Hoorcollege 1: Introductie en diagnostisch proces
Klinische neuropsychologie is het wetenschapsgebied waar de relaties tussen de
breinstoornissen en gedrag bestudeerd worden in patiëntgebonden onderzoek, alsook
de praktijksector waar deze kennis wordt toegepast in de vorm van diagnostiek,
begeleiding en behandeling.
Start van de zorg is diagnostiek.
Zonder goede diagnostiek geen adequate indicatiestelling en behandeling.
Geen patiënt is hetzelfde!
Elke testbatterij is nieuw en afgestemd op de patiënt.
Neuropsycholoog moet snel kunnen switchen, flexibel en creatief zijn en in hoog tempo
beslissingen kunnen nemen.
In kaart brengen van functiestoornissen en/of cognitief profiel.
Aard, ernst, oorzaak, gevolg, samenhang met stemming, persoonlijkheid, lichamelijke
factoren, pijn etc.
Indicaties:
- Neurologische aandoeningen: beroerte, tumor, traumatisch hersenletsel.
- Psychiatrische stoornissen: schizofrenie, bipolaire stoornis.
- Ontwikkelingsstoornissen: dyslexie, ADHD, autisme.
- Veroudering en dementie.
Diagnostisch proces:
1. Anamnese en heteroanamnese.
2. Vraagstelling en hypothesevorming.
3. Testselectie en testafname.
4. Observatie.
5. Interpretatie.
6. Schriftelijke en mondelinge rapportage.
Vraagstelling en hypothese
Zonder goede vraagstelling is een neuropsychologisch onderzoek zinloos!
Neem je onderzoek af in kader van diagnostiek/behandeling/indicatiestelling etc.?
Diagnosticus vormt vanaf eerste moment hypotheses.
Hypothese vormen je vragen in de anamnese, tijdens anamnese en testonderzoek kun je
je hypotheses bijstellen.
Testonderzoek. Stem je af op hypotheses, hypothese-toetsend werken.
Dynamisch proces!
Onderscheid diagnostische en beschrijvende vraagstellingen.
Verdere diZerentiatie typen vraagstellingen:
- Onderkenning: wat is er met deze patiënt aan de hand?
- Verklaring: waarom vertoont deze patiënt deze gedragsproblemen?
- Predictie: hoe kan een operatie het cognitief functioneren beïnvloeden?
, - Indicatie: wat zijn de implicaties van de cognitief sterke en zwakke punten voor
revalidatie?
- Wat is het eZect van het gebruik van Ritalin op het cognitief functioneren?
Door het verwerpen van een aantal hypotheses kom je uit op een
waarschijnlijkheidsdiagnose.
Soms andere disciplines nodig voor verder onderzoek naar overige hypotheses.
Medicus stelt medische diagnose, neuropsycholoog niet.
NPO bij individuele patiënt is eigenlijk een N=1 wetenschappelijke studie.
Testselectie en afname
Om hypothese te toetsen gebruik je verschillende bronnen: anamnese, observaties,
vragenlijsten en testen.
Keuze voor test hangt af van doel van onderzoek en kenmerken van patient.
Een aantal zaken waar je op moet letten:
- LeereZect (parallel versie).
- Herhaald testen (testwise).
- Duur onderzoek.
- Vaste testbatterij of individueel toegesneden?
- Testvolgorde.
- Standaardisatie.
- Testing the limits.
Kwaliteitscriteria: validiteit, betrouwbaarheid en normering.
COTAN beoordeling (Commissie Testaangelegenheden Nederland):
- Uitgangspunten bij constructie.
- Kwaliteit testmateriaal.
- Kwaliteit handleiding.
- Normen.
- Betrouwbaarheid.
- Begripsvaliditeit.
- Criteriumvaliditeit.
Computergestuurde diagnostiek
Steeds meer de toekomst.
Veel voordelen, maar meten ze wel hetzelfde?
Naast cognitief functioneren ook andere factoren in kaart brengen d.m.v. vragenlijsten.
Persoonlijkheid -> NPV.
Emotionele problemen -> BDI, GDS of HADS.
Klachten -> SCL-90
Kan van invloed zijn op cognitief functioneren.
Psychometrie in de klinische neuropsychologie
Meting bestaat uit 2 onderdelen:
- Het resultaat van meetprocedure. Zelf.
- Bijdrage van invloeden die daarbuiten liggen.
, o Stoorfactoren (vermoeidheid, gebrek aan motivatie, faalangst, motorische
beperkingen etc.).
De patiënt haalde een (percentiel)
score van …, en presteerde
daarmee op … niveau op deze taak.
Diagnostische nauwkeurigheid:
receiver operating characteristics.
- Sensitiviteit: de kans dat je
een stoornis ook echt
detecteert.
- Specificiteit: de kans dat een
gezond persoon een score boven het afkappunt heeft, dus hoe goed kan de test
personen zonder stoornis herkennen.
, Maar afhankelijk van validatiegroepen, daarom rekening houden met de a priori kans op
een aandoening in een bepaalde populatie.
- Positief voorspellende waarde: kans dat een persoon die een afwijkende score
heeft de ziekte of stoornis ook daadwerkelijk heeft.
- Negatief voorspellende waarde: kans dat een persoon die een niet-afwijkende
score behaalt de ziekte of stoornis ook niet heeft.
Interpretatie
Interpretatie is integratie van:
- Onze kennis van neuroanatomie.
- Onze kennis van algemene/cognitieve psychologie.
- Onze kennis van hersenziekten en de gevolgen ervan voor gedrag.
- Onze kennis over psychopathologie.
- Vraagstelling en onderzoekshypothesen.
- Gegevens uit medisch dossier (o.a. beeldvorming).
- Gegevens uit psychosociale voorgeschiedenis.
- Gegevens uit anamnese en heteroanamnese.
- Observaties.
- Testresultaten.
Let op stoorfactoren.
Waar zet je de resultaten tegen af? -> pre morbide functioneren (bv schatten op basis
van opleidingsniveau of met tests die relatief ongevoelig zijn voor hersenschade).
Veelgemaakte interpretatiefouten
- Bevestigingsbias.
- Klachten aannemen als cognitieve stoornissen.
- Wees voorzichtig met het te snel interpreteren van 1 (uitzonderlijk) lage testscore.
- Veronderstelde meetpretentie van test zonder meer aannemen.
- Family wise error: naar mate we meer testen afnemen is de kans dat een patiënt
op 1 van deze testen afwijkend scoort groter.