Samenleven sociaal D1
Psychologische theorieën: het individu staat centraal
Leer theorieën: er van uit gaan dat je geboren wordt als goed persoon
maar er dingen worden aangeleerd
Sociologische theorieën: je gaat crimineel gedrag vertonen door
factoren uit de samenleving
Situationele theorieën: richt zich op de situatie i.p.v. de dader
Hedendaagse stromingen: criminaliteit is geen gegeven -> wat is
criminaliteit
Leertheorie van Bandura (psychologisch & leertheorie)
- Het individu staat centraal
- Leer theorieën gaan ervan uit dat je geboren wordt als een goed
persoon, maar omdat er dingen worden aangeleerd kun je
deviant/crimineel gedrag vertonen
- Aanleren door imitatie (nadoen) -> hoe belangrijker het rolmodel,
hoe sterker de relatie
Differentiële associatietheorie (psychologisch,
sociologisch & leertheorie)
- Het individu staat centraal
- Leer theorieën gaan ervan uit dat je geboren wordt als een goed
persoon, maar omdat er dingen worden aangeleerd kun je
deviant/crimineel gedrag vertonen
- Aanleren door interactie -> in kleine en intieme groepen hoe sterker
het gedrag dat je het gaat aanleren
- Meer signalen van regel overtredend gedrag dan normgeven gedrag
- Kritiekpunt: elk persoon is anders (zelfcontrole)
Zelfcontrole theorie (psychologisch)
- In een opvoeding kunnen er gebreken (risicofactoren) ontstaan ->
dit verklaart de lage zelfcontrole
- Risicofactoren: beperkte betrokkenheid van ouders en adequaat
straffen
- Hierdoor kan je een laag zelfcontrolesysteem ontwikkelen
- Bij een laag zelfcontrolesysteem denk je NIET op lange termijn maar
op korte termijn
Anomie/ Strain theorie (sociologisch, spanningstheorie)
Anomie: Anomie: gevolg gebrek aan afstemming sociaal wenselijke
aspiraties en
beschikbaarheid tot legitieme middelen oftewel -> doelen die heersen,
spanning als niet iedereen dat kan bereiken (huis kopen)
Strain: spanning
- Op het moment dat de maatschappij verschillende culturele doelen
heeft en daar heb je verschillende middelen voor nodig
- Geen middelen -> strain
, - Eigen situatie vergelijken met iemand anders -> relatieve deprivatie
Verschillende reacties:
1. Conformisme: je wilt nog steeds je doelen nastreven, dus je gaat
keihard werken
2. Innovatie: je wilt nog steeds je doelen nastreven, maar je gaat dat
illegaal doen
3. Ritualisme: stoppen met het doel te bereiken maar houden zich wel
netjes aan de regels
4. Terugtrekking: geen capaciteit om doelen te bereiken en trekken zich
terug (dakloos)
5. Rebellie: zijn tegen de doelen en hoe we daar moeten komen
Subcultuurtheorieën (sociologisch spanningstheorie)
- Verschillende culturen met andere normen en waarden
Cohen – mensen wilde erkenning maar kregen die niet (gaat om
statusfrustratie), en starten hun eigen subcultuur
Cloward en Ohlin – crimineel gedrag als reactie op gebrek aan
mogelijkheden (innovatie), dit is meer gericht op groepen i.p.v. individu
- Subcultuur is dus echt gericht op jongeren die een eigen subcultuur
met eigen normen en waarden willen
Bindingstheorie/sociale controletheorie (sociologisch,
spanningstheorie)
Bindingen met je omgeving weerhouden je van plegen van criminaliteit, je
bent dus in staat om crimineel te zijn maar je doet het niet (binding met
school en gezin zijn belangrijkst)
1. Gehechtheid: je hebt een goede band met familie (teleurstellen)
2. Gebondenheid: omgeving, je hebt wat te verliezen
3. Betrokkenheid: je hebt zoveel te doen dat je geen tijd hebt
4. Normen en waarden: geloof in maatschappij
Chicago School en ecologische theorieën (sociale
desorganisatie)
Chicago School of Human Ecology
Sociaalecologische benadering: richt zich op de relatie tussen
mensen en hun omgeving
Vastleggen van dagelijks leven in de stad
De Chicago School laat zien dat criminaliteit niet alleen door
individuen wordt veroorzaakt, maar ook door de sociale en
ecologische kenmerken van een buurt. Wijken met weinig sociale
controle, hoge mobiliteit van bewoners en zwakke
gemeenschapsbanden zijn gevoeliger voor criminaliteit.
Burgess (1925) – Concentrische zones
Loop: fabrieken en werk leven
Zone in transition: mensen die werken in de loop, arme mensen –
meeste criminaliteit
Zone of workers’ homes: betere huizen
, Residential zone: rijke mensen
Shaw & McKay (1942)
Voortbouwend op de concentrische zones
In zone 2 (zone in transition) kwamen volgens Shaw & McKay de
meeste sociale problemen en criminaliteit voor
Sociale desorganisatie: (zone 2)
Niet wie de mensen zijn, maar de omgeving waarin zij leven
Hoge bevolkingsmobiliteit (mensen gaan van de ene naar de andere
plek)
Lage sociaaleconomische status
Slechte behuizing en hoge werkloosheid
Effect -> lage betrokkenheid bewoners -> gebrek aan sociale controle ->
criminaliteit
Sociale controle is een belangrijke factor in het tegengaan van criminaliteit
Kritiek op sociale desorganisatie:
Niet altijd generaliseerbaar naar andere situaties
Ecological fallacy: Wat geldt voor een wijk, hoeft niet te gelden voor
de mensen die daar wonen, je mag dus niet concluderen dat
bewoners zelf crimineel zijn.
Het moet dus op hetzelfde niveau zijn en geen individu
Gelegenheidstheorie (situationeel)
Aandacht op de situatie i.p.v. de dader
3 basisfactoren:
1. Gemotiveerde dader
2. Geschikte targets
3. Afwezigheid van adequaat toezicht
Je kan niet verklaren waarom iemand het delict pleegt
10 uitgangspunten
1. Gelegenheid speelt een rol in alle soorten criminaliteit
2. Gelegenheden zijn specifiek
3. Gelegenheden voor criminaliteit zijn gebonden aan tijd en ruimte
4. Gelegenheden voor criminaliteit zijn afhankelijk van alledaagse
activiteiten
5. Een specifiek delict creëert gelegenheden voor andere delicten
6. Specifieke goederen bieden meer verleidelijke gelegenheden voor
criminaliteit
7. Sociale en technologische ontwikkelingen bieden meer
mogelijkheden voor criminaliteit
8. De gelegenheid voor het plegen van criminaliteit kan worden
verminderd
9. Het verminderen van gelegenheid van criminaliteit leidt in het
algemeen niet tot verplaatsing -> kritiek
10. Gerichte gelegenheidsvermindering kan leiden tot een nog
grotere criminaliteitsafname
Psychologische theorieën: het individu staat centraal
Leer theorieën: er van uit gaan dat je geboren wordt als goed persoon
maar er dingen worden aangeleerd
Sociologische theorieën: je gaat crimineel gedrag vertonen door
factoren uit de samenleving
Situationele theorieën: richt zich op de situatie i.p.v. de dader
Hedendaagse stromingen: criminaliteit is geen gegeven -> wat is
criminaliteit
Leertheorie van Bandura (psychologisch & leertheorie)
- Het individu staat centraal
- Leer theorieën gaan ervan uit dat je geboren wordt als een goed
persoon, maar omdat er dingen worden aangeleerd kun je
deviant/crimineel gedrag vertonen
- Aanleren door imitatie (nadoen) -> hoe belangrijker het rolmodel,
hoe sterker de relatie
Differentiële associatietheorie (psychologisch,
sociologisch & leertheorie)
- Het individu staat centraal
- Leer theorieën gaan ervan uit dat je geboren wordt als een goed
persoon, maar omdat er dingen worden aangeleerd kun je
deviant/crimineel gedrag vertonen
- Aanleren door interactie -> in kleine en intieme groepen hoe sterker
het gedrag dat je het gaat aanleren
- Meer signalen van regel overtredend gedrag dan normgeven gedrag
- Kritiekpunt: elk persoon is anders (zelfcontrole)
Zelfcontrole theorie (psychologisch)
- In een opvoeding kunnen er gebreken (risicofactoren) ontstaan ->
dit verklaart de lage zelfcontrole
- Risicofactoren: beperkte betrokkenheid van ouders en adequaat
straffen
- Hierdoor kan je een laag zelfcontrolesysteem ontwikkelen
- Bij een laag zelfcontrolesysteem denk je NIET op lange termijn maar
op korte termijn
Anomie/ Strain theorie (sociologisch, spanningstheorie)
Anomie: Anomie: gevolg gebrek aan afstemming sociaal wenselijke
aspiraties en
beschikbaarheid tot legitieme middelen oftewel -> doelen die heersen,
spanning als niet iedereen dat kan bereiken (huis kopen)
Strain: spanning
- Op het moment dat de maatschappij verschillende culturele doelen
heeft en daar heb je verschillende middelen voor nodig
- Geen middelen -> strain
, - Eigen situatie vergelijken met iemand anders -> relatieve deprivatie
Verschillende reacties:
1. Conformisme: je wilt nog steeds je doelen nastreven, dus je gaat
keihard werken
2. Innovatie: je wilt nog steeds je doelen nastreven, maar je gaat dat
illegaal doen
3. Ritualisme: stoppen met het doel te bereiken maar houden zich wel
netjes aan de regels
4. Terugtrekking: geen capaciteit om doelen te bereiken en trekken zich
terug (dakloos)
5. Rebellie: zijn tegen de doelen en hoe we daar moeten komen
Subcultuurtheorieën (sociologisch spanningstheorie)
- Verschillende culturen met andere normen en waarden
Cohen – mensen wilde erkenning maar kregen die niet (gaat om
statusfrustratie), en starten hun eigen subcultuur
Cloward en Ohlin – crimineel gedrag als reactie op gebrek aan
mogelijkheden (innovatie), dit is meer gericht op groepen i.p.v. individu
- Subcultuur is dus echt gericht op jongeren die een eigen subcultuur
met eigen normen en waarden willen
Bindingstheorie/sociale controletheorie (sociologisch,
spanningstheorie)
Bindingen met je omgeving weerhouden je van plegen van criminaliteit, je
bent dus in staat om crimineel te zijn maar je doet het niet (binding met
school en gezin zijn belangrijkst)
1. Gehechtheid: je hebt een goede band met familie (teleurstellen)
2. Gebondenheid: omgeving, je hebt wat te verliezen
3. Betrokkenheid: je hebt zoveel te doen dat je geen tijd hebt
4. Normen en waarden: geloof in maatschappij
Chicago School en ecologische theorieën (sociale
desorganisatie)
Chicago School of Human Ecology
Sociaalecologische benadering: richt zich op de relatie tussen
mensen en hun omgeving
Vastleggen van dagelijks leven in de stad
De Chicago School laat zien dat criminaliteit niet alleen door
individuen wordt veroorzaakt, maar ook door de sociale en
ecologische kenmerken van een buurt. Wijken met weinig sociale
controle, hoge mobiliteit van bewoners en zwakke
gemeenschapsbanden zijn gevoeliger voor criminaliteit.
Burgess (1925) – Concentrische zones
Loop: fabrieken en werk leven
Zone in transition: mensen die werken in de loop, arme mensen –
meeste criminaliteit
Zone of workers’ homes: betere huizen
, Residential zone: rijke mensen
Shaw & McKay (1942)
Voortbouwend op de concentrische zones
In zone 2 (zone in transition) kwamen volgens Shaw & McKay de
meeste sociale problemen en criminaliteit voor
Sociale desorganisatie: (zone 2)
Niet wie de mensen zijn, maar de omgeving waarin zij leven
Hoge bevolkingsmobiliteit (mensen gaan van de ene naar de andere
plek)
Lage sociaaleconomische status
Slechte behuizing en hoge werkloosheid
Effect -> lage betrokkenheid bewoners -> gebrek aan sociale controle ->
criminaliteit
Sociale controle is een belangrijke factor in het tegengaan van criminaliteit
Kritiek op sociale desorganisatie:
Niet altijd generaliseerbaar naar andere situaties
Ecological fallacy: Wat geldt voor een wijk, hoeft niet te gelden voor
de mensen die daar wonen, je mag dus niet concluderen dat
bewoners zelf crimineel zijn.
Het moet dus op hetzelfde niveau zijn en geen individu
Gelegenheidstheorie (situationeel)
Aandacht op de situatie i.p.v. de dader
3 basisfactoren:
1. Gemotiveerde dader
2. Geschikte targets
3. Afwezigheid van adequaat toezicht
Je kan niet verklaren waarom iemand het delict pleegt
10 uitgangspunten
1. Gelegenheid speelt een rol in alle soorten criminaliteit
2. Gelegenheden zijn specifiek
3. Gelegenheden voor criminaliteit zijn gebonden aan tijd en ruimte
4. Gelegenheden voor criminaliteit zijn afhankelijk van alledaagse
activiteiten
5. Een specifiek delict creëert gelegenheden voor andere delicten
6. Specifieke goederen bieden meer verleidelijke gelegenheden voor
criminaliteit
7. Sociale en technologische ontwikkelingen bieden meer
mogelijkheden voor criminaliteit
8. De gelegenheid voor het plegen van criminaliteit kan worden
verminderd
9. Het verminderen van gelegenheid van criminaliteit leidt in het
algemeen niet tot verplaatsing -> kritiek
10. Gerichte gelegenheidsvermindering kan leiden tot een nog
grotere criminaliteitsafname