Begrippen:
Psychologie wil menselijk gedrag beschrijven en verklaren
Psychopathologie wil psychische stoornissen bestuderen (theorie)
Psychiatrie hulpverleningspraktijk van psychopathologie
Ontwikkelings-
psychopathologie wil beloop van psychische stoornissen (OPP) onderzoeken;
Hoofdstuk 2:
Classificatie = waarnemen en indelen in bekende categorieën (verschijnselen onderscheiden)
Diagnostiek: Hoe is een stoornis ontstaan.
Epidemiologie: Hoeveel kinderen hebben deze problemen?
Mensen hebben vaak meer dan één stoornis tegelijk, dit heet comorbiditeit. (zo kunnen ook
psychische en lichamelijke klachten tegelijk voorkomen)
De DSM gaat uit van ja of nee, wel of niet. Toch kun je ook kijken naar licht, matig of ernstig. Dit doet
de dimensionale benadering:
De betrouwbaarheid en de validiteit van een uitspraak:
- Een betrouwbare uitspraak hoeft nog niet valide te zijn.
o Betrouwbaarheid: Nauwkeurigheid, overeenstemming, standvastigheid.
o Validiteit: Meet je wat je beoogt te meten? (gebruik ook de juiste instrumenten!)
Iemand met dyslexie kan wel heel intelligent zijn.
Hoofdstuk 3:
o Equifinaliteit
Van veel naar een: meervoudige
oorzaken kunnen een en dezelfde
uitkomst hebben. (verschillende
beginnen met andere uitkomsten)
o Multifinaliteit
Van een oorzaak naar meerdere
uitkomsten (een zelfde begin met
verschillende uitkomsten)
- Preventie: (verschillen kennen!)
o Primair: voorkomen van een risico (je bent een rund als je met vuurwerk stunt.) (vb:
pestprogramma)
o Secundair: risicogroepen vroeg herkennen om erger te voorkomen (protocol
leesproblemen en dyslexie)
o Tertiair: Gericht op jongeren die al echte problemen hebben ontwikkeld. (vormen
van behandeling)
Universele preventie
Selectieve preventie (KOPP programma)
Geïndiceerde preventie
Hoofdstuk 7 - hechtingsstoornissen:
Gehechtheid:
,Is een affectieve band die iemand tot stand brengt tussen zichzelf en een specifieke ander; en die
hen over tijd en ruimte met elkaar verbindt. (Ainsworth & Bell, 1970
Vormen van gehechtheid: (Mary Ainsworth)
- Onveilig gehecht: (risicofactor om een hechtingsstoornis te ontwikkelen)
o Vermijdend gehecht (20%)
Reageren nauwelijks op terugkeer opvoeder
Blijven op speelgroep gericht
Vermijden en ontwijken (oog)contact
Onderdrukt angst, quasi zelfstandig. Ze houden zich groot en denken dat ze
het alleen moeten opknappen.
Opvoedingsstijl: ouders reageren niet of inadequaat op het gedrag van het
kind. En weren contact af.
o Ambivalent of afwerend gehecht (vaak bij alcoholmisbruik) (10%)
Opvallend angstig
Gaan boos of huilend op opvoeder af
Afwerend en contact zoekend
Weinig exploratiedrang (gaat weinig op onderzoek uit)
Opvoedingsstijl: onvoorspelbaar (tegenstrijdig), inconsequent, vaak
onbereikbaar als kind opvoeder nodig heeft.
- Veilig gehecht (Minimum aan onveilig gehechtheidsgedrag) (60-70%)
Zoekt nabijheid van de opvoeder
Wil getroost worden
Is snel gerustgesteld en speelt verder
Basisvertrouwen, opnieuw hechten lukt
Opvoedingsstijl: sensitief en toegankelijk
- Gedesoriënteerd gehecht (van Solomon en Main): (15%)
Kind gedraagt zich bij de hereniging met de ouder als een veilig kind, maar
gedraagt zich op eenzelfde manier tegenover vreemden. (allemansvriendjes)
Gemeenschappelijke kenmerk van deze kinderen is het ontbreken van een
duidelijke strategie om om te gaan met bijv. stress.
Opvoeder is bron van angst en beschermer (ook onvoorspelbaar) (vaak
verwaarloozing)
Geen strategie om met spanning van scheiding om te gaan
Kind kruipt naar de opvoeder maar bedenkt zich
Bewegingsloze verstilling of angst bij hereniging
Opvoedingsstijl: beangstigend en onvoorspelbaar
Diagnoses:
- Reactieve of geremde hechtingsstoornis (emotioneel teruggetrokken) (lijkt op autisme)
o Deze kinderen kunnen zich op latere leeftijd, als ze naar school gaan, agressief
gedragen tegenover anderen en gewelddadig tegenover zichzelf.
- Willekeurig sociale of ontremde type (kritiekloos) (lijkt op adhd)
o De kinderen tonen niet-selectief en daarmee oppervlakkig gehechtheidsgedrag. Ze
klampen zich vast aan ieder willekeurig persoon.
o Wordt waarschijnlijk veroorzaakt door het ontbreken van een vast verzorger in de
eerste kinderjaren.
Hoofdstuk 8 - ASS:
Verschillende soorten autisme:
- Syndroom van Asperger
o Sociale contacten aangaan en onderhouden vinden ze lastig.
, o Normale taalontwikkeling
o Een normaal tot bovengemiddeld IQ.
o Laten pas op een latere leeftijd autistische kenmerken zien.
o Ze gebruiken vaak deftige woorden en lange betogen waarin ze geen rekening
houden met reacties van de luisteraar.
o Hun motorische ontwikkeling is vaak trager en ze blijven zich houterig en stuntelig
bewegen.
o Ze hebben wel behoefte aan sociaal contact.
- Syndroom van Kanner (klassiek autisme)
o Laag IQ, stereotype gedragingen, communicatie problemen en sociale problemen.
- Syndroom van Rett
o ‘Meisjes-syndroom’ (X chromosoom)
o Bij 1 op de 10.000
- PDD-NOS
o Autisme verwante stoornis.
o Minder kenmerken autisme dan de klassieke autisme.
- MCDD:
o Vooral veel angst.
o Ze hebben moeite om fantasie en werkelijkheid uit elkaar te houden.
o Kunnen erg snel en verschrikkelijk boos worden.
- Desintegratieve stoornis
o Anders woord: syndroom van Heller
o Tot 3e leeftijdsjaar is normaal, hierna stagneert dit en krijgen ze kenmerken van
autisme.
Hoofdstuk 10 taalstoornissen:
- Het verwerven van taal kent vijf kenmerken:
o Fonologie
Het onderscheid tussen klanken en de regels van een klankcombinatie.
Vanaf 8 maanden gaan baby’s klankcombinaties uit de moedertaal herhalen.
o Morfologie
De combinatie van klanken tot betekenisvolle woorden.
De meeste kinderen zeggen hun eerste woordjes als ze 12 maanden zijn. Als een
kind van 18 maanden nog nooit iets heeft gezegd is onderzoek nodig, al kan zo’n
kind ook een laatbloeier zijn.
o Semantiek
De betekenis van woorden, woorden aan voorwerpen koppelen.
o Syntaxis
De specifieke combinatie van woorden tot betekenisvolle zinnen.
Syntaxis worden in stapjes geleerd. De eerste fase bestaat uit eenwoordzinnen,
hierna tweewoordzinnen enz.
o Pragmatiek
De regels van taalgebruik, (niet vloeken, u/jij enz.))
- Met name drie taalaspecten worden beïnvloed door de sensitieve periode: het fonologische,
morfologische en syntactische aspect.
o Het semantische (nieuwe woorden leren) en pragmatische aspect kunnen we ook op
latere leeftijd nog leren.
Hoofdstuk 11 – ADHD
- Zelfregulatie bestaat uit de volgende onderdelen:
o Emotieregulatie