• Verkeerd document? Gratis ruilen
  • Geschreven door studenten die geslaagd zijn
  • Direct beschikbaar na je betaling
  • Online lezen of als PDF
Verkopen
Kies je studieland
Kies je taal
Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 39 pagina's
Samenvatting

Samenvatting SV international economics 25-26 uitgetypte theorie in NL

Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 39 pagina's

Dit is een volledig uitgetypte samenvatting van alle 9 theorielessen van het vak International economics aan de UA. Volledig uitgetypte nederlandse theorieversie was voor mij makkelijker om het vak te leren.

Voorbeeld van de inhoud

LES 2: Gravity

Globalisering: is de wereld echt “vlak”?

In zijn boek The World is Flat (2005) stelt Thomas L. Friedman dat globalisering de wereld
vlak heeft gemaakt. Volgens hem speelt geografische afstand een steeds kleinere rol en
kunnen individuen en bedrijven overal ter wereld op een gelijk speelveld concurreren dankzij
technologische vooruitgang in communicatie, transport en informatie.

Toch laat empirisch bewijs zien dat de wereld verre van volledig “vlak” is. Ondanks sterke
globalisering blijven er belangrijke barrières bestaan. Denk aan grote economische
verschillen tussen landen, handelsbelemmeringen, geopolitieke spanningen, ongelijke
toegang tot technologie en culturele of sociale verschillen. Hierdoor is de wereldeconomie
slechts gedeeltelijk geïntegreerd.

Openheid meten en globalisering

Een belangrijk concept in globalisering is openheid, dat meet in welke mate een land
deelneemt aan internationale handel. Meestal wordt dit gemeten als de som van import en
export gedeeld door het bbp. Gegevens tonen aan dat de wereldhandel sterk is toegenomen
in de tijd, vooral wanneer olie wordt uitgesloten, omdat olie sterk beïnvloed wordt door
geopolitieke schokken.

Een theoretische benchmark is maximale openheid, geïntroduceerd door Helpman (1987).
In deze ideale wereld bestaan geen handelsbelemmeringen en geen home bias. Landen
hebben geen voorkeur voor binnenlandse boven buitenlandse goederen, en alle producten
worden internationaal verhandeld. Elk land specialiseert zich volledig volgens comparatief
voordeel en consumeert een wereldwijd gediversifieerd pakket goederen.

Dit concept steunt op twee aannames: er is geen home bias en alle goederen zijn
verhandelbaar. Zodra één van deze aannames niet geldt, wijkt de wereld af van maximale
openheid.

Globalisatiepotentieel en handelsverdeling

Om te begrijpen hoe geglobaliseerd de wereld kan zijn, bestuderen economen hoe
handelsstromen verdeeld zijn over landen.

Laat ( X_{ni} ) de import van land ( n ) uit land ( i ) zijn, ( X_i ) de totale export van land ( i ),
en ( X_W ) de wereldproductie. Handelsstromen kunnen worden uitgedrukt als een functie
van het aandeel van landen in wereldproductie en -consumptie.

Hieruit volgt een belangrijk resultaat: het aandeel van wereldproductie dat internationaal
wordt verhandeld hangt af van de Herfindahl-index (H), die de concentratie van consumptie
over landen meet.

,Wanneer consumptie gelijk verdeeld is over landen, is H laag en is het globalisatiepotentieel
hoog. Wanneer consumptie geconcentreerd is in enkele landen, is H hoog en is het
globalisatiepotentieel lager. Empirisch blijkt dat de wereld nog steeds ver verwijderd is van
volledige integratie, met een aanzienlijke kloof tussen werkelijke handel en het theoretische
maximum.

Een frictieloze benchmark en afstandseffecten

Om het handelspotentieel beter te begrijpen, construeren economen een hypothetische
frictieloze wereld waarin handel niet wordt beïnvloed door afstand, tarieven of andere
barrières. In dit benchmarkmodel hangen handelsstromen enkel af van de grootte van
landen en hun aandeel in wereldproductie.

In werkelijkheid speelt geografie echter een grote rol. Landen die ver uit elkaar liggen,
handelen minder met elkaar, terwijl nabijgelegen landen meer handel drijven. Daarom
breiden economen het model uit met afstandintervallen, die laten zien hoe fricties de
werkelijke handel onder het theoretische maximum houden.

In de loop van de tijd is de wereld steeds meer verbonden geraakt, vooral door de opkomst
van grote opkomende economieën zoals China en India. Toch is de wereld nog steeds niet
volledig geïntegreerd.

Het zwaartekrachtmodel van handel

Om te verklaren waarom globalisering onvolledig blijft, gebruiken economen het
zwaartekrachtmodel van handel, geïnspireerd door de wet van Newton. Dit model
verklaart handelsstromen tussen landen op basis van economische grootte en afstand.

Empirisch gezien zijn er twee robuuste patronen:

Ten eerste handelen grotere economieën meer. Landen met een hoger bbp exporteren en
importeren meer omdat ze meer produceren en consumeren.

Ten tweede vermindert afstand handel. Hoe verder twee landen uit elkaar liggen, hoe hoger
de transportkosten en andere fricties, en dus hoe lager de handelsvolumes.

Naast fysieke afstand spelen ook andere “afstand-achtige” fricties een rol, zoals culturele
verschillen, taal, gedeelde geschiedenis, beleidsverschillen, muntunie en deelname aan
handelsakkoorden.

Het naïeve zwaartekrachtmodel​




Grotere economie → meer handel​
Grotere afstand → minder handel

,Het algemene zwaartekrachtmodel​


​
Hierin vertegenwoordigt ( S_i ) kenmerken van de exporteur en ( M_j ) kenmerken van de
importeur. Deze kunnen niet alleen economische grootte omvatten, maar ook instituties,
prijsniveaus en structurele verschillen tussen landen.

Schatting en interpretatie

Om het model empirisch te schatten wordt het gelog-lineair gemaakt:




Deze vorm maakt statistische schatting mogelijk met fixed effects voor exporterende en
importerende landen, terwijl bilaterale handelsfricties en niet-waargenomen factoren worden
gecontroleerd.

Een belangrijke interpretatie is dat coëfficiënten procentueel gelezen kunnen worden. Een
coëfficiënt van -0,826 voor afstand betekent bijvoorbeeld dat een stijging van 1% in afstand
leidt tot ongeveer 0,8% minder handel tussen twee landen.

Waarom de wereld niet volledig geïntegreerd is

Het zwaartekrachtmodel toont dat globalisering wordt beperkt door meerdere krachten.
Handel hangt niet alleen af van economische grootte, maar ook van geografie en diverse
fricties zoals cultuur, beleid, taal, geschiedenis en politieke relaties.

Ondanks technologische vooruitgang verhinderen deze fricties dat de wereld volledig
geïntegreerd raakt.

Aanvullend bewijs: oude handel

Opvallend is dat ook in oude beschavingen zoals Kanesh en Assur (rond 1900 v.Chr.)
handelsstromen al het zwaartekrachtpatroon volgden. Handel was proportioneel aan de
grootte van steden en omgekeerd evenredig met afstand, net zoals vandaag.

Dit suggereert dat het zwaartekrachtmodel een fundamenteel en tijdloos patroon in
menselijk handelsgedrag beschrijft.

Conclusie

Globalisering is sterk toegenomen, maar de wereld is nog steeds niet volledig geïntegreerd.
Het zwaartekrachtmodel laat zien dat handel wordt gedreven door economische grootte,
maar wordt beperkt door afstand en andere fricties. Daardoor blijft er een kloof bestaan
tussen het theoretische globalisatiepotentieel en de werkelijkheid.

, LES 3: Ricardo

WHY DO COUNTRIES TRADE?

De centrale vraag van dit hoofdstuk is waarom landen internationale handel drijven. Volgens
Ricardo ligt het antwoord in verschillen in productiviteit tussen landen. Landen zijn niet
even efficiënt in het produceren van goederen. Daardoor gaan ze zich specialiseren in de
productie waarin ze relatief beter zijn, waarna ze goederen uitwisselen met andere landen.
Handel ontstaat dus omdat specialisatie ervoor zorgt dat landen efficiënter produceren en
allemaal voordeel halen uit die uitwisseling.

Verschillende verklaringen voor internationale handel

Economen hebben verschillende theorieën ontwikkeld om te verklaren waarom landen met
elkaar handelen. Een eerste groep theorieën vertrekt vanuit verschillen tussen landen. Het
idee is dat landen niet identiek zijn en daarom verschillende soorten goederen produceren.

Volgens Ricardo’s theorie ontstaat handel door verschillen in technologie. Sommige landen
beschikken over betere productietechnieken of kennis waardoor ze bepaalde goederen
efficiënter kunnen produceren dan andere landen. Hierdoor gaan ze zich specialiseren in die
producten en exporteren ze die naar andere landen.

Volgens het Heckscher-Ohlin model ontstaat handel niet door technologie, maar door
verschillen in productiefactoren. Sommige landen beschikken over veel arbeid, andere over
veel kapitaal of natuurlijke hulpbronnen. Landen exporteren goederen die intensief
gebruikmaken van de productiefactor die bij hen overvloedig aanwezig is. Een land met veel
goedkope arbeid zal bijvoorbeeld arbeidsintensieve goederen exporteren, terwijl een
kapitaalrijk land eerder machines of technologie exporteert.

Beide theorieën geven dus een antwoord op why countries trade, maar Ricardo legt de
nadruk specifiek op productiviteit.

Absoluut voordeel versus comparatief voordeel

Om Ricardo te begrijpen moet het verschil tussen absoluut voordeel en comparatief
voordeel duidelijk zijn.

Een absoluut voordeel betekent dat een land een product efficiënter kan produceren dan
een ander land. Het gebruikt minder middelen om hetzelfde product te maken.

Een comparatief voordeel betekent dat een land een product produceert tegen lagere
opportuniteitskosten. Dat betekent dat het relatief minder moet opgeven om dat product te
maken in vergelijking met andere productie-opties.

Ricardo toont aan dat absoluut voordeel niet bepaalt waarom landen handelen. Zelfs als één
land beter is in het produceren van alle goederen, is het niet logisch dat dat land alles zelf
produceert. Wat telt is comparatief voordeel. Een land specialiseert zich in het product
waarin het relatief het meest efficiënt is.

Inhoudsopgave

  1. 01 Globalisering: is de wereld echt “vlak”? 1
  2. 02 Openheid meten en globalisering 1
  3. 03 Globalisatiepotentieel en handelsverdeling 1
  4. 04 Een frictieloze benchmark en afstandseffecten 2
  5. 05 Het zwaartekrachtmodel van handel 2
  6. 06 Het naïeve zwaartekrachtmodel​ 2
  7. 07 Het algemene zwaartekrachtmodel​​Hierin vertegenwoordigt ( S_i ) kenmerken van de exporteur en ( M_j ) kenmerken van de importeur. Deze kunnen niet alleen economische grootte omvatten, maar ook instituties, prijsniveaus en structurele verschillen tussen landen. 3
  8. 08 Schatting en interpretatie 3
  9. 09 Waarom de wereld niet volledig geïntegreerd is 3
  10. 10 Aanvullend bewijs: oude handel 3
  11. 11 Conclusie 3
  12. 12 WHY DO COUNTRIES TRADE? 4
  13. 13 Verschillende verklaringen voor internationale handel 4
  14. 14 Absoluut voordeel versus comparatief voordeel 4
  15. 15 Waarom comparatief voordeel zo belangrijk is 5
  16. 16 Revealed Comparative Advantage (RCA) 5
  17. 17 Het Ricardiaanse model 5
  18. 18 Productiviteit als basis van handel 6
  19. 19 Opportuniteitskosten en productiebeperkingen 6
  20. 20 Situatie zonder handel: autarkie 6
  21. 21 Hoe handel ontstaat 7
  22. 22 Specialisatie tussen landen 7
  23. 23 Gains from trade 7
  24. 24 Empirisch bewijs voor Ricardo 8
  25. 25 Algemene conclusie: Why do countries trade? 8
  26. 26 De basisidee van het Heckscher-Ohlin model 9
  27. 27 De opbouw van het model 9
  28. 28 Factor intensiteit 9
  29. 29 Factor endowments als oorzaak van handel 10
  30. 30 Productie en afnemende meeropbrengsten 10
  31. 31 Hoe bedrijven productiekeuzes maken 11
  32. 32 Situatie zonder handel: autarkie 11
  33. 33 Comparatief voordeel in het HO-model 11
  34. 34 Wat gebeurt er wanneer handel mogelijk wordt? 12
  35. 35 Het Rybczynski effect 12
  36. 36 Wie wint en wie verliest door handel? 13
  37. 37 Het Stolper-Samuelson effect 13
  38. 38 Factor Price Equalization 13
  39. 39 Toetsing in de echte wereld 14
  40. 40 Problemen met de theorie in werkelijkheid 14
    1. Waarom is intra-industry trade belangrijk? 15
  41. 41 Om te begrijpen waarom landen handelen, moeten we eerst onderscheid maken tussen twee soorten handel. 15
  42. 42 Bij inter-industry trade wisselen landen goederen uit uit verschillende sectoren. Een land exporteert bijvoorbeeld machines en importeert koffie. Dit is typisch de handel die klassieke modellen zoals Ricardo en Heckscher-Ohlin verklaren. Het gebeurt meestal tussen landen die sterk van elkaar verschillen qua technologie of beschikbare productiefactoren. 15
  43. 43 Bij intra-industry trade importeren en exporteren landen producten binnen dezelfde sector. Een voorbeeld hiervan is dat landen tegelijk verschillende merken auto’s, smartphones of kleding importeren en exporteren. Dit komt vooral voor tussen landen die economisch sterk op elkaar lijken. 15
  44. 44 In de moderne wereldeconomie is intra-industry trade zeer belangrijk geworden. Vooral rijke landen handelen op deze manier. Een groot deel van de wereldhandel bestaat vandaag uit landen die gelijkaardige producten uitwisselen in plaats van totaal verschillende producten. Dit betekent dat klassieke theorieën slechts een deel van internationale handel verklaren. 15
    1. Hoe meten we intra-industry trade? 15
  45. 45 Om te bepalen hoeveel intra-industry trade er bestaat, gebruikt men de Grubel-Lloyd index. Deze index vergelijkt export en import van gelijkaardige goederen tussen twee landen. 15
  46. 46 Wanneer een land enkel exporteert of enkel importeert van een bepaald product, spreken we volledig van inter-industry trade. Wanneer export en import ongeveer even groot zijn, spreken we van intra-industry trade. 15
  47. 47 Een hoge waarde van deze index betekent dus dat landen veel handel drijven binnen dezelfde industrie. 15
  48. 48 Belangrijk hierbij is dat het resultaat afhangt van hoe breed of specifiek we producten definiëren. Wanneer we een brede categorie zoals “voeding” gebruiken, lijkt intra-industry trade hoger. Wanneer we kijken naar een specifieke categorie zoals chocoladeproducten, zien we preciezere resultaten. 15
    1. Stylized facts: wat zien we in werkelijkheid? 15
  49. 49 Wanneer economen naar handelsdata kijken, zien ze duidelijke patronen. 15
  50. 50 Rijke landen hebben over het algemeen veel intra-industry trade. Dit komt omdat zij geavanceerde industrieën hebben, veel verschillende bedrijven en consumenten die veel keuze willen. 15
  51. 51 Arme landen hebben meestal weinig intra-industry trade. Zij specialiseren zich vaak in enkele producten zoals landbouwproducten of natuurlijke grondstoffen en exporteren vooral die goederen. 16
  52. 52 Middeninkomenslanden, vooral in Zuidoost-Azië, hebben vaak veel intra-regionale handel. Dit komt doordat internationale bedrijven productie opdelen over meerdere landen. Onderdelen steken verschillende keren grenzen over voordat het eindproduct klaar is. 16
  53. 53 Dit toont aan dat intra-industry trade vandaag een zeer groot deel van de wereldeconomie vormt en dus absoluut belangrijk is. 16
    1. Wat verklaart intra-industry trade? 16
  54. 54 De grote vraag van dit hoofdstuk is waarom landen gelijkaardige goederen uitwisselen. New Trade Theory geeft hiervoor drie belangrijke verklaringen. 16
  55. 55 De eerste verklaring is increasing returns to scale. 16
  56. 56 Klassieke modellen gingen uit van constant returns to scale. Dat betekent dat wanneer een bedrijf dubbel zoveel arbeid en kapitaal gebruikt, de productie exact verdubbelt. 16
  57. 57 In werkelijkheid zien veel bedrijven echter increasing returns to scale. Dit betekent dat wanneer productie stijgt, de output meer dan proportioneel stijgt. Grote bedrijven worden dus efficiënter naarmate ze meer produceren. 16
  58. 58 Dit komt bijvoorbeeld doordat vaste kosten zoals machines, onderzoek of ontwikkeling over meer producten verspreid worden. Hoe groter de productie, hoe lager de gemiddelde kost per product. 16
  59. 59 Dit geeft bedrijven een sterke reden om grotere markten op te zoeken via internationale handel. 16
    1. Marktstructuur verandert door schaalvoordelen 16
  60. 60 Klassieke theorieën gingen uit van perfecte concurrentie. Dat betekent dat veel kleine bedrijven bestaan, dat niemand marktmacht heeft en dat winsten op lange termijn verdwijnen. 16
  61. 61 New Trade Theory toont dat veel industrieën eigenlijk werken onder imperfecte concurrentie. Grote bedrijven hebben schaalvoordelen waardoor zij efficiënter worden dan kleinere bedrijven. Hierdoor ontstaan markten waarin bedrijven winst kunnen maken en waarin kleine bedrijven moeilijker kunnen concurreren. 16
  62. 62 Dit betekent dat handel niet alleen ontstaat door verschillen tussen landen, maar ook doordat bedrijven hun schaalvoordelen willen benutten op grotere internationale markten. 16
    1. Internal en external economies of scale 16
  63. 63 Er bestaan twee soorten schaalvoordelen. 16
  64. 64 Bij internal economies of scale ontstaan voordelen binnen één bedrijf. Hoe meer een bedrijf produceert, hoe lager de gemiddelde kost. Dit gebeurt bijvoorbeeld door hoge vaste kosten zoals machines of onderzoekskosten die over veel producten verdeeld worden. 17
  65. 65 Bij external economies of scale ontstaan voordelen binnen een volledige industrie. Individuele bedrijven produceren op normale schaal, maar doordat veel bedrijven in dezelfde sector geconcentreerd zitten ontstaan voordelen zoals gespecialiseerde werknemers, kennisuitwisseling en gespecialiseerde leveranciers. 17
  66. 66 Deze schaalvoordelen zorgen ervoor dat handel ontstaat, zelfs wanneer landen onderling erg op elkaar lijken.​​Monopolistische concurrentie​Het basisidee van monopolistische concurrentie 17
    1. Wat is monopolistische concurrentie? 17
    2. De aanbodzijde: schaalvoordelen 17
    3. De vraagzijde: love for variety 18
    4. Waarom ontstaat internationale handel? 18
    5. Winstmaximalisatie 18
    6. De optimale productie: MR = MC 18
    7. Kostenstructuur 18
    8. Prijszetting onder monopolistische concurrentie 19
    9. De zero-profit condition 19
    10. Monopolistische concurrentie in autarkie 19
    11. Monopolistische concurrentie met internationale handel 20
    12. Leidt internationale handel tot economische groei? 21
    13. Correlatie versus causaliteit 21
    14. Natural experiments als oplossing 22
    15. De sluiting van het Suezkanaal 22
    16. De uitvinding van het stoomschip 22
    17. Het belang van instituties 23
    18. Welke handel is belangrijk? 23
    19. Specialisatie en economische stabiliteit 24
    20. Conclusie 24
    21. De geschiedenis van handelstarieven 25
    22. Wat is een tarief? 25
    23. Niet-tarifaire handelsbarrières 25
    24. WTO-regels en het MFN-principe 26
    25. Waar zijn tarieven vandaag nog hoog? 26
    26. Handelsakkoorden en economische integratie 26
    27. Het economische model van invoertarieven 27
    28. Handel zonder invoertarieven 27
    29. Het effect van een invoertarief 27
    30. Waarom gebruiken landen toch invoertarieven? 28
    31. De handelsoorlog onder Donald Trump 28
    32. Tarieven als regressieve belasting 28
    33. Andere handelsinstrumenten 29
    34. Regionale handelsblokken 29
    35. Waarom bestaan Global Value Chains? 30
    36. Fragmentation of Production 31
    37. Forward en Backward Linkages 31
    38. Vertical Specialization 31
    39. Trade in Value Added 31
    40. Voordelen van Global Value Chains 32
    41. Nadelen van Global Value Chains 32
    42. Hoe verspreiden shocks zich door Global Value Chains? 32
    43. Waarom verspreiden shocks zich? 32
    44. Types of shocks 33
    45. Mechanism of shock propagation 33
    46. The Bullwhip Effect 34
    47. Network Effects 34
    48. Voorbeelden van shock propagation 34
    49. Waarom maken GVCs economieën kwetsbaar? 34
    50. Hoe kunnen bedrijven risico beperken? 35
  67. 67 Hoe kan internationale handel consumenten en bedrijven beïnvloeden op korte termijn? 36
    1. Veranderingen in handelsbeleid 36
    2. Verspreiding van schokken via Global Value Chains 37
    3. Wisselkoersveranderingen 37
    4. Praktisch voorbeeld: Brexit 38

Documentinformatie

Studie
Geüpload op
14 juni 2026
Aantal pagina's
39
Geschreven in
2025/2026
Type
Samenvatting
€11,98

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
sannevanloon012
4,3
(4)
Verkocht
19
Volgers
3
Items
14
Laatst verkocht
3 dagen geleden

Echte notities, van echte studenten
Elk document op Stuvia is geschreven door een medestudent die hetzelfde vak deed. Zo leer je van iemand die het al heeft gehaald.



Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen