Uitgebreide Studiegids & Examendocument
Academiejaar 2025–2026 | Prof. Dr. Aleydis Nissen
Gebaseerd op: Hoorcolleges · Daan's samenvatting (219p) · Boekvertaling Henriksen (200p) · Slides ·
Key arresten lijst
📖 INHOUDSTAFEL
0. Inleiding — definitie, structuren, kritiek (TWAIL, FtAIL volledig)
1. Bronnen — verdragen, gewoonterecht, rechtsbeginselen, soft law, hiërarchie
2. Verdragen — VCLT volledig, reservaties, interpretatie, beëindiging
3. Actoren — staten, IO's, individuen, NGO's, natuur
4. Jurisdictie — 5 principes, afdwinging, uitlevering, vliegtuigen
5. Staatsimmuniteit — ratione personae/materiae, jure imperii/gestionis
6. Staatsaansprakelijkheid — ARSIWA volledig, toerekening, rechtvaardigingsgronden
7. Geschillenbeslechting — IGH, arbitrage, VN-organen
8. Gebruik van geweld — 7 concepten, zelfverdediging, IHL, R2P
9. Mensenrechten — categorieën, EHRM, derogatie, vluchtelingen
10. Milieurecht — principes, klimaat, biodiversiteit
11. Economisch recht — WTO, IMF, investeringsrecht
12. Zeerecht — UNCLOS, alle zones, piraterij
13. Internationaal strafrecht — kernmisdrijven, tribunalen
14. BEGRIPPENLIJST (80+ termen)
15. KEY CASES OVERZICHT (40+ arresten volledig uitgewerkt)
16. REFLECTIE
,DEEL 0: INLEIDING — WAT IS VOLKENRECHT?
0.1 Definitie
Volkenrecht (internationaal publiekrecht) = het rechtssysteem dat de relaties regelt tussen
soevereine staten en hun onderlinge rechten en plichten (p. 1). In tegenstelling tot nationaal
recht: geen centrale wetgever, geen verplichte rechter, geen centrale handhavingsmacht. Het is
een gedecentraliseerd rechtssysteem.
Onderscheid: Internationaal privaatrecht (IPR) = nationale wetten die privaatrechtelijke
betrekkingen met buitenlandse elementen regelen ('conflict of laws').
0.2 Twee structuren
COËXISTENTIERECHT SAMENWERKINGSRECHT
Internationaal recht van samenleven Internationaal recht van samenwerken
Verplichtingen door inhoud (inherent Verplicht door de vorm (instemming bij verdragen)
internationaal)
Onontkoombaar — we leven samen als landen Instemming bij verdragen — vrijwillig
Horizontaal: hoe staten interageren Individu krijgt ook een plaats (mensenrechten)
Inherent vaag Traag (instemming vereist van soevereine staten)
Bijv: soevereiniteit, geweldsverbod, jurisdictie Bijv: mensenrechten, milieurecht, handelsrecht
0.3 Monisme vs. Dualisme vs. Pluralisme
MONISME DUALISME PLURALISME (modern)
1 rechtssysteem 2 aparte rechtsordes Noch monisme noch dualisme
Directe werking int. recht Omzetting vereist door nationale Staten hanteren tussenvormen
wet
Kelsen: Grundnorm Int. recht tussen staten; Pluralisme als feitelijke realiteit
nationaal tussen burgers
Int. recht prevaleert automatisch Transformatie nodig voor Onderscheid achterhaald in
werking praktijk
0.4 Afdwinging — het probleem
Hoe wordt het internationaal recht afgedwongen? Er is geen politie, geen verplichte rechtbank.
Vier mechanismen:
• Self-help: staten nemen zelf tegenmaatregelen, sancties, retorsiemaatregelen
• Reputatie-overwegingen: staten hechten belang aan hun reputatie en nakomen
verplichtingen
• Wederkerigheid: nakoming levert voordelen op lange termijn op
• Institutionele dwang: VN Veiligheidsraad, WTO DSB, EHRM, ICC
Rusland-voorbeeld: Rusland betwiste niet dát het internationaal recht bindt, maar argumenteerde
dat zijn acties er buiten vielen. Daarmee bevestigde het juist het bestaan van het systeem.
,0.5 Kritisch internationaal recht — TWAIL & FtAIL
A. TWAIL — Third World Approaches to International Law
Het internationaal recht weerspiegelt de westerse kapitalistische visie en bevestigt structurele
ongelijkheid. Het is een 'taal van de machtige en dominerende Noord (West)'. Na dekolonisatie
werd één vorm van kolonisatie door een andere vervangen.
• Bias is inherent en moeilijk te zien
• Neoliberalisme wordt opgedrongen via internationaal recht
• BRICS, Shanghai Cooperation Organisation: niet-westerse alternatieven
• Institutionaliseert ongelijkheid over Noord-Zuid as
• Niet omdat TWAIL dit stelt, denken alle derde-wereldlanden zo
B. FtAIL — Feminist Approaches to International Law
Het internationaal recht is patriarchaal en weerspiegelt ideeën en ervaringen vanuit een
mannelijk gezichtspunt. Bias is inherent en moeilijk te zien. We leven midden in het patriarchaat
= 'privilégiëren van mannen in sociale relaties'.
De zes feministische stromingen (volledig):
STROMING KERNSTELLING POSITIE T.A.V. INT. RECHT
Radicaal feminisme Onderwerping van vrouwen is HOPELOOS — geen
systematisch en engagement mogelijk
onontkoombaar. Int. recht
verankert mannelijke
overheersing.
Marxistisch feminisme Kapitalistische productie en MOEILIJK maar mogelijk —
sociale reproductie van vrouwen systeem is door mensen
zijn verbonden. Vrouwen gemaakt
subsidiëren kapitalisten via
reproductiearbeid.
Socialistisch feminisme Niet enkel kapitalisten, maar ook MOEILIJK maar mogelijk
individuele mannen in
huishoudens profiteren van
reproductieve arbeid van
vrouwen.
Liberaal feminisme Int. recht moet 'teruggepakt' POSITIEF — engagement via
worden door vrouwen. Gelijke representatie. Kritiek: negeert
vertegenwoordiging in structurele machtsverschillen
instellingen.
Poststructureel feminisme Int. recht als amalgaam van GENUANCEERD — instellingen
instellingen met veelzijdige zijn complex
visies op gender. Positieve én
negatieve effecten mogelijk.
Intersectioneel feminisme Vrouwen vormen geen Erkent complexiteit: klasse +
homogene groep. gender + ras + ...
Onderdrukking bestaat uit
meerdere machtssystemen
(armoede, geweld, seksualiteit,
enz.).
,Intersectionaliteit (Crenshaw): de achterstelling van mensen bestaat uit meerdere en in elkaar
grijpende machtssystemen. Vrouwen kunnen onder andere slachtoffer zijn van: armoede,
geweld, ontheemding, minderjarigheid, lgbtq-identiteit, migratiestatus, zwangerschap.
Examentip: Niet enkel 'het hof te ver gaat' bij marge appreciatie-discussie (Protocol 15), maar ook
TWAIL en FtAIL als kritiek op het systeem.
0.6 Positief recht vs. rechtvaardigheid
Het internationaal recht is gecreëerd voor stabiliteit (positief recht), niet voor rechtvaardigheid
(natuurrecht). Het ICJ bevestigde dit in South West Africa (1966): 'Het is een gerechtshof en kan
morele principes slechts in overweging nemen voor zover ze voldoende juridische vorm hebben
gekregen.' Maar dit mag geen excuus zijn om niet te streven naar rechtvaardigheid.
,DEEL 1: BRONNEN VAN HET INTERNATIONAAL
RECHT
1.1 Artikel 38(1) IGH-Statuut — het klassieke overzicht
Artikel 38(1) IGH-Statuut somt de bronnen op die het IGH toepast bij geschillenbeslechting. Niet
exhaustief (eenzijdige verklaringen en soft law ontbreken). Maakt onderscheid tussen primaire
(rechtsscheppend) en secundaire (rechtsidentificerend) bronnen.
BRON SOORT KENMERK VOORBEELD
(a) Verdragen PRIMAIR Scheppen nieuw recht; VN-Handvest, EVRM,
enkel bindend voor VCLT
partijen; gebaseerd op
instemming
(b) Gewoonterecht PRIMAIR Twee elementen: Verbod agressie,
statenpraktijk (usus) + geweldsverbod
opinio juris; bindt alle
staten behalve
persistent objector
(c) Algemene PRIMAIR Gap-fillers; alleen als Goede trouw, pacta
rechtsbeginselen verdragen en sunt servanda, res
gewoonterecht geen judicata
antwoord geven;
gemeenschappelijk in
nationale rechts-
systemen
(d) Rechterlijke SECUNDAIR Identificeren bestaand IGH-uitspraken, ILC
beslissingen & doctrine recht; geen Draft Articles
precedentwerking (art.
59 IGH-Statuut); maar
grote gezagswaarde
1.2 Verdragen
Definitie en kenmerken
Een verdrag is een internationale overeenkomst waarbij staten (en/of IO's) verplichtingen under
het internationaal recht aangaan. Het label doet er niet toe: 'verdrag', 'conventie', 'protocol',
'handvest', 'statuut', 'overeenkomst', 'uitwisseling van noten' — alles kan een verdrag zijn. Wat
telt: de intentie om juridisch bindende verplichtingen te scheppen.
SOORT OMSCHRIJVING VOORBEELD
Bilateraal Tussen 2 staten; regelt Belasting-verdrag BE-NL (2001);
specifieke kwestie van Gabčíkovo-verdrag (1977)
wederzijds belang
Multilateraal Tussen meerdere staten; VN-Handvest, EVRM, UNCLOS,
wetgeving-karakter Statuut van Rome
Oprichtingsverdrag Richt een internationale VN-Handvest (art. 25: bindende
organisatie op; instelling kan VR-resoluties), EU-Verdragen
bindende instrumenten
aannemen
, Kaderverdrag (framework) Grote lijnen + organisatorische UNFCCC (1992) + Kyoto +
structuur; details via COP- Parijs
beslissingen
Pacta sunt servanda & Pacta tertiis
Pacta sunt servanda (art. 26 VCLT): verdragen zijn bindend en moeten te goeder trouw worden
nagekomen. Pacta tertiis nec nocent nec prosunt (art. 34 VCLT): verdragen scheppen geen
rechten of plichten voor derde staten zonder hun toestemming. UITZONDERING: als derde
staat een recht aanvaardt (art. 36 VCLT).
Wat is géén verdrag — soft law terminologie
Staten willen soms schriftelijk vastleggen zonder juridisch gebonden te zijn. Aanbevelingen van
het US State Department voor niet-bindende instrumenten (zelfstudie):
GEBRUIK DIT (soft law) VERMIJD DIT (kan verdrag REDEN
worden)
'Participanten' 'Partijen' 'Partijen' wijst op juridisch
bindend verdrag
'Hebben de intentie' 'Komen overeen' 'Overeenkomen' schept
juridische verplichting
'Begint te opereren' 'Treedt in werking' 'Inwerkingtreding' verwijst naar
verdragsrecht
'Zouden moeten' 'Zullen' 'Zullen' kan als verbintenis
worden gelezen
Disclaimer van niet-bindendheid Zonder disclaimer Onduidelijkheid leidt tot binding
1.3 Internationaal gewoonterecht — uitgebreid schema
Twee elementen (cumulatief vereist)
ELEMENT 1: STATENPRAKTIJK (objectief)
INHOUD: Elke daad van de staat kan meetellen: fysieke daden (militaire operaties, inbeslagname),
verbale daden (diplomatieke verklaringen, perscommuniqués, interne wetgeving, resoluties in IO's,
officiële handleidingen). Zelfs tweets kunnen relevant zijn (WTO DSB panel). INTERNE documenten
en memoranda tellen NIET.
VOORWAARDEN:
(a) CONSISTENT: redelijk eenvormig en herhaald. Kleine afwijkingen OK als ze als schendingen
worden behandeld (Nicaragua: 'niet vereist dat volledig consistent'). 'Gesettelde praktijk' (IGH
Jurisdictional Immunities 2012).
(b) DUUR: over het algemeen langdurig, maar minder belangrijk dan consistentie. 'Instant custom' is
mogelijk (9/11: zelfverdediging tegen niet-statelijke actoren werd in één dag als gewoonterecht
geaccepteerd). IGH Chagos: praktijk 'geconsolideerd en geleidelijk bevestigd op termijn'.
(c) ALGEMEENHEID: niet-unanimiteit vereist maar voldoende representatief. Staten met bijzonder
belang zijn het meest relevant (North Sea Continental Shelf: 'wiens belangen bijzonder worden
getroffen'). Bijv. kleine eilandstaten bij zeespiegelstijging.
ELEMENT 2: OPINIO JURIS (subjectief)
INHOUD: Staten moeten geloven dat ze de praktijk volgen OMDAT het juridisch verplicht is, niet louter
uit beleefdheid of politieke opportuniteit.