Eind 16e eeuw begonnen Engelsen Noord-Amerika te verkennen, ze zagen
dit continent als een mogelijke uitvalbasis in hun strijd tegen het
katholieke Spanje. Maar ook als een gebied om te koloniseren. Militair
en economisch motief.
In de 17e eeuw nam het aantal kolonisten toe, en waren er nog
handelscontacten met de inheemse bevolking. Dit liep niet langdurig
vreedzaam, er braken oorlogen uit en er waren veel ziektes die de
inheemse bevolking niet aankonden. Het gevolg was dat vele stierven of
werd verdreven.
De noordelijke koloniën waren vestigingskoloniën, zij richtte zich op
landbouw, handel en nijverheid. Ze vestigden zich permanent en bouwde
gemeenschappen op die gericht waren op zelfvoorzienend en
economische ontwikkeling.
Zuidelijke koloniën waren voor plantage-economieën waarbij grote
hoeveelheden producten zoals katoen en tabak werden verbouwd
export.
Andere Engelse plantagekoloniën; Barbados en Jamaica waren
winstgevender dan in Noord-Amerika. Alle Engelse koloniën maakten
gebruik van de arbeid van slaven, vooral in de zuidelijke koloniën. Om de
handel in tot slaaf gemaakte mensen te organiseren en te controleren,
richtte de Engelsen de Royal African Company op. De zogenoemde
‘driehoekshandel’ waarbij goederen, mensen en grondstoffen tussen
Europa, Afrika en Amerika werden verhandeld.
De Europese kolonisten kwamen in aanraking met de verlichte ideeën,
zoals de trias politica (scheiding van wetgevende, uitvoerende en
rechtsprekende macht), volkssoevereiniteit (idee dat de macht bij het volk
ligt) en natuurlijke rechten (rechten die ieder mens van nature bezit)
maakte grote indruk op hen.
Tegelijkertijd vonden de kolonisten dat er geen politieke verantwoording
was van Groot-Brittannië, maar dat ze wel belastingen moesten betalen
aan dit land. Dit groeide tot onvrede.
Dit leidde tot een opstand. In 1776 kwamen kolonisten in opstand
tegen Groot-Brittannië en riepen zij een onafhankelijke federale staat uit:
de Verenigde Staten van Amerika. De verlichte ideeën over vrijheid,
rechten en volkssoevereiniteit speelden daarin een centrale rol.
,1620
Stichting van een Engelse nederzetting in Noord-Amerika door de Pilgrim Fathers.
1776
De dertien koloniën komen in opstand en vormen de onafhankelijke Verenigde
Staten van Amerika.
1807
Groot-Brittannië verbiedt de slavenhandel in het Britse Rijk.
1833
Groot-Brittannië schaft de slavernij af in grote delen van het rijk
India:
Na de onafhankelijkheid van de VS verschoof het zwaartepunt van het
Britse rijk naar India. Sinds begin van de 17e eeuw bezat de East India
Company er factorijen, dit waren handelsposten van waaruit zij
handeldreef met de machtige mogol-vorsten die india destijds
bestuurden. Toen later de positie van deze mogol-vorsten verzwakte
greep de East India company haar kans om de politieke en militaire macht
uit te breiden. Een belangrijk keerpunt was het verdrag van Allahabad in
1765, dat het officiële begin markeerde van het Britse rijk in India. Vanaf
dat moment heerste de East India company over een groot deel wat
steeds groter werd van India. Het innen van belastingen werd daarbij een
van de belangrijkste inkomstenbronnen.
Het besturen van zo’n uitgestrekt rijk vroeg om een doeltreffende
organisatie. De royal navy en het Brits-Indische leger speelde hierin een
centrale rol, zowel bij het handhaven van de controle over het rijk als bij
het afdwingen en beschermen van de Britse handelsbelangen. Het Brits-
Indische leger bestond uit: Indiase soldaten sepoys, die werden
aangestuurd tot de Britse officieren.
Migratie naar India beleef beperkt, een relatief kleine groep Britten voerde
het bestuur over tientallen miljoenen Indiërs. Om dat mogelijk te maken,
maakte zij gebruik van het bestaande inheemse bestuur. Lokale
, bestuurders en structuren werden ingezet als verlengstuk van de Britse
macht.
Hoewel de Britten veel dingen van de religie of sociale gebruiken afwezen
en bekritiseerden, accepteerden veel Indiërs het Britse gezag. Toch bleef
er weerstand ontstaan. In 1857 kwam een grootschalige opstand,
aangewakkerd door de ontevreden Indiase soldaten in het Brits-Indische
leger. De Britten sloegen deze opstand hard neer. De opstand had grote
gevolgen voor de manier waarop India werd bestuurd.
Tot dan toe had de East India Company gezag gehad over India maar na
1857 kwam India onder direct gezag van de Britse regering. Koningin
Victoria werd uitgeroepen tot keizerin van India, wat de nieuwe en formele
status van India als kroonkolonie bezegelde.
De heerschappij over India gaf Groot-Brittannië zowel politiek als militair
aanzien op het wereldtoneel, maar het economische belang was minstens
zo groot. In India werden ook plantages opgezet voor de teelt van
handelsgewassen bedoelt voor export naar Europa. Ook ontwikkelde
India zich tot een belangrijk afzetgebied voor de Engelse
industrieproductie. Maar het kwam onder zware druk te staan doordat
deze goedkope fabrieksproducten sterk concurreerde met de traditionele
huisnijverheid. Het was een ongelijkwaardige verhouding die kenmerkend
was voor het koloniale systeem.
De Britse koloniale macht breidde zich lokaal verder uit via de aanleg van
spoorwegen. Die verbonden verschillende delen van het subcontinent met
elkaar en maakten het mogelijk om grondstoffen en goederen snel te
vervoeren. Daarnaast zorgden stoomschepen en de opening van het
Suezkanaal voor een snellere verbinding tussen India en het Britse
moederland, wat ook weer de Britse controle over India vergemakkelijkte.
Vanuit een diepgeworteld gevoel van superioriteit voerden de Britten ook
ingrijpende culturele veranderingen door. Zij introduceerden de Engelse
taal, hun rechtssysteem en hun onderwijssysteem in India. Zij geloofden
dat het hun taak was om de wereld naar Brits model te beschaven.
De invoering van het Britse onderwijssysteem had een onbedoeld gevolg:
dit leidde tot een nieuwe generatie hoogopgeleide Indiërs die bekend
raakten met westerse ideeën over rechten en gelijkheid. In 1885 richtten
zij het Indian National Congres op. In eerste instantie streefde deze
organisatie niet naar onafhankelijkheid, maar naar gelijke kansen voor
Indiërs binnen het Brits-Indische bestuur. De Britten gaven hier echter niet
aan toe. Zij zagen de ontwikkeling van Groot-Brittannië tot wereldmacht
als bewijs van hun eigen superioriteit en beschouwden het besturen van