Charles Darwin
Evolutie:
Dia 3: Charles Darwin > vanaf nu ‘Darwin’
Dia 4: Als ik Darwin zeg, zeggen jullie waarschijnlijk allemaal ‘Evolutietheorie’! En dat klopt natuurlijk! Maar om te
beginnen. Wat maakt Darwin een filosoof?
Darwin liet zien dat de mens het resultaat is van een langdurige biologische ontwikkeling. Hij was een bioloog en
een wetenschapper, maar van de nieuwe wetenschappers in die tijd was hij degene die de grootste vraagtekens
heeft gezet bij de Bijbelse visie over de plaats van de mens in de schepping.
Hij zocht een antwoord op de vraag: ‘Waar komt het leven op aarde vandaan?’
Dia 5: een uitstapje naar de tijdsgeest van toen:
In die tijd geloofde het gros van de mensen (Darwin toen ook nog!) in het verhaal dat geschreven staat in
Genesis; de aarde is in 6 dagen geschapen.
Een bepaalde evolutie was al geaccepteerd, ook binnen het christendom. In de bijbel staat de tijd bijvoorbeeld
helemaal niet zo duidelijk gedefinieerd. Hier was al ruimte voor interpretatie. Ter illustratie: in 6 dagen schiep god
de wereld maar er staat niet hoeveel tijd er tussen die dagen zat (Scientias, 2025).
Al in de 18e eeuw waren er fossielen ontdekt, men snapte toen al dat dit fossielen van diersoorten waren die er
nu niet meer zijn. Dit gegeven zorgde ervoor dat de theorie van Darwin betrekkelijk snel werd aanvaard. (Heeft ca
20 jaar geduurd)
Ook waren in de tijd van Darwin al meerdere onderzoeken naar bijvoorbeeld de lagen van de aarde. Hier waren
o.a. Charles Lyell mee bezig > dit was een belangrijke inspiratiebron voor Darwin (Magiels, 2026).
William Thomson die beschreef hoelang het duurde voor vulkanisch gesteente hard was.
Verder waren veel filosofen bezig met theorieën om dingen systematisch in beeld te brengen. De ‘meten is weten’
gedachte.
Dia 6: Darwin werd in 1809 geboren in Shrewsbury, Engeland.
Hij kwam uit een welgestelde, intellectuele familie. Zijn vader was Robert Darwin, een succesvolle arts.
Zijn overgrootvader was Erasmus Darwin,
Dia 7: Om Darwin en zijn gedachtegang te snappen, is het belangrijk om kort in te zoomen op zijn opa.
Erasmus Darwin: een arts, uitvinder, vroege evolutionaire denker en schrijver van o.a. het boek zoonomia waarin
veel van zijn ideeën zijn uitgeschreven. > mooi van die tijd, de industriële revolutie. Een echte homo universalis
(wat Merel en ? Hadden benoemd) Erasmus was ook een groot inspiratie voor Darwin.
Erasmus stelde dat soorten niet vaststaan maar veranderen door interactie met de omgeving. Zijn theorie was
- Dat dieren afstammen van een oertype, uit 1 organisme,
- Dat dieren zich aanpassen door middel van inspanning, dus dat eigenschappen kunnen worden
ontwikkeld (denk hierbij aan de giraf die zijn blaadjes hogerop moet zoeken. Lamarck dacht hier
hetzelfde over)
- Dat de omgeving prikkels geeft (door bijvoorbeeld water dat anders ligt)
- Dat evolutie geleidelijk is; door de tijd heen ontstaan er nieuwe wezens. Dit is geen natuurlijke selectie
maar ‘wil’ gestuurd (Scientias, 2025).
Darwin heeft hier veel over nagedacht en eigenlijk de puzzelstukjes in elkaar gelegd.
Dit uitstapje om nogmaals aan te tonen dat de wetenschap hiermee niet radicaal veranderd is maar geleidelijk
waardoor de acceptatie dus ‘sneller’ verliep.
Dia 8: Terug naar Darwin.
Hij had een fijne jeugd, was veel buiten. Een echte verzamelaar, experimenteerde, en was veel met beestjes
bezig.
Moeder overlijdt als Charles 8 jaar is. Hij wordt dan naar een internaat gestuurd. Daar was hij niet de beste
leerling. Hij bleef zijn voorliefde voor de natuur houden; dieren, schelpen, insecten vond hij prachtig. Veel leuker
dan Grieks of Latijn. Charles leerde wat hem interesseerde.
Na het internaat stuurde zijn vader hem naar Edinburgh om arts te worden. Charles vond dat niks, dit had onder
andere te maken met het feit dat er in die tijd niet met verdoving werd gewerkt. (Er wordt gezegd dat Charles wat
dat betreft net in de verkeerde tijd is geboren want niet veel later werd ether uitgevonden door een tandarts uit
Massachusetts. Een jaar daarna werd chloroform uitgevonden.)/een andere theorie die ook genoemd wordt is dat
hij niet tegen bloed kan. (Dit vind ik niet logisch klinken aangezien Darwin al als jonge man leert om dieren op te
zetten om ervan te kunnen leren.) (Groot, 2023).
Charles ging bij een studentenclub voor natuurstudie. Hij zocht veel afleiding en haalde daardoor uiteindelijk geen
diploma.
Charles' vader stuurde hem daarna naar Cambridge om predikant te worden, dit vond zijn vader ‘ook
respectabel'. Charles richtte zich ook daar meer op natuurkunde en geologie. Maar haalde wel zijn diploma.
Charles wilde geen predikant worden, hij werd naturalist (Ketelaars, 2026)!
1
, Dia 9:
Zijn volgende avontuur zou zijn om 5 jaar lang, met kapitein Fitzroy mee te gaan op het schip de Beagle.
In 1831 bereid de Royal Navy een reis voor onder leiding van kapitein Fitzroy met als doel kustmetingen uit te
voeren bij de kust van Zuid-Amerika. Deze informatie zou gebruikt worden bij het maken van landkaarten zodat
afstanden bepaald konden worden.
Kapitein Fitzroy zocht een maatje om mee te gaan, iemand met intellect, om hem scherp te houden op de lange
reis en iemand die natuuronderzoek wilde doen. Fitzroy kwam via de mentor van Darwin uit bij hem. Darwin was
direct enthousiast. Hij was 22 jaar, wilde graag nog meer van de wereld zien. Na wat tegensputteren van zijn
vader mag Darwin uiteindelijk mee.
Tijdens zijn reis heeft Charles veel dieren en fossielen onderzocht, op zoek naar patronen in levende wezens.
Vooral tijdens zijn tijd op de Galapagos eilanden heeft Darwin veel bijzonders gezien en gedocumenteerd. Darwin
verzamelt planten, dieren, botten en fossielen en stuurt ze terug naar Engeland. (Historiek, 2026). (Gaarder,
2025).
Dia 10:
Zo’n 100 km voor de kust van Zuid-Amerika komt het schip langs vulkanische eilanden, de Galapagoseilanden.
Op deze eilanden zijn veel vogelsoorten die lijken op de vogels in Zuid-Amerika. Darwin schrijft alles op wat hij
ziet.
Het bijzondere is, dat deze eilanden zijn ontstaan door vulkanisme. Aan het begin was hier dus helemaal niets.
Geen dieren, geen planten. Dieren zijn hier terecht gekomen. Er zijn verschillende vogels naar verschillende
eilanden gevlogen. (Dus het was niet zo dat alle vogels van soort A naar eiland A vlogen). De vogels die op het
eiland aankwamen, zijn veranderd/hebben zicht aangepast. Deze vogels leken op vogels van het vaste land,
maar waren echt anders!
Terug in Londen ontdekt Charles Darwin dat de vinken van de Galapagoseilanden er verschillend uitzien. Het
verschil zit in de snavel van de vogels. Vinken op het ene eiland eten insecten en hebben een spitse snavel.
Vinken op het andere eiland eten vooral noten en hebben daardoor een botte snavel. Door de verschillende
omstandigheden hebben ze zich anders ontwikkeld. Toch hebben de vogels dezelfde soort vink als voorouder. Zo
komt Darwin op het idee dat de ene soort uit de andere voortkomt.
Darwin merkte hierop dat dieren zich aanpassen. Maar, levert dit ook nieuwe soorten op? Waar stopt de
aanpassing/variatie en kun je van een totaal ander dier spreken (Ketelaars, 2026)?
Dia 11: Als Darwin terugkomt van zijn reis, is hij 27 jaar. Hij probeert al de ideeën die hij heeft in een kader te
plaatsen. De basis van zijn verhaal is het boek van zijn opa, ‘Zoonomia’. Maar daarin heeft zijn opa niet genoemd
‘hoe’ het werkt! Dat wil Darwin uitzoeken. Hij vraagt zich van alles af. ‘Waarom is het leven zo kort?’, ‘Waarom
worden sommige dieren zo oud en sommige niet?’, ‘Waarom zijn er zoveel dieren?’, ‘Waarom zijn er zoveel
vergelijkbare soorten?’. En zijn belangrijkste vraag: ‘hoe zijn we van de ene diersoort naar de andere diersoort
gegaan?’.
Dan tekent Darwin zijn ‘Tree of life’; het begint met een simpele diersoort, die zich ontwikkelt naar een steeds
meer ingewikkeldere, aangepaste soort. Zijn Tree of life is een soort stamboom. De ene diersoort gaat naar de
andere, en soms stoppen de takjes gewoon. ‘Dieren sterven de hele tijd dus uitsterven kan ook!’. Boven zijn Tree
of life schrijft Darwin ‘I think’ (Scientias, 2025).
Diezelfde tijd komt Thomas Malthus met zijn theorie over hoe snel bevolkingen kunnen groeien; Malthus stelde
dat bevolkingen sneller groeien dan voedselvoorraden. Dit zette Darwin aan het denken, er wordt meer geboren
dan dat er overleefd dus moet er een soort strijd zijn om het bestaan. (Gorter, z.d.).
Darwin denkt aan zijn grote hobby, namelijk het houden van duiven. Er zijn veel soorten duiven en fokkers
selecteren de duiven die het beste zijn.
Belangrijke onderdelen bij een selectie zijn:
- Er moet variatie zijn
- Er moet een voordeel zijn
- Er moet sprake van erfelijkheid zijn – zodat genen doorgegeven kunnen worden
- Er moet druk zijn op overleven.
- ‘Er moet een reden zijn waarom een bepaald soort moet overleven’ > Het gaat om een strijd met
beperkte middelen!
Hier legt Darwin zijn puzzelstukjes in elkaar,
Dia 12:
DIT was het universele mechanisme waar Darwin naar zocht! Hij had de verklaring voor de vraag hoe de
ontwikkeling in zijn werk gaat: die is het gevolg van natuurlijke selectie in de strijd om het bestaan. - degene die
zich het best aan de omstandigheden aan kan passen, zal overleven en voor nageslacht zorgen!
In dit verband wees Darwin er verder op dat de strijd om het bestaan vaak het felst is tussen de soorten die het
dichtst naast elkaar staan. Die vechten immers om hetzelfde voedsel. (Scientias, 2025), (Gaarder, 2025).
Dia 13:
2
Evolutie:
Dia 3: Charles Darwin > vanaf nu ‘Darwin’
Dia 4: Als ik Darwin zeg, zeggen jullie waarschijnlijk allemaal ‘Evolutietheorie’! En dat klopt natuurlijk! Maar om te
beginnen. Wat maakt Darwin een filosoof?
Darwin liet zien dat de mens het resultaat is van een langdurige biologische ontwikkeling. Hij was een bioloog en
een wetenschapper, maar van de nieuwe wetenschappers in die tijd was hij degene die de grootste vraagtekens
heeft gezet bij de Bijbelse visie over de plaats van de mens in de schepping.
Hij zocht een antwoord op de vraag: ‘Waar komt het leven op aarde vandaan?’
Dia 5: een uitstapje naar de tijdsgeest van toen:
In die tijd geloofde het gros van de mensen (Darwin toen ook nog!) in het verhaal dat geschreven staat in
Genesis; de aarde is in 6 dagen geschapen.
Een bepaalde evolutie was al geaccepteerd, ook binnen het christendom. In de bijbel staat de tijd bijvoorbeeld
helemaal niet zo duidelijk gedefinieerd. Hier was al ruimte voor interpretatie. Ter illustratie: in 6 dagen schiep god
de wereld maar er staat niet hoeveel tijd er tussen die dagen zat (Scientias, 2025).
Al in de 18e eeuw waren er fossielen ontdekt, men snapte toen al dat dit fossielen van diersoorten waren die er
nu niet meer zijn. Dit gegeven zorgde ervoor dat de theorie van Darwin betrekkelijk snel werd aanvaard. (Heeft ca
20 jaar geduurd)
Ook waren in de tijd van Darwin al meerdere onderzoeken naar bijvoorbeeld de lagen van de aarde. Hier waren
o.a. Charles Lyell mee bezig > dit was een belangrijke inspiratiebron voor Darwin (Magiels, 2026).
William Thomson die beschreef hoelang het duurde voor vulkanisch gesteente hard was.
Verder waren veel filosofen bezig met theorieën om dingen systematisch in beeld te brengen. De ‘meten is weten’
gedachte.
Dia 6: Darwin werd in 1809 geboren in Shrewsbury, Engeland.
Hij kwam uit een welgestelde, intellectuele familie. Zijn vader was Robert Darwin, een succesvolle arts.
Zijn overgrootvader was Erasmus Darwin,
Dia 7: Om Darwin en zijn gedachtegang te snappen, is het belangrijk om kort in te zoomen op zijn opa.
Erasmus Darwin: een arts, uitvinder, vroege evolutionaire denker en schrijver van o.a. het boek zoonomia waarin
veel van zijn ideeën zijn uitgeschreven. > mooi van die tijd, de industriële revolutie. Een echte homo universalis
(wat Merel en ? Hadden benoemd) Erasmus was ook een groot inspiratie voor Darwin.
Erasmus stelde dat soorten niet vaststaan maar veranderen door interactie met de omgeving. Zijn theorie was
- Dat dieren afstammen van een oertype, uit 1 organisme,
- Dat dieren zich aanpassen door middel van inspanning, dus dat eigenschappen kunnen worden
ontwikkeld (denk hierbij aan de giraf die zijn blaadjes hogerop moet zoeken. Lamarck dacht hier
hetzelfde over)
- Dat de omgeving prikkels geeft (door bijvoorbeeld water dat anders ligt)
- Dat evolutie geleidelijk is; door de tijd heen ontstaan er nieuwe wezens. Dit is geen natuurlijke selectie
maar ‘wil’ gestuurd (Scientias, 2025).
Darwin heeft hier veel over nagedacht en eigenlijk de puzzelstukjes in elkaar gelegd.
Dit uitstapje om nogmaals aan te tonen dat de wetenschap hiermee niet radicaal veranderd is maar geleidelijk
waardoor de acceptatie dus ‘sneller’ verliep.
Dia 8: Terug naar Darwin.
Hij had een fijne jeugd, was veel buiten. Een echte verzamelaar, experimenteerde, en was veel met beestjes
bezig.
Moeder overlijdt als Charles 8 jaar is. Hij wordt dan naar een internaat gestuurd. Daar was hij niet de beste
leerling. Hij bleef zijn voorliefde voor de natuur houden; dieren, schelpen, insecten vond hij prachtig. Veel leuker
dan Grieks of Latijn. Charles leerde wat hem interesseerde.
Na het internaat stuurde zijn vader hem naar Edinburgh om arts te worden. Charles vond dat niks, dit had onder
andere te maken met het feit dat er in die tijd niet met verdoving werd gewerkt. (Er wordt gezegd dat Charles wat
dat betreft net in de verkeerde tijd is geboren want niet veel later werd ether uitgevonden door een tandarts uit
Massachusetts. Een jaar daarna werd chloroform uitgevonden.)/een andere theorie die ook genoemd wordt is dat
hij niet tegen bloed kan. (Dit vind ik niet logisch klinken aangezien Darwin al als jonge man leert om dieren op te
zetten om ervan te kunnen leren.) (Groot, 2023).
Charles ging bij een studentenclub voor natuurstudie. Hij zocht veel afleiding en haalde daardoor uiteindelijk geen
diploma.
Charles' vader stuurde hem daarna naar Cambridge om predikant te worden, dit vond zijn vader ‘ook
respectabel'. Charles richtte zich ook daar meer op natuurkunde en geologie. Maar haalde wel zijn diploma.
Charles wilde geen predikant worden, hij werd naturalist (Ketelaars, 2026)!
1
, Dia 9:
Zijn volgende avontuur zou zijn om 5 jaar lang, met kapitein Fitzroy mee te gaan op het schip de Beagle.
In 1831 bereid de Royal Navy een reis voor onder leiding van kapitein Fitzroy met als doel kustmetingen uit te
voeren bij de kust van Zuid-Amerika. Deze informatie zou gebruikt worden bij het maken van landkaarten zodat
afstanden bepaald konden worden.
Kapitein Fitzroy zocht een maatje om mee te gaan, iemand met intellect, om hem scherp te houden op de lange
reis en iemand die natuuronderzoek wilde doen. Fitzroy kwam via de mentor van Darwin uit bij hem. Darwin was
direct enthousiast. Hij was 22 jaar, wilde graag nog meer van de wereld zien. Na wat tegensputteren van zijn
vader mag Darwin uiteindelijk mee.
Tijdens zijn reis heeft Charles veel dieren en fossielen onderzocht, op zoek naar patronen in levende wezens.
Vooral tijdens zijn tijd op de Galapagos eilanden heeft Darwin veel bijzonders gezien en gedocumenteerd. Darwin
verzamelt planten, dieren, botten en fossielen en stuurt ze terug naar Engeland. (Historiek, 2026). (Gaarder,
2025).
Dia 10:
Zo’n 100 km voor de kust van Zuid-Amerika komt het schip langs vulkanische eilanden, de Galapagoseilanden.
Op deze eilanden zijn veel vogelsoorten die lijken op de vogels in Zuid-Amerika. Darwin schrijft alles op wat hij
ziet.
Het bijzondere is, dat deze eilanden zijn ontstaan door vulkanisme. Aan het begin was hier dus helemaal niets.
Geen dieren, geen planten. Dieren zijn hier terecht gekomen. Er zijn verschillende vogels naar verschillende
eilanden gevlogen. (Dus het was niet zo dat alle vogels van soort A naar eiland A vlogen). De vogels die op het
eiland aankwamen, zijn veranderd/hebben zicht aangepast. Deze vogels leken op vogels van het vaste land,
maar waren echt anders!
Terug in Londen ontdekt Charles Darwin dat de vinken van de Galapagoseilanden er verschillend uitzien. Het
verschil zit in de snavel van de vogels. Vinken op het ene eiland eten insecten en hebben een spitse snavel.
Vinken op het andere eiland eten vooral noten en hebben daardoor een botte snavel. Door de verschillende
omstandigheden hebben ze zich anders ontwikkeld. Toch hebben de vogels dezelfde soort vink als voorouder. Zo
komt Darwin op het idee dat de ene soort uit de andere voortkomt.
Darwin merkte hierop dat dieren zich aanpassen. Maar, levert dit ook nieuwe soorten op? Waar stopt de
aanpassing/variatie en kun je van een totaal ander dier spreken (Ketelaars, 2026)?
Dia 11: Als Darwin terugkomt van zijn reis, is hij 27 jaar. Hij probeert al de ideeën die hij heeft in een kader te
plaatsen. De basis van zijn verhaal is het boek van zijn opa, ‘Zoonomia’. Maar daarin heeft zijn opa niet genoemd
‘hoe’ het werkt! Dat wil Darwin uitzoeken. Hij vraagt zich van alles af. ‘Waarom is het leven zo kort?’, ‘Waarom
worden sommige dieren zo oud en sommige niet?’, ‘Waarom zijn er zoveel dieren?’, ‘Waarom zijn er zoveel
vergelijkbare soorten?’. En zijn belangrijkste vraag: ‘hoe zijn we van de ene diersoort naar de andere diersoort
gegaan?’.
Dan tekent Darwin zijn ‘Tree of life’; het begint met een simpele diersoort, die zich ontwikkelt naar een steeds
meer ingewikkeldere, aangepaste soort. Zijn Tree of life is een soort stamboom. De ene diersoort gaat naar de
andere, en soms stoppen de takjes gewoon. ‘Dieren sterven de hele tijd dus uitsterven kan ook!’. Boven zijn Tree
of life schrijft Darwin ‘I think’ (Scientias, 2025).
Diezelfde tijd komt Thomas Malthus met zijn theorie over hoe snel bevolkingen kunnen groeien; Malthus stelde
dat bevolkingen sneller groeien dan voedselvoorraden. Dit zette Darwin aan het denken, er wordt meer geboren
dan dat er overleefd dus moet er een soort strijd zijn om het bestaan. (Gorter, z.d.).
Darwin denkt aan zijn grote hobby, namelijk het houden van duiven. Er zijn veel soorten duiven en fokkers
selecteren de duiven die het beste zijn.
Belangrijke onderdelen bij een selectie zijn:
- Er moet variatie zijn
- Er moet een voordeel zijn
- Er moet sprake van erfelijkheid zijn – zodat genen doorgegeven kunnen worden
- Er moet druk zijn op overleven.
- ‘Er moet een reden zijn waarom een bepaald soort moet overleven’ > Het gaat om een strijd met
beperkte middelen!
Hier legt Darwin zijn puzzelstukjes in elkaar,
Dia 12:
DIT was het universele mechanisme waar Darwin naar zocht! Hij had de verklaring voor de vraag hoe de
ontwikkeling in zijn werk gaat: die is het gevolg van natuurlijke selectie in de strijd om het bestaan. - degene die
zich het best aan de omstandigheden aan kan passen, zal overleven en voor nageslacht zorgen!
In dit verband wees Darwin er verder op dat de strijd om het bestaan vaak het felst is tussen de soorten die het
dichtst naast elkaar staan. Die vechten immers om hetzelfde voedsel. (Scientias, 2025), (Gaarder, 2025).
Dia 13:
2