Tijdvak 1: Jagers & Boeren (Prehistorie tot 3000 v.Chr.) — Pagina 7
Tijdvak 2: Grieken en Romeinen (Oudheid van 3000 v.Chr. tot 500) — Pagina 14
Tijdvak 3: Monniken en Ridders (Vroege Middeleeuwen van 500 tot 1000) — Pagina 23
Tijdvak 4: Steden en Staten (Late Middeleeuwen van 1000 tot 1500) — Pagina 29
Tijdvak 5: Ontdekkers en Hervormers (Vroegmoderne tijd van 1500 tot 1600) — Pagina 37
Tijdvak 6: Regenten en Vorsten (Vroegmoderne tijd van 1600 tot 1700) — Pagina 47
Tijdvak 7: Pruiken en Revoluties (Vroegmoderne tijd van 1700 tot 1800) — Pagina 56
Tijdvak 8: Burgers en Stoommachines (Moderne tijd van 1800 tot 1900) — Pagina 64
Tijdvak 9: Wereldoorlogen (Moderne tijd van 1900 tot 1950) — Pagina 76
Tijdvak 10: Televisie en Computer (Moderne tijd 1950 tot nu) — Pagina 97
5
, GESCHIEDNIS
Aan de hand van de Tijdvakken en Kenmerkende Aspecten
Tijdvak 1: Jagers & Boeren
Prehistorie tot 3000 v.Chr.
KA 1: De levenswijze van jagers-verzamelaars
Mensen leefden in kleine groepen en trokken rond opzoek naar voedsel, zoals wilde dieren,
vruchten en planten. Ze kende geen vaste woonplaats en waren volledig afhankelijk van de
natuur. In deze nomadische samenleving waren nauwelijks verschillen.
Arbeidsverdeling tussen man en vrouw
• In de prehistorie was er een duidelijke, functionele taakverdeling op basis van geslacht
om te overleven. Mannen hielden zich over het algemeen bezig met de jacht op groter wild,
terwijl vrouwen verantwoordelijk waren voor het verzamelen van eetbare planten, wortels,
bessen en de zorg voor de kinderen.
• Terwijl de mannen dagen op pad waren om een groter dier op te sporen, bleven de
vrouwen dichter bij het kamp om plantaardig voedsel te verzamelen, wat vaak de meest
stabiele voedselbron bleek te zijn.
• Dit zorgde voor een organische rolverdeling binnen de groep, waarbij de status van man
en vrouw relatief gelijkwaardig was omdat beide taken cruciaal waren om te overleven.
Zwevend bestaan van kleine groepen
• Mensen leefden als jagers-verzamelaars in kleine groepen van zo'n 20 tot 30 personen.
Omdat ze afhankelijk waren van de natuur voor hun voedsel, waren ze nomaden: zodra
het voedsel in een gebied opraakte, trokken ze verder naar een nieuwe plek.
• Een groep die in de zomer bij een rivier leefde om vis te vangen en bessen te plukken, trok
in de winter naar een grot of bosrijk gebied waar meer wild te vinden was.
• Hierdoor ontstond er geen permanente bewoning, droegen mensen nauwelijks
bezittingen bij zich en bleef de bevolkingsgrootte klein omdat continu reizen met veel
jonge kinderen onmogelijk was.
Periodieke bijeenkomsten
• Hoewel de nomadische groepen meestal apart van elkaar leefden, zochten ze elkaar op
vaste momenten in het jaar op. Dit was noodzakelijk om sociale contacten te
onderhouden, informatie uit te wisselen en inteelt te voorkomen.
• Verschillende stammen kwamen in de lente samen bij een centraal herkenningspunt in
het landschap (zoals een specifieke riviermonding) om partners uit te wisselen en
verhalen te delen.
• Dit versterkte de culturele eenheid tussen verschillende groepen (zoals het delen van
dezelfde symbolen of rituelen) en zorgde voor het voortbestaan van de menselijke
populatie door genetische variatie.
Grote kennis van natuur vereist
• Om te overleven moesten jagers-verzamelaars de natuur door en door kennen. Deze
kennis was extra belangrijk tijdens de laatste ijstijd, toen heftige klimaatsveranderingen
zorgden voor een verschuiving van flora en fauna. Groepen zoals de rendierjagers
moesten de migratieroutes van koudebestendige dieren feilloos kunnen volgen.
7
, GESCHIEDNIS
Aan de hand van de Tijdvakken en Kenmerkende Aspecten
Tijdvak 1: Jagers & Boeren
Prehistorie tot 3000 v.Chr.
• Rendierjagers wisten exact in welke seizoenen de rendierkuddes door de toendra trokken,
waardoor ze op de juiste strategische plekken (zoals nauwe valleien) klaarstonden voor
de jacht.
• Dankzij deze diepe biologische en klimatologische kennis wist de mens zich telkens aan
te passen aan extreme natuurlijke omstandigheden, waardoor ze niet uitstwierven tijdens
de ijstijd.
Kunstuitingen wellicht functioneel
• De mens maakte verschillende kunstuitingen, zoals rotstekeningen en kleine beeldjes.
Historici vermoeden dat deze kunst niet alleen voor de sier was, maar een functioneel of
magisch doel had, zoals het afdwingen van een succesvolle jacht of vruchtbaarheid.
• De rotstekeningen in de grot van Lascaux, waarop jachtdieren zoals bizons en paarden
zeer gedetailleerd zijn afgebeeld, mogelijk om de geesten van de dieren gunstig te
stemmen.
• Dit laat zien dat de vroege mens in staat was tot abstract denken en een rijke
belevingswereld had waarin kunst en spiritualiteit met elkaar verweven waren.
Waarschijnlijk geloof in hiernamaals
• De elektrische vondsten en archeologische opgravingen wijzen op een vroeg denken over
het leven na de dood. Men liet de doden niet zomaar achter, maar begroef ze met zorg,
wat suggereert dat men geloofde dat de overledene de reis naar een volgend leven moest
maken.
• Graven waarin de dode in een foetushouding is gelegd en is bestrooid met rode oker
(symbool voor bloed/leven), liggend naast kostbare jachtwapens en sieraden van
schelpen.
• Dit is de allereerste basis van religie en spiritualiteit in de menselijke geschiedenis,
waarbij respect voor de voorouders en de onzichtbare wereld centraal stond.
Analfabetisme
• In deze periode was er sprake van volledig analfabetisme; het schrift bestond nog niet
(vandaar de term prehistorie). Communicatie en kennisoverdracht gingen volledig
mondeling. Wel ontwikkelde de mens symbolisch denken, waarbij ze abstracte tekens
en afbeeldingen gebruikten om verhalen of waarschuwingen achter te laten.
• Het kerven van specifieke inkervingen in een bot om getallen of maanstanden bij te
houden, zonder dat hier letters of een geschreven taal aan te pas kwamen.
• Omdat er geen geschreven bronnen zijn, moeten we deze periode volledig reconstrueren
op basis van ongeschreven, archeologische bronnen (zoals botten en werktuigen). Kennis
was kwetsbaar en kon snel verloren gaan als een groep uitstierf.
Geen duidelijk leiderschap
• De nomadische groepen waren egalitair: er was sprake van sociale gelijkheid en er was
geen duidelijk, permanent leiderschap zoals een koning of stamhoofd. Besluiten werden
8
, GESCHIEDNIS
Aan de hand van de Tijdvakken en Kenmerkende Aspecten
Tijdvak 1: Jagers & Boeren
Prehistorie tot 3000 v.Chr.
gezamenlijk genomen. Als er al een leider was, was dit tijdelijk en gebaseerd op respect,
ervaring of specifieke vaardigheden (zoals de beste jager of de oudste/wijste persoon).
• Tijdens een grote jachtpartij nam de meest ervaren spoorzoeker tijdelijk de leiding, maar
zodra de jacht voorbij was, was iedereen in het kamp weer gelijk.
• Er waren geen grote bezitsverschillen of sociale klassen. Hierdoor bleven de groepen
harmonieus en flexibel, aangezien status niet erfelijk was en niemand de macht had om
anderen te onderdrukken.
KA 2: Het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen
Rond 11.000 v.Chr. ontdekte mensen dat ze gewassen konden verbouwen en dieren konden
temmen, wat leidde tot de ontwikkeling van landbouw. Hierdoor ontstonden er
landbouwsamenlevingen waarin meer mensen op een vaste plek wonen en hun eigen voedsel
produceren.
Mogelijke oorzaken voor de overgang naar akkerbouw en veeteelt
• Door klimaatsverandering werd het warmer op aarde, waardoor er op vruchtbare plekken
(zoals de Vruchtbare Halve Maan) wilde graansoorten gingen groeien. Mensen ontdekten
dat ze deze zaden zelf konden zaaien en dat ze wilde dieren konden temmen, wat leidde
tot de Landbouwrevolutie of Neolithische Revolutie.
• In het Midden-Oosten begonnen mensen rond 10.000 voor Christus voor het eerst
systematisch graan te verbouwen en schapen en geiten te houden, in plaats van te
vertrouwen op wat ze in het wild vonden.
• De mens veranderde van een natuurvolgends wezen in een natuurbeheersend wezen,
waardoor de voedselproductie enorm steeg en de basis werd gelegd voor de rest van de
menselijke beschaving.
Sedentair bestaan in grotere groepen dan voorheen
• Omdat akkers en veestapels continu verzorging en bescherming nodig hadden, konden
mensen niet meer rondtrekken. Dit zorgde voor het ontstaan van een sedentair bestaan:
mensen gingen zich permanent vestigen op één vaste plek, waardoor de eerste
boerendoorpen ontstonden waar grotere groepen mensen samenwoonden.
• De opgravingen van de vroege nederzetting Catalhöyük in het huidige Turkije, waar
duizenden mensen in dicht op elkaar gebouwde lemen huizen woonden.
• De bevolking groeide explosief omdat er meer voedsel beschikbaar was en moeders niet
meer om de paar jaar hoefden te reizen, wat leidde tot grotere sociale structuren en de
noodzaak voor nieuwe samenlevingsregels.
Opkomst bezitsvorming
• Jagers-verzamelaars konden nauwelijks spullen meenemen, maar boeren die op een
vaste plek woonden, konden wel bezit verzamelen. Er ontstond persoonlijke eigendom in
de vorm van opgeslagen voorraden, stukken land, vee, stevige huizen en zwaardere
gebruiksvoorwerpen.
9
, GESCHIEDNIS
Aan de hand van de Tijdvakken en Kenmerkende Aspecten
Tijdvak 1: Jagers & Boeren
Prehistorie tot 3000 v.Chr.
• Een boer die een succesvolle oogst had en een grote voorraad graan in aardewerken
potten in zijn huis bewaarde, terwijl een andere boer door droogte een lege schuur had.
• Hierdoor verdween de prehistorische gelijkheid. Bezit werd overdraagbaar en erfelijk, wat
de basis legde voor materiële ongelijkheid en jaloezie tussen families en dorpen.
Ontstaan van specialisatie en sociale gelaagdheid
• Dankzij de landbouw ontstonden er voedseloverschotten, waardoor niet iedereen meer
op het land hoefde te werken. Dit leidde tot specialisatie: mensen konden andere
beroepen kiezen. Door de verschillen in bezit en het belang van deze nieuwe beroepen
ontstond er een sociale gelaagdheid en het ontstaan van leiderschap om de complexe
dorpen te besturen.
• Terwijl de meeste dorpelingen boer bleven, specialiseerden sommigen zich als smid of
pottenbakker, en kreeg een kleine groep (zoals priesters of dorpsoudsten) meer aanzien
en politieke macht.
• De egalitaire samenleving verdween definitief; er ontstonden sociale klassen (rijken
versus armen, machtigen versus machtelozen) en de eerste vormen van formeel bestuur
en wetgeving.
Technologische vooruitgang
• Het sedentaire leven stimuleerde de uitvinding van nieuwe gereedschappen en
technieken. Dit is duidelijk te zien in vroege boerenculturen, zoals de
Bandkeramiekcultuur (de eerste boeren in Nederland) en het
Trechterbekervolk/hunebedbouwers (bekend om hun monumentale grafarchitectuur).
Ook gebruikten zij de brandcultuur om bosgrond vruchtbaar te maken.
• De hunebedbouwers in Drenthe die gigantische zwerfkeien gebruikten om collectieve
megalietgraven te bouwen voor hun overledenen, wat getuigt van een enorme
organisatiekracht en technische kennis.
• De mens leerde de natuur steeds ingrijpender naar zijn hand te zetten, en de ontwikkeling
van aardewerk en nieuwe stenen (en later bronzen) werktuigen versnelde de
technologische evolutie van de mensheid.
Opkomst van gewapend geweld
• De combinatie van vaste woonplaatsen, schaars vruchtbaar land en waardevolle
bezittingen (zoals vee en graanvoorraden) leidde tot de opkomst van gewapend geweld.
Dorpen moesten zich gaan verdedigen tegen plunderaars, waardoor de eerste conflicten
en oorlogen in de geschiedenis ontstonden.
• De ijsmummie Ötzi, die in de Alpen is gevonden met een pijlpunt in zijn schouder en diepe
wonden op zijn handen, wat direct bewijs levert voor dodelijk geweld tussen mensen in
deze periode.
• Er ontstond een permanente behoefte aan veiligheid en defensie, wat leidde tot de bouw
van omheiningen en wallen rond dorpen en de opkomst van een aparte klasse van krijgers
en beschermers.
10
, GESCHIEDNIS
Aan de hand van de Tijdvakken en Kenmerkende Aspecten
Tijdvak 1: Jagers & Boeren
Prehistorie tot 3000 v.Chr.
KA 3: Het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen
Door succesvolle landbouwproductie, ontstond er een overschot aan voedsel, waardoor niet
iedereen meer boer hoefde te worden. Dit leidden tot specialisatie en de groei van nederzettingen
die uiteindelijk uitgroeide tot de eerste stedelijke gemeenschappen met complexe
samenlevingen en bestuursvormen.
In vruchtbare rivierdalen groeien boerendorpen aaneen tot stadstaten
• Door de jaarlijkse overstromingen van grote rivieren slibde er vruchtbare modder op de
oevers. Om deze landbouwgrond optimaal te benutten, moesten boeren intensief
samenwerken aan irrigatiesystemen. De enorme voedseloverschotten die hierdoor
ontstonden, zorgden ervoor dat kleine boerendorpen konden aaneengroeien tot grotere,
ommuurde nederzettingen met een eigen bestuur: de stadstaat.
• Het ontstaan van stadstaten langs de Nijl (Egypte), de Eufraat en Tigris (Mesopotamië), de
Ganges en de Indus (India) en de Hoang-Ho (China), waar de oudste stedelijke
beschavingen ter wereld tot bloei kwamen.
• Voor het eerst in de geschiedenis woonden duizenden mensen dicht op elkaar in een
stedelijke omgeving, wat leidde tot een complexe organisatie van de samenleving en een
breuk met de eenvoudige dorpscultuur.
Ontstaan van hiërarchie met één leider aan de top
• Door de groei van de steden en de ingewikkelde waterwerken was er een centraal bestuur
nodig. Er ontstond een strakke maatschappelijke rangorde of hiërarchie, waarbij alle
macht in handen kwam van één leider aan de top (zoals een koning of farao). Deze leider
beschermde de stad, sprak recht en hield toezicht op de economie.
• In de Mesopotamische stadstaten (zoals Uruk) werd de koning gezien als de aardse
plaatsvervanger van de goden, waardoor zijn politieke en militaire macht direct religieus
werd gelegitimeerd.
• Dit betekende het definitieve einde van de besluitvorming in groepsverband; er ontstond
een gecentraliseerde staat waarin de wil van de vorst de wet was voor alle onderdanen.
Sociale ongelijkheid
• Met de opkomst van de steden nam de sociale ongelijkheid en de toename van sociale
gelaagdheid enorme vormen aan. Mensen werden niet meer als gelijken gezien, maar
ingedeeld in sociale klassen op basis van macht, rijkdom en religieuze status. De priesters
stonden heel hoog op de maatschappelijke ladder vanwege hun exclusieve contact met
de goden.
• In het vroege Egypte stonden de koninklijke familie en de hoge priesters bovenaan,
daaronder de ambtenaren en schrijvers, vervolgens de ambachtslieden, en helemaal
onderaan de grote massa van arme boeren en slaven.
• Deze sociale structuur zorgde voor een diepe kloof tussen de elite en het gewone volk,
waarbij privileges en rijkdom erfelijk werden en de sociale mobiliteit (het stijgen op de
ladder) erg klein was.
11
, GESCHIEDNIS
Aan de hand van de Tijdvakken en Kenmerkende Aspecten
Tijdvak 1: Jagers & Boeren
Prehistorie tot 3000 v.Chr.
Steeds verdergaande arbeidsspecialisatie
• Omdat de efficiënte landbouw in de rivierdalen genoeg voedsel produceerde voor de hele
bevolking, kon een groot deel van de stedelingen stoppen met boeren. Dit leidde tot een
steeds verder gaande arbeidsspecialisatie. Mensen richtten zich volledig op nieuwe,
hoogwaardige ambachten, waaronder de productie van religieuze en politieke kunst en
de ontwikkeling van de metaalbewerking (koper, brons en ijzer).
• Ambachtslieden in Mesopotamië smedden bronzen wapens en gereedschappen die vele
malen sterker waren dan de oude stenen werktuigen, en maakten prachtige gouden
sieraden voor de elite.
• De technologische en culturele ontwikkeling ging hierdoor in een stroomversnelling, en
steden werden de economische motoren van innovatie, luxeartikelen en architectuur.
Uitvinding van het schrift
• De complexe organisatie van de stad en de tempeleconomie/distributie-economie
(waarbij boeren hun oogst moesten inleveren bij de tempel, waarna de priesters dit
herverdeelden onder de bevolking) maakten het onmogelijk om alles uit het hoofd te
leren. Om belastingen, voorraden en administratie bij te houden, deed de mens de
revolutionaire uitvinding van het schrift.
• De Soemeriërs ontwikkelden rond 3300 voor Christus het spijkerschrift op kleitabletten
om nauwkeurig te registreren hoeveel zakken graan en schapen er binnengebracht
werden in de tempeldepots.
• Met de komst van het geschreven woord eindigde de prehistorie en begon de historie.
Kennis kon vanaf nu accuraat over grote afstanden en generaties heen worden bewaard
en uitgebreid, zonder te vervagen.
Handel door rondtrekkende kooplui
• Hoewel de rivierdalen extreem vruchtbaar waren, ontbrak het er vaak aan grondstoffen
zoals hout, metalen en kostbare stenen. Dit stimuleerde de opkomst van verregaande
handel door rondtrekkende kooplui, die over land en water grote afstanden aflegden om
goederen te ruilen.
• Kooplui uit Mesopotamië trokken met ezelskaravanen naar de bergen van Anatolië om
koper en cederhout te ruilen tegen hun eigen overschotten aan graan en textiel.
• Hierdoor ontstonden de eerste internationale handelsnetwerken, wat niet alleen zorgde
voor welvaart, maar ook voor de verspreiding van ideeën, uitvindingen (zoals het wiel en
het schrift) en cultuur tussen verschillende beschavingen.
Ontstaan van wetgeving
• Om de vrede, de eigendomsrechten en de sociale orde in de dichtbevolkte steden te
handhaven, was er behoefte aan duidelijke en universele regels. Dit leidde tot het
ontstaan van wetgeving: wetten werden voor het eerst officieel vastgelegd en openbaar
gemaakt, zodat iedereen wist welke straf er op een misdaad stond.
• De Babylonische koning Hammoerabi liet een gigantische stenen zuil oprichten met
daarin zijn beroemde wetbijeenvoeging (de Codex Hammoerabi), die was gebaseerd op
12
, GESCHIEDNIS
Aan de hand van de Tijdvakken en Kenmerkende Aspecten
Tijdvak 1: Jagers & Boeren
Prehistorie tot 3000 v.Chr.
het principe van oog om oog, tand om tand, maar wel rekening hield met de sociale klasse
van het slachtoffer.
• Rechtspraak werd hierdoor losgekoppeld van willekeur van lokale rechters; het
geschreven recht bood stabiliteit aan de staat en versterkte de macht van de centrale
overheid over de burgerij.
Uitgroei van some stadstaten tot koninkrijken
• Succesvolle en militaire sterke stadstaten begonnen door middel van
veroveringsoorlogen hun buursteden te onderwerpen. Hierdoor vond de uitgroei van
sommige stadstaten tot koninkrijken (en later wereldrijken) plaats. Aan het hoofd stond
de vorst, die regeerde over een gigantisch territorium en soms radicale politieke of
religieuze veranderingen doorvoerde.
• De Egyptische geschiedenis kent machtige vorsten zoals Ramses II, die zijn rijk militair
enorm uitbreidde en gigantische monumenten liet bouwen, en Echnaton, die een
religieuze revolutie ontketende door tijdelijk de verering van slechts één god (Aton)
verplicht te stellen.
• Lokale identiteiten verdwenen in grotere rijken, wat leidde tot grootschalige
staatsvorming, professionele staande legers en een cultuur waarin de centrale vorst als
een absolute, goddelijke heerser werd aanbeden.
13
, GESCHIEDENIS
Aan de hand van de Tijdvakken en Kenmerkende Aspecten
Tijdvak 2: Grieken en Romeinen
Oudheid van 3000 v.Chr. tot 500
KA 4: De ontwikkeling van wetenschappelijk denken en het denken over burgerschap
en politiek in de Griekse stadstaat
In de Griekse stadstaten ontstond het wetenschappelijk denken, waarbij natuurverschijnselen
logisch werden verklaard; en filosofen nadachten over de ideale staatsvorm en de rol van de
burger. Bij het denken over burgerschap en politiek wordt met name bedoeld en verwezen naar
de (directe)democratie in Athene en dat Atheners dit als de meest logische, gelijkwaardige en
menselijke bestuursvorm zagen.
De nieuwsgierigheid van de oude Grieken
• Griekse denkers begonnen de wereld om hen heen te verklaren zonder direct naar de
goden te wijzen. Deze intellectuele nieuwsgierigheid legde de basis voor de
natuurfilosofie, waarbij gezocht werd naar natuurlijke wetmatigheden achter
verschijnselen. Later verspreidde deze kritische Griekse cultuur en denkwijze zich over
een enorm gebied buiten Griekenland, een historisch proces dat bekendstaat als het
hellenisme.
• De reizen en kritische blik van de denker Herodotus, die als een van de eersten rationeel
probeerde te verklaren waarom volkeren van elkaar verschilden en waarom er oorlogen
ontstonden, in plaats van dit toe te schrijven aan de wil van Zeus of Poseidon.
• Dit leidde tot een enorme cultuuromslag waarbij rationeel en logisch denken centraal
kwamen te staan, wat de basis vormde voor de latere westerse wetenschappelijke
traditie.
Opkomst van wetenschappen als filosofie, geneeskunde en geschiedschrijving
• Door deze kritische houding splitste de kennis zich op in de allereerste wetenschappelijke
disciplines. De natuurfilosofie zocht naar de oerelementen van de aarde, de
geschiedschrijving zocht naar de waarheid over het menselijk handelen, en de
geneeskunde zocht naar natuurlijke oorzaken van ziekten.
• De arts Hippocrates, die de basis legde voor de medische wetenschap door te stellen dat
ziekten niet veroorzaakt werden door goddelijke straffen, maar door een verstoorde
balans in het menselijk lichaam, en de geschiedschrijver Herodotus die systematisch
bronnen ging vergelijken.
• Kennis werd objectief en controleerbaar; de mens kreeg grip op zijn eigen gezondheid en
geschiedenis, wat leidde tot een enorme sprong in technologische en maatschappelijke
ontwikkeling.
Filosofie als wetenschap veel meer omvattend dan tegenwoordig
• In de klassieke oudheid was de ontwikkeling van de filosofie niet slechts een theoretische
bezigheid, maar de overkoepelende wetenschap die probeerde álle aspecten van het
bestaan en het menselijk gedrag te begrijpen. Dit stond in schril contrast met de vroege
orale traditie waarin mythen en epische verhalen de wereld verklaarden.
• Waar de dichter Homerus in zijn verhalen de wereld nog verklaarde via de grillen van
goden en helden, dwongen filosofen zoals Socrates (met zijn kritische vraagstelling) en
14