Week 1, college 1:
L.J. Silverentand & F.W.J. van der Eerden, ‘Inleiding en
kernbegrippen’, in: L.J. Silverentand & F.W.J. van der Eerden
(red.), Hoofdlijnen Wft, Deventer: Kluwer 2018, hoofdstuk 1, p.
1-28.
1.1 Algemeen
De financiële crisis die in 2007/2008 begon heeft duidelijk gemaakt hoe
cruciaal het (inter)nationale toezicht op de financiële wereld is en welke
gevolgen een gebrek aan voldoende toezicht en/of
handhavingsinstrumenten kan hebben. Met de grote financiële problemen
bij een aantal nationale spelers werd de wijziging van het toezicht in
Nederland een maatschappelijke aangelegenheid.
Het merendeel van de regels op het gebied van financieel toezicht is
neergelegd in de Wet op het financieel toezicht (Wft). Voor het
financieel toezicht in Nederland zijn daarnaast de Europese regels van
belang en dan met name de direct in Nederland doorwerkende
verordeningen en de richtsnoeren en aanbevelingen die invulling geven
aan de Europese regels.
Het uitgangspunt van de Wft is dat DNB en de AFM en, met betrekking tot
banken, de ECB toezicht houden op de financiële markten en de
partijen die daarop actief zijn. Dit toezicht dient kort gezegd drie doelen
die nauw met elkaar samenhangen:
1. De stabiliteit van het systemen
2. De soliditeit van de financiële ondernemingen; en
3. Goed gedrag/transparantie op de financiële markten.
1.2 Ontstaansgeschiedenis
1.2.1 De eerste toezichtwetten
In 1602 werd de VOC opgericht met vrij verhandelbare aandelen. Ten
behoeve van de vrije en uitgebreide handel in deze aandelen werd in 1611
de eerste effectenbeurs van Nederland in gebruik genomen. Deze beurs
bleef lange tijd van overheidswege ongereguleerd. In 1838 werden in het
Wetboek van Koophandel enkele bepalingen opgenomen over de
zogenoemde ‘beurs van koophandel’. Daarnaast verschenen er bepalingen
in het Wetboek van Strafrecht die de misleiding van beleggers verboden.
Crises leiden over het algemeen tot toezicht vanuit de overheid. In NL
leidden de dalende prijzen op de financiële markten als gevolg van WO I
tot de Beurswet van 1914, de eerste effectenrechtelijke wet in NL en gold
tot 1992.
,Na WO II kwam ook publiekrechtelijk toezicht op het kredietwezen in NL
tot stand. De Beschikking Deblokkering 1945 en later de Bankwet 1948
bepaalden dat DNB toezicht houdt op het kredietwezen. Vanaf 1952 werd
het toezicht op het kredietwezen uitgebreider neergelegd in de Wet
toezicht credietwezen 1952. Deze wet was gebaseerd op de Wet op het
Levensverzekeringsbedrijf van 1922. Een jaar na de Wet toezicht
credietwezen 1952 trad de Pensioen- en Spaarfondsenwet in werking.
In 1978 werd de Wet toezicht kredietwezen 1978 geïntroduceerd. In 1985
volgde de Wet Effectenhandel die de emissie van effecten reguleerde. In
1988 werd de Stichting Toezicht Effectenverkeer, de voorloper van de AFM,
opgericht.
Vanaf 1990 nam financieel toezichtrecht een vogelvlucht mede
veroorzaakt door Europese regelgeving.
Aan het einde van het millennium kende Nederland vele toezichtwetten
die elk een eigen sector van de financiële markten bestreken. Hierbij hield,
kort gezegd, DNB toezicht op banken, de AFM op effecteninstellingen en
beleggingsinstellingen en de Pensioen- en Verzekeringskamer (in 2004
gefuseerd met DNB) op verzekeraars en pensioenfondsen.
1.2.2 Van sectoraal naar functioneel toezicht
Het financiële toezichtrecht heeft zich langs de sectorale lijnen ontwikkeld.
Elke sector kende een eigentoezichthouder en eigen wetten. Aan het begin
van de 21e eeuw was de financiële markt zelf echter in toenemende
mate cross-sectoraal geworden. Zo waren grote financiële
conglomeraten ontstaan waarvan zowel banken als effecteninstellingen als
verzekeraars onderdeel uitmaakten. Ook kwamen er steeds meer
producten op de markt met kenmerken van verschillende soorten
producten, zoals beleggingsverzekeringen en spaarrekeningen waarbij de
rente afhankelijk was van bewegingen op de financiële markten. Het
sectorale toezichtmodel was daar niet op afgestemd.
In een nota van 2002 constateerde het ministerie dat een sectoraal
toezichtmodel niet voldoende efficiënt, doeltreffend en
marktgericht is. De nota stelde daarom een functioneel
toezichtmodel voor. Volgens dit model zou DNB toezicht moeten houden
op de naleving van prudentiële regels en de AFM op de naleving van
gedragsregels. Dit model wordt ook wel het ‘Twin Peaks’-model
genoemd.
Om het veranderende toezichtmodel vorm te geven werd in 2007 het
eerste wetsvoorstel ter invoering van de WFT ingevoerd. Hiermee werden
zeven sectorale financiële toezichtwetten in één wet geconsolideerd.
Ruim tien jaar na inwerkingtreding van de Wft is een herbezinning gestart
op het functionele toezichtmodel dat aan de vormgeving van de Wft ten
,grondslag ligt. Eén van de redenen daarvoor is dat veel Europese
regelgeving op een sectorale indeling is gebaseerd.
1.2.3 Onderwerpen die noch sectoraal noch functioneel worden ingedeeld
Bepaalde onderwerpen worden niet in de WFT benoemd, terwijl ze voor de
financiële sector wel van belang zijn. Dit soort onderwerpen wordt
beheerst door de besproken regelgeving, maar daarin niet expliciet
benoemd. Een voorbeeld daarvan zijn de ontwikkelingen en producten die
gezamenlijk worden aangeduid als FinTech. FinTech is een samentrekking
van de woorden financial en technology. De term wordt gebruikt voor een
breed scala aan ontwikkelingen waarbij technologie op een vernieuwende
wijze wordt ingezet voor diverse financiële producten of diensten. Fintech
bespreken wij kort in § 1.9.
1.3 Andere financiële toezichtwetten
Hoewel strikt genomen geen financiële toezichtwet is, wordt de Wet
giraal effectenverkeer (Wge) vaak in één adem genoemd met de Wft,
nu deze ook ziet op de financiële markten. Het doel van de Wge is de
bescherming van beleggers in geval van een faillissement van de
bank waar de beleggers hun effecten aanhouden. Effecten die onder
de Wge vallen behoren – kort gezegd – goederenrechtelijk toe aan de
eindbeleggers. Daardoor vallen zij bij een faillissement van de bewarende
bank niet in de boedel van die bank
Ook andere wetten zijn belangrijk denk aan BW die bepalingen bevat ten
aanzien van consumentenkrediet en betaaltransacties.
1.4 Doel van de Wft
Uit de parlementaire geschiedenis en uit artikel 1:24 en 1:25 Wft volgt dat
het de volgende doelstellingen heeft:
Toezicht op de soliditeit van financiële ondernemingen en het
bijdragen aan de stabiliteit van de financiële sector. Hieronder
vallen onder meer de voorschriften inzake solvabiliteit en liquiditeit.
Deze zijn erop gericht dat een financiële onderneming voldoende
financiële buffers heeft en aan haar betalingsverplichtingen kan
voldoen. Hieronder vallen ook eisen die worden gesteld aan de
bedrijfsinrichting van de onderneming
Ordelijke en transparante financiële marktprocessen. Ter
uitvoering van deze doelstelling bevat de Wft regels voor beurzen en
andere plaatsen waar vraag en aanbod bijeen komen. Deze
regels beogen ordelijke marktprocessen te bevorderen. Daarnaast
bevat de Wft in verband met deze doelstelling
informatievoorschriften. Zo zijn gereglementeerde markten
bijvoorbeeld verplicht om informatie over verrichte transacties
openbaar te maken.
Zuivere verhoudingen tussen marktpartijen. Hierbij moet
worden gedacht aan regels voor het aangaan van transacties op de
financiële markt en regels die bijdragen aan marktevenwicht. Een
voorbeeld hiervan vormen de regels inzake voorwetenschap.
, Zorgvuldige behandeling van cliënten. Hieronder vallen de
regels die dienen ter bescherming van cliënten. Een voorbeeld vormt
de verplichting om informatie in te winnen over een cliënt voordat
beleggingsdiensten worden verleend of een krediet wordt verstrekt.
1.5 Prudentieel toezicht en gedragstoezicht
Nederland is gebaseerd op een functioneel toezichtmodel. Dit houdt in dat
er 2 soorten toezicht zijn:
1. Prudentieel toezicht: Enerzijds het toezicht ziet enerzijds op de
soliditeit van financiële ondernemingen en de stabiliteit van de
financiële sector
2. Gedragstoezicht: anderzijds op het gedrag van ondernemingen die
zich op de financiële markten begeven
Prudentieel toezicht
Beide vormen zijn verankerd in deel 1 van de Wft. Artikel 1:24 Wft vormt
de basis voor het prudentiële toezicht. DNB is de toezichthouder die
hier verantwoordelijk voor is. Door DNB wordt toezicht gehouden op de
soliditeit van financiële ondernemingen en de stabiliteit van
financiële markten. Zo beslist DNB bijvoorbeeld over de toegang van
verzekeraars tot de Nederlandse financiële markt en houdt zij toezicht op
de financiële draagkracht van verzekeraars.
Het prudentiële toezicht op banken is met de invoering van de Bankenunie
per 1 november 2014 voor een deel verschoven van DNB naar de
Europese Centrale Bank (ECB). Door de invoering van de Bankenunie
wordt het prudentieel toezicht op zogenoemde significante banken direct
uitgeoefend door de ECB. Het toezicht op minder significante banken blijft
in beginsel bij DNB.
Gedragstoezicht
Artikel 1:25 Wft vormt de basis voor het gedragstoezicht, hierbij is de AFM
de gedragstoezichthouder. Dit toezicht is gericht op ordelijke en
transparante marktprocessen, zuivere verhoudingen tussen
marktpartijen en de zorgvuldige behandeling van consumenten en
beleggers. Het gaat daarbij met name om het gedrag van financiële
ondernemingen jegens eenieder die zich op de financiële markten
begeeft.1 Hierbij kan worden gedacht aan toezicht op reclame-uitingen
van banken en verzekeraars op televisie en aan regels die inhouden dat
een beleggingsonderneming haar cliënt goed moet informeren over
financiële instrumenten.
Eenloketgedachte
Op basis van de Wft kunnen besluiten altijd maar door één toezichthouder
worden genomen (de éénloketgedachte). Dit betekent onder meer dat
de bevoegdheid tot vergunningverlening steeds exclusief is toebedeeld
aan óf de AFM óf DNB (of in het geval van banken, de ECB.
Als een onderneming voornamelijk onder prudentieel toezicht staat,
zoals een verzekeraar of een betaalinstelling, dan is DNB de
instantie die de vergunning verleent.