Wat zijn de 4 grenzen (“problemen”) van een verzorgingsstaat na 1980 en leg ze uit?
1. Benutting: De overheid/professionals bepalen te veel voor mensen → mensen
voelen minder eigen regie
Voorbeeld: iemand krijgt allemaal regels en verplichtingen opgelegd, terwijl die persoon
eigenlijk zelf mee wil beslissen wat helpend is.
2. Onbeheersbare kosten: Zorg en welzijn worden zo uitgebreid en gebruikt dat de
uitgaven blijven stijgen → angst dat de overheid het niet meer kan betalen.
Voorbeeld: steeds meer mensen krijgen recht op hulp/voorzieningen → totale
kosten lopen op → politiek zoekt manieren om te beperken of anders te
organiseren.
3. Sociale passiviteit: Beleid kan er onbedoeld voor zorgen dat mensen minder zelf gaan
doen, weinig initiatief nemen omdat het systeem het toch overneemt. --> minder
zelfredzaamheid en participatie
Voorbeeld: “Waarom zou ik zelf een oplossing zoeken of netwerk inschakelen, als de
instantie het toch voor mij regelt?"
4. Welzijn Criminaliteit:
Misbruik en fraude rond welzijnsvoorzieningen, waardoor het systeem onder druk komt te
staan en wantrouwen groeit. Misbruik van regels of geldstromen --> geld naar verkeerde
plekken + wantrouwen
Voorbeeld: iemand krijgt een voorziening waar hij geen recht op heeft, of een organisatie
declareert (kosten indienen om geld terug te krijgen) “zorg” die niet echt geleverd is.
Waarom werd er in 2015 een nieuwe wetgeving ingevoerd?
Omdat na de economische crisis vanaf 1980 het idee groeide dat er een kentering nodig was. De
kentering houdt in dat er een duidelijke omslag was, het moet anders aangepakt worden. Dit
betekende een verschuiving van de verzorgingsstaat (waarbij de overheid veel regelt) naar een meer
(zelf)zorgzame/participatiesamenleving, waarin burgers en hun omgeving meer verantwoordelijkheid
krijgen. De verzorgingsstaat liep tegen grenzen aan, en er kwam een maatschappelijke wens naar
normalisering. Dat houdt in dat problemen zo veel mogelijk behandeld worden als een normaal iets in
het leven, en deze mensen gewoon lieten mee doen aan de samenleving. Dus een persoon met
mentale problemen werd niet gelijk in een instelling gezet, maar kreeg juist ondersteuning om nog te
kunnen leven in hun eigen wijk. Hierbij gaat het om sociale insluiting in plaats van sociale uitsluiting.
Ook was er een wens naar minder medicalisering. Medicalisering is dat problemen snel gezien
worden als een medisch probleem, er wordt dus snel een label opgeplakt, en dat ze snel behandeld
moeten worden door zorgprofessionals in therapie of met medicatie. In plaats daarvan wilde men
vaker kijken naar sociale oorzaken en oplossingen, zoals steun uit de omgeving, wonen, werk en
welzijn. Tot slot kwam er een wens naar minder uitsluiting in instellingen, en kwam er een politiek
debat over betaalbaarheid. Dit debat ging erover hoe zorg en welzijn betaalbaar konden blijven, en dit
speelde een belangrijke rol in de latere hervormingen en nieuwe wetgeving.
,Wat waren de doelen van de nieuwe wetgeving in 2015?
1. Samenleving betrekken bij zorg en welzijn:
Zorg en ondersteuning is niet meer alleen een taak van de professionals en instellingen maar
wordt juist ook een taak van de gewone samenleving, dus je netwerk (vrienden, familie en
vrijwilligers in de wijk). Het idee is dat mensen weer meedoen in het normale leven en
onderdeel blijven van de samenleving. Steun komt meer van sociale basis.
2. Zorg en welzijn betaalbaar houden:
Het doel is om te voorkomen dat zorg zo duur wordt dat het systeem niet meer te betalen is,
dus slimmer organiseren, keuzes maken en kosten bewaken. Het werd gedaan via:
1. Regulering: regels en afspraken over wie recht heeft op welke hulp, hoeveel hulp nodig is,
hoeveel geld eraan besteed mag worden en welke kwaliteit geleverd moet worden. Het doel
hierbij is middel gericht inzetten.
2. Decentralisatie: gemeenten krijgen meer verantwoordelijkheid om zorg en welzijn te
organiseren. Dit bevordert maatwerk, betere samenwerking in de wijk en kunnen betere
keuzes maken met hun budget.
3. Marktwerking: de gemeente die betaalt niet 1 vaste organisatie betaalt, maar meerdere
organisaties kan bieden.Het doel is dat gemeente zorg kan inkopen bij aanbieders die de
beste combinatie van prijs en kwaliteit leveren zodat het betaalbaar blijft.
Welke taken hebben sociaal werkers in het kader van wetgeving die 'eigen kracht eerst' beoogt
te stimuleren?
1. Signaleren waar beleid te veel vraagt en waar extra ondersteuning of budget nodig is.
→Sociaal werkers zien wanneer eigen kracht niet genoeg is, of wanneer er te veel
van iemand wordt verwacht.
2. Verschil zichtbaar maken tussen beleidsvisie en praktijk
→ Als beleid iets belooft, maar het pakt anders uit in de praktijk dan moet de
sociaal werker dit verschil laten zien.
3. Agenderen van signalen
→ Ervoor zorgen dat signalen uit de praktijk op de juiste agenda komen en besproken
worden op plekken waar beslissingen worden genomen, zoals binnen de eigen organisatie,
bij de gemeente of overheid of richting politiek, zodat beleid kan worden aangepast
4. Wetten en beleid activeren: zorgen dat rechten en voorzieningen echt bereikbaar
worden
→ Sociaal werkers helpen mensen om hun rechten en voorzieningen in de praktijk
te kunnen gebruiken: ze maken het toegankelijk en “werkelijk”, bijvoorbeeld door te helpen
met aanvragen en het uitleggen van regels.
5. Beleid bij laten stellen en alternatieven aandragen:
→ Sociaal werkers signaleren waar beleid niet werkt of belemmerend is en doen
voorstellen om het beleid aan te passen. Ze onderbouwen dit met wat ze in de
praktijk hebben waargenomen, zodat het beleid beter aansluit op wat mensen
echt nodig hebben.
Wat is decentralisering?
Taken en beslissingen gaan van de meer landelijke overheid naar gemeenten. Sociaal
werk is al bezig met de nieuwe wetgeving in 2015 en de WMO 2007. → Gemeenten
sturen sociaal werk meer aan en er wordt meer verantwoordelijkheid bij burgers en hun
omgeving gelegd. Het idee is dat gemeenten dichter bij burgers staan en daardoor
sneller kunnen inspelen als dat nodig is en beter maatwerk kunnen leveren.
Welke veranderingen worden omgeschreven bij decentralisatie?
, 1. Zorg en welzijn wordt ook bij de burgers neergelegd, verantwoordelijkheid wordt van
burger en omgeving.
2. De markt moet mede zorg regelen: in plaats van dat de overheid alles zelf regelt, leveren
verschillende organisaties (zorgaanbieders) de zorg en koopt de gemeente die zorg bij hen in
via contracten/aanbestedingen, met afspraken over prijs en kwaliteit.
3. Zorg en welzijn worden van nationaal naar lokaal niveau overgeheveld.
4. De aandacht voor sociaal werk in de zorgcontext is daarbij grotendeels verdwenen, dus de
focus van sociaal werkers die in de zorginstellingen werken veranderde doordat ze meer in
de wijk en bij de gemeenten gaan werken. De nadruk kwam meer te liggen op Wmo-
ondersteuning, wijkteams, preventie en het activeren van informele netwerken, in plaats van
sociaal werk binnen zorginstellingen (zoals ziekenhuis of langdurige zorg).
Wat is paradigmaverschuiving?
Het is een fundamentele omslag in het basis denken, waarmee beleid en professionals naar
zorg/welzijn kijken. Dus een grote verandering in hoe je naar zorg en welzijn kijkt.
Welke 3 spanningen zijn er die gepaard gegaan met de paradigmaverschuiving in het beleid
vanaf 1980?
1. Individuele hulpvragen ↔ collectieve/maatschappelijke aanpak:
Dus de gemeente moet keuzes maken over ondersteuning voor één persoon: als je veel geeft
aan één persoon, blijft er minder over voor anderen. Maar als je te streng bent omdat je aan
de hele groep moet denken, kan juist die ene persoon vastlopen en niet krijgen wat nodig is.
2. Transitie naar gemeenten ↔ minder budget en nieuwe problemen:
De gemeente krijgt meer verantwoordelijkheid, maar krijgt minder budget om dat uit te
voeren. Daardoor ontstaan wachtlijsten en knelpunten, vooral in de jeugdzorg en de GGZ, en
is de sociale basis in sommige wijken onvoldoende sterk.
3. Eigen kracht / informele netwerken” ↔ overbelasting en niet-passende
hulp:
Het botst omdat niet iedereen een netwerk heeft waarop zij kunnen leunen, het netwerk kan
ook overbelast raken, en hulp via het netwerk is niet altijd passend of gewenst.
Op welke niveaus wordt sociaal beleid ontwikkeld?
1. Internationaal niveau
Beleid wordt beïnvloed door internationale verdragen en uitgangspunten, zoals het
mensenrechtenverdrag.
2. Nationaal niveau
De Grondwet is uitgangspunt voor rechten en kwaliteit van samenleven; hier wordt veel
landelijke wetgeving gemaakt.
3. Bovenregionaal en regionaal niveau
Hier maakt men afspraken over voorzieningen die gemeenten niet goed alleen kunnen
regelen.
4. Lokaal/gemeentelijk niveau
De gemeente maakt beleid volgens eigen visie en werkt regels uit; sociaal werk wordt hier
deels aangestuurd.
5. Organisatieniveau
Organisaties regelen sociaal werk verder in de praktijk (processen, werkwijzen, interne
regels)
Wat is sociaal beleid?
Het is de manier waarop in wetten en regels is vastgelegd hoe we in Nederland kijken naar zorg en
welzijn. Het gaat over wat we normaal vinden in een samenleving en wie verantwoordelijk is voor
hulp.
Wat zijn voorbeelden van uitvoeringsinstanties in Rotterdam per categorie?