1.1 Onderzoek moet je leren
Onderzoekers onderscheiden zich door houding, kennis en vaardigheid.
Houding onafhankelijk, openheid, verantwoording afleggen resultaat
Kennis diverse onderzoeksmethoden kennen, onderwerp kennen
Vaardigheid selecteren, invoeren gegevens, toets maken, dingen interpreteren etc.
1.2 Uitgangspunten van onderzoek
Praktisch: budget, deadline
Fundamenteel en praktijkgericht, belangrijkste verschil type probleem
Kwalitatief en kwantitatief verschil kwal. = werkelijkheid, kwan. = cijfermatig
Inductief en deductief verschil ind. = thema’s NIET bekend, ded. = bestaande theorieën
Fundamenteel: kennisvragen, wetenschappelijke theorie
Praktijkgericht: praktijkvragen, dagelijkse praktijk, samenleving
Kwantitatief: Cijfermatig, statistisch, meten = weten
Kwalitatief: werkelijkheid, onderzoekseenheden, open/flexibel, in taal
Triangulatie: Beide gecombineerd. Verhoogt geldigheid van onderzoeksresultaten.
Inductief: theorie ontwikkelen, kwalitatief onderzoek, iteratie
Deductief: bestaande theorieën, kwantitatief, theorietoetsend
1.4 Kwaliteitscriteria van onderzoek
Onafhankelijkheid Toetsbaarheid van uitspraken Betrouwbaarheid
- geen voorkeuren - Kwantitatief - geen toevallige fouten
- objectiviteit - Weerlegbaar - herhaalbaarheid
- intersubjectief - Eenduidig
- herhaalbare resultaten - Openbaar Praktische criteria
- Repliceerbaar - efficiënt
- bruikbaar
Informativiteit Validiteit
- Nauwkeurig Generaliseerbaarheid - meten wat je wil
geformuleerd - geldigheid verklaren meten
- Welke situatie? - statische generalisatie - geen systematische
- Binnen welke - inhoudelijke fouten
grenzen? generalisatie - intern valide
- Welke groep - externe validiteit
betrokken?
- Periode en domein?
1.5 De onderzoekscyclus
Wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe ga ik onderzoeken?
Vragen naar vorderingen, veranderingen, etc.
- Zit ik op het juiste spoor? Waar moet ik wat veranderen? Is het tijdpad haalbaar? Etc.
Empirische cyclus
Deze wordt soms ‘regulatief’ genoemd. Een onderzoek is goed, als het meer vragen oproept, dan
beantwoordt.
PTO-schema. Probleem, theorie en onderzoek.