in de wijk, gemeente maakt samen een plan
De analytisch-rationalistische visie ziet beleid als iets dat de overheid rationeel en
planmatig kan maken: eerst het probleem analyseren, dan oplossingen ontwerpen en
kiezen. Het is vooral top-down en werkt met een beleidscyclus/stappenplan waarbij de
uitvoering daarna volgt.
De eerste 2 stappen van de beleidscyclus
1. Agendavorming: bepalen welke problemen aandacht krijgen en welke problemen de
overheid echt gaat aanpakken.
Belangrijke punten:
-Er is een strijd om aandacht, niet elk probleem komt op de agenda
-Macht, belangen en timing spelen mee
3 agenda's
1. Publieke agenda: problemen die leven bij burgers
2. Bestuurlijke agenda: problemen die leven bij bestuurders/beleidsmakers
3. Politieke agenda: problemen die door beide worden erkend --> het wordt een echt
beleidsonderwerp
Voorbeeld:
Burgers klagen over onveiligheid in de wijk (publieke agenda). De gemeente ziet ook dat het
erger wordt (bestuurlijke agenda). Dan komt “veiligheid in de wijk” op de politieke agenda en
worden er plannen gemaakt (beleid).
Uitdenken beleid: je gaat een oplossing “ontwerpen” voor een probleem. Je brengt in kaart
wat er speelt en bedenkt welke oplossingen mogelijk zijn.
, 4
2. Beleidsvoorbereiding: In deze fase wordt beleid ontworpen om het probleem aan te
pakken. Eerst wordt het beleidsonderzoek gedaan, daarna worden beleidsalternatieven
bedacht.
Voorbeeld: Onderzoek: wanneer is de overlast, waar, hoeveel meldingen, waarom hangen
jongeren daar, wat missen ze? Dan alternatieven, meer handhaving of een jongerenplek
creeëren.
Ex-ante evaluatie: onderzoek vooraf naar mogelijke toekomstige effecten van beleid. Op
basis daarvan wordt het beleidsvoorstel gemaakt.
Voorbeeld: Meer handhaving kan snel effect geven, maar jongeren verplaatsen zich
misschien naar een andere plek.
Probleem: het gaat anders dan je vindt dat het hoort
1. Maatstaf/norm: hoe het zou moeten zijn
2. Werkelijkheid: hoe het nu echt is
(Probleem: verschil tussen hoe het hoort en hoe het nu is.)
Voorbeeld: Norm: Een straat hoort schoon te zijn. Werkelijkheid: Er ligt overal afval.
Probleemperceptie: wat jij een probleem vindt, het hangt af van jouw normen en
ervaringen.
Framing betekent: de manier waarop je een probleem of situatie in woorden en beelden
neerzet, zodat mensen het op een bepaalde manier gaan begrijpen en beoordelen.
Voorbeeld: Kinderen vapen, persoon 1 zegt "het ruikt lekker, is geen probleem" persoon 2
zegt "kanker op kinderen mogen niet vapen."
Probleemdefinitie: hoe je het probleem benoemt. Omdat er meerdere perspectieven zijn
over het probleem zijn er ook verschillende oplossingen.
Voorbeeld: Jongeren op het plein:
Definitie 1: “Het is een veiligheidsprobleem.” → oplossing: meer
politie/handhaving
Definitie 2: “Het is een gebrek aan jongerenvoorzieningen.” → oplossing:
jongerenwerk/activiteiten/plek
Maatschappelijk probleem: probleem dat veel mensen raakt en waar de samenleving iets
mee moet doen. Het is een sociale constructie: iets wordt pas een maatschappelijk
probleem als mensen het zo gaan zien en benoemen, dus niet alleen feiten maar ook
normen en waarden.
Voorbeeld:
Situatie: “jongeren hangen ’s avonds op straat.”
Sommige mensen: “hoort erbij” → geen groot probleem
Anderen: “onveilig/overlast” → wél een maatschappelijk probleem
Probleemanalyse: uitzoeken wat er precies aan de hand is. Je doet dit door twee dingen
met elkaar te vergelijken:
1. Nul-situatie: hoe is het nu, en wat gebeurt er als je niets doet?