1. Lichamelijke mishandeling: slaan, martelen, vastbinden, opsluiten.
2. Seksueel misbruik: geen lijfelijke privacy, betastingen, seksuele handelingen,
verkrachtigingen, uitbuiten door porno te maken
3. Psychisch, verbaal of emotioneel geweld: vernederen, kleineren, chanteren,
uitschelden, claimen, bedreigen, straffen, manipulatie of pesten.
4. Lichamelijke verwaarlozing: geen of slechte lichamelijke verzorging, zoals geen
kleding, voedsel of juist hygiëne
5. Affectieve verwaarlozing: negeren en geen liefdevolle aandacht geven
6. Getuige zijn van geweld in het gezin.
Intersectionaliteit (kruispuntdenken): Verschillende kenmerken van een persoon
beïnvloeden elkaar. De combinatie van de kenmerken bepaalt hoeveel macht, kansen,
uitsluiting of privilege iemand ervaart.
Bij ongelijkheid of als je kijkt naar groepen in de minderheid dan
wijkt het af van “de dominante norm.”
Dichotoom denken: Mensen worden in 2 tegenovergestelde
categorieën verdeeld, het is of-of-denken. Je bent dus man of
vrouw, gezond of ziek, homo of hetero. 1 categorie wordt als de
normale gezien en de andere als afwijkende of minderwaardig. Er
wordt in hokjes gedacht.
Institutionele uitsluiting: Mensen worden benadeeld of
buitengesloten door de manier waarop organisaties, voorzieningen
en overheden zijn ingericht. Bijvoorbeeld: regels, procedures, beleid, openingstijden,
toelatingsvoorwaarden, formulieren, gebruikte taal, methodieken, professionele gewoonten
en verwachtingen van medewerkers. De uitsluiting hoeft niet per se bewust te zijn, maar een
neutrale regel kan bepaalde groepen structureel benadelen.
Structurele ongelijkheid: Ongelijkheid die is ingebouwd in maatschappelijke systemen,
beleid, wetgeving en de verdeling van kansen en middelen.
Je kan het herkennen in:
-Regels en procedures
-Beleid
-De toegankelijkheid van voorzieningen
-De werkwijze van professionals
-Verdeling van geld, kansen en macht
-Personeelsbeleid binnen organisaties
Maatschappelijke structuren: Vaste patronen en systemen in de samenleving die bepalen
hoe geld, macht, kansen en voorzieningen worden verdeeld. Dit bepaalt welke positie en
keuzevrijheid mensen hebben in de samenleving.
,Denk aan:
-Wetten en overheidsbeleid
-Onderwijs
-Zorg
-Jeugdhulp
-Politie
-Woningmarkt en arbeidsmarkt
-Regels en procedures van organisaties
-Sociale normen en ongeschreven gewoontes
-Machtsverhoudingen tussen maatschappelijke groepen
Maatschappelijke structuren dragen bij aan onveiligheid wanneer zij bepaalde groepen
steeds minder bescherming, kansen, macht of middelen geven. Die onveiligheid kan
lichamelijk, psychisch, sociaal of financieel zijn.
Voorbeelden:
1. Ongelijke toegang voorziening --> Mensen krijgen niet op tijd hulp, waardoor problemen
verergeren.
2. Ongelijke verdeling van geld en middelen → Mensen met een laag inkomen
kunnen op de woningmarkt moeilijk een veilige en betaalbare woning vinden.
3. Ongelijke machtsverhoudingen → Een huurder durft niet te klagen over een
onveilige woning, omdat die afhankelijk is van de verhuurder.
4. Ongelijke kansen op de arbeidsmarkt → Mensen met een migratieachtergrond
krijgen minder snel een baan of promotie, waardoor financiële onzekerheid
ontstaat.
5. Institutionele uitsluiting → Een organisatie heeft regels, procedures of
voorzieningen die bepaalde groepen uitsluiten. Bijvoorbeeld: een gemeente biedt
haar diensten alleen aan in een gebouw dat niet toegankelijk is voor
rolstoelgebruikers.
Empowerment: Het proces van zelfversterking, waardoor personen, groepen of
gemeenschappen meer grip, zeggenschap en eigenaarschap krijgen over hun leven en
omgeving. Het gaat om zelfvertrouwen ontwikkelen, kennis vergroten, kwaliteiten
herkennen, toegang krijgen, stem laten horen, invloed krijgen op beslissingen en een
verandering mogelijk maken.
, Voorbeelden:
– Een jongere leert zichzelf opkomen en durft zijn mening te geven tijdens een gesprek met
jeugdzorg.
– Een vrouw die huiselijk geweld ervaart, krijgt informatie over haar rechten en beslist zelf
welke hulp bij haar past.
– Een cliënt met schulden leert zelf zijn administratie bij te houden en contact op te nemen
met schuldeisers.
– Ouders krijgen uitleg over het schoolsysteem, zodat zij beter kunnen meebeslissen over
de ondersteuning van hun kind.
– Buurtbewoners leren hoe zij subsidie kunnen aanvragen en organiseren zelf activiteiten in
de wijk.
– Een groep slachtoffers van discriminatie deelt ervaringen en krijgt ondersteuning om
gezamenlijk een klacht in te dienen.
– Een sociaal werker benoemt niet alleen problemen, maar helpt een cliënt ook om eigen
kwaliteiten en mogelijkheden te herkennen.
– Jongeren krijgen een plek in de jongerenraad en mogen daadwerkelijk meebeslissen over
het jeugdbeleid.
Agency: Het vermogen en de ruimte dat iemand heeft om zelf keuzes te maken, doelen te
stellen en invloed uit te oefenen op het eigen leven en de omgeving. Je eigen kracht
inzetten om verandering mogelijk te maken.
-Wat je zelf belangrijk vind
-Keuzes kunnen maken
-Je stem laten horen
-Invloed hebben over beslissingen dat over jou gaat
2 soorten agency:
Agency Betekenis Voorbeelden