• Verkeerd document? Gratis ruilen
  • Geschreven door studenten die geslaagd zijn
  • Direct beschikbaar na je betaling
  • Online lezen of als PDF
Verkopen
Kies je studieland
Kies je taal
Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 237 pagina's
Samenvatting

Samenvatting Menselijke Biologie en Genetica | VUB | 2025/26

Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 237 pagina's

Samenvatting van Menselijke biologie en genetica voor de Vrije Universiteit Brussel, met uitgebreide aandacht voor de chemische basis van leven. Het document behandelt alle kernconcepten + heel het boek, genaamd Human Biology van Rudi D'Hooge en Suzanne. Ik haalde een 17 op 20 voor die vak, met enkel deze samenvatting

Voorbeeld van de inhoud

SAMENVATTING MENSELIJKE BIOLOGIE EN GENETICA



H1: Chemie van levende zaken

Chemie: de studie van materie en energie
 Materie is het fysieke deel
 Energie is wat je nodig hebt om het te laten werken
Materie (Matter) (alle materie bestaat uit molecules, die uit
atomen bestaan)
- Alles wat massa heeft en ruimte inneemt
- Samengesteld uit elementen


Elementen
Een fundamentele (zuivere) vorm van materie die niet kan
worden afgebroken tot een eenvoudiger vorm. (Alle
elementen van de periodic table)
- Kan niet worden opgesplitst in een eenvoudigere vorm
- Periodiek systeem van elementen— geeft een
overzicht van alle bekende elementen



Elk element heeft een atomic number  zegt hoeveel protonen er in de nucleus zitten



1. Alle materie bestaat uit elementen

Atoom: kleinste eenheid van een element dat de fysische en chemische eigenschappen van
dat element behoudt.
 Alle materie bestaat uit atomen.
Protonen en neutronen zitten in de kern van het atoom= nucleus. (Uitzondering van H die
geen neutronen heeft en 1 proton)  positieve geladen deeltjes


Elektronen zijn rond de nucleus en zijn constant in beweging (op verschillende schalen), zo
kunnen we hun positief nooit echt weten  smallere negatief geladen deeltjes
 Het aantal protonen elektronen zijn ongeveer hetzelfde (massa)= neutrale atoom

1

,Atomen die meer of minder neutronen hebben dan normaal zijn isotopen  hebben
dezelfde atomic number, maar een andere atomic mass
 Altijd hetzelfde aantal protonen, niet neutronen


Vele isotopen zijn niet stabiel= radio-isotopen  want, ze blijven energie (in radioactieve
vorm) en deeltjes afgeven tot ze een stabiele vorm aannemen
- Deze hebben soms een belangrijke rol in medicatie (Bv. Locatie vinden van
moleculen, kanker) en wetenschap (Bv. Voor te bepalen hoe oud rotsen of fossielen
zijn)




3. Life Depends on Water
Belangrijkste eigenschappen van water:

 Water is een uitstekend oplosmiddel
 Water is vloeibaar bij lichaamstemperatuur
 Water kan warmte-energie absorberen en vasthouden
 Verdamping van water verbruikt warmte-energie
 Water neemt deel aan essentiële chemische reacties


60 percent van het lichaamsgewicht



2

,Water is het biologische oplosmiddel
- Oplosmiddel: vloeistof waarin andere stoffen oplossen (= polaire vloeistof op
lichaamstemperatuur
Dat betekent dat één kant van het molecuul een beetje positief is en de andere kant een
beetje negatief. Dit noemen we een dipool
- Opgeloste stof: elke opgeloste stof


Hydrofiel: polaire moleculen die worden aangetrokken door water
en gemakkelijk interageren met water
Hydrofoob: niet-polaire neutrale moleculen die niet interageren met
of oplossen in water (Bv. Olie)




Figuur 2.7 Hoe water ionen in oplossing houdt. (Zoutkristallen die
loskomen van een de korrel, de negatieve kant van de
watermoleculen richten zich naar Na-moleculen en de positieve
kanten eerder naar de Cl-ionen  watermanteltjes maken het los)




Water is een vloeistof bij lichaamstemperatuur (0 – 100 graden)
Temperatuurrange= want hier is er genoeg warmte-energie om de zwakke H-banden met
watermoleculen te breken en nieuwe banden te maken.
- Onder 0 graden  niet genoeg warmte-energie om banden te breken => ijs
- Boven 100 graden  alle banden gebroken => gas (water vapor)
(Figuur 1.9.)


 Water heeft een belangrijke transportfunctie in het bloed, dat voor 90% uit water
bestaat.
 Water is het hoofdbestanddeel van:
- Intracellulaire ruimten= onze cellen
- Extracellulaire ruimten= tussen onze cellen


OOK vult het de ruimtes die niet bezig zijn met levende cellen (Bv. Urine in blaas, vloeistof
in onze ogen en spijsverteringsstelsel)
Water helpt bij het reguleren van de lichaamstemperatuur


3

, - Water absorbeert en houdt een grote hoeveelheid warmte-energie vast met slechts
een bescheiden temperatuurstijging
- Voorkomt snelle veranderingen in de lichaamstemperatuur
Veranderingen vinden plaats tijdens het metabolisme (genereert warmte)
- Verdampingskoeling stelt het lichaam in staat om snel overtollige warmte te
verliezen (dat gevaarlijk kan zijn)



Warmte verliezen is essentieel voor overleving  bijvoorbeeld door zweten



Water neemt deel aan chemische reacties
 Synthese van koolhydraten, eiwitten en lipiden produceert watermoleculen
 Afbraak van koolhydraten, eiwitten en lipiden verbruikt watermoleculen


Als dit gebeurt zal het elektron van 1 hydrogeen atoom getransporteerd worden naar het
volledig oxygen atoom  het watermolecule zal breken in 2 ionen:
- H+
- OH-
Zuur= is een stof die in water waterstofionen (H⁺) kan afgeven
Base= is een stof die waterstofionen (H⁺) kan opnemen of hydroxide-ionen (OH⁻) vormt
in water



4. Het belang van waterstofionen

= een alleenstaand proton zonder elektron


 Zuren (acids)
Doneren waterstofionen (H+)
Verhogen de waterstofionenconcentratie in oplossingen
 Bases
Waterstofionen accepteren
Verlaag de waterstofionenconcentratie in oplossingen
 pH-schaal (pH Scale)
Een maat voor de waterstofionenconcentratie

4

Inhoudsopgave

  1. 01 H1: Chemie van levende zaken 1
    1. 1. Alle materie bestaat uit elementen 1
    2. 3. Life Depends on Water 2
    3. 4. Het belang van waterstofionen 4
    4. 4.1. Buffers minimaliseren veranderingen in pH 5
    5. 5. Organische moleculen van levende organismen. 5
    6. 5.1. Macromoleculen worden gesynthetiseerd en afgebroken in de cel 6
    7. 6. Koolhydraten (suikers): gebruikt voor energie en structurele ondersteuning 7
    8. 6.1.2. Polysachariden slaan energie op 8
    9. 7. Lipiden (vetten): Onoplosbaar in water ( apolaire moleculen) 8
    10. 7.1.1. Triglyceriden zijn energieopslagmoleculen 8
    11. 7.1.2. Fosfolipiden zijn de primaire component van celmembranen 9
    12. 7.1.3 Steroïden zijn samengesteld uit vier ringen 9
    13. 8. Eiwitten: complexe structuren gemaakt van aminozuren 9
    14. 8.1. Eiwitfunctie afhankelijk van structuur 10
    15. 8.2. Enzymen vergemakkelijken biochemische reacties 12
    16. 9. Nucleïnezuren slaan genetische informatie op 12
    17. 10. ATP draagt energie 14
  2. 02 H2: Structuur en functie van de cel 16
    1. 1. Cellen worden geclassificeerd op basis van hun interne organisatie 16
    2. 2. Cell Structuur afhankelijk van cel functie 16
    3. 2.1. Cellen blijven klein om efficiënt te blijven 17
    4. 2.2. Cellen visualiseren met microscopen 17
    5. 3. Structuur van de cel 17
  3. 03 4. Cellen hebben structuur voor ondersteuning en beweging 20
  4. 04 5. Een plasmamembraan omringt de cel 22
  5. 05 6. Moleculen kruisen het plasmamembraan op verschillende manieren 23
    1. 2. Actief transport vereist energie 24
  6. 06 3. Endocytose en exocytose verplaatsen materialen in bulk 25
    1. Informatie kan worden overgedragen over het plasmamembraan 25
    2. De natrium-kaliumpomp helpt het celvolume op peil te houden 25
    3. Isotone extracellulaire vloeistof handhaaft ook het celvolume 26
  7. 07 7. Cellen gebruiken en transformeren materie en energie 27
    1. 7.1. Glucose voorziet de cel van energie 27
    2. 7.2. Samenvatting van de energieproductie uit glucose 28
    3. Vetten en eiwitten zijn extra energiebronnen 29
    4. Anaerobe paden maken energie beschikbaar zonder zuurstof 29
  8. 08 H3: Van cellen naar orgaansystemen 31
    1. 1. Weefsels: Groepen cellen met een gemeenschappelijke functie 31
    2. 2. Epitheelweefsels 31
    3. Epitheelweefsels zijn opgedeeld volgens cellvorm 32
    4. Het basaalmembraan geeft structurele ondersteuning 32
  9. 09 3. Bindweefsel ondersteunt en connecteert verschillende delen van het lichaam 33
    1. 3.1. Vezelig/fibreus bindweefsel geeft sterkte en flexibiliteit 34
    2. 3.2. Gespecialiseerde bindweefsels dienen speciale functies 35
  10. 10 4. Spierweefsel 36
    1. 4.1. Skeletspierweefsel 36
    2. 4.2. Hartspierweefsel 37
    3. 4.3. Glad spierweefsel 37
  11. 11 5. Zenuwweefsel 37
  12. 12 6. Organen en orgaansystemen voeren complexe functies uit 38
    1. Weefselmembranen omsluiten lichaamsholten 38
    2. Beschrijven van lichaamspositie of richting 39
  13. 13 7. De huid als orgaansysteem 40
    1. 7.1. De huid bestaat uit epidermis en dermis 40
    2. 7.2. Vezels in de dermis zorgen voor stevigheid en elasticiteit 41
  14. 14 H4: Skeletale systeem 43
    1. 1. Skeletale systeem bestaat uit bindweefsel 43
    2. 1.1. Botten zijn de harde elementen van het skelet 44
    3. 1.2. Botten bevatten levende cellen 44
    4. 1.3. Ligamenten houden botten samen 46
    5. 1.4. Kraakbeen zorgt voor ondersteuning 46
    6. 2. Botten ontstaan uit kraakbeen 46
    7. 3. Mature botten ondergaan hermoderlering en herstel 47
    8. 3.1. Botten veranderen in vorm, lengte en sterkte 48
    9. 3.2. Botcellen zijn gereguleerd door hormonen. 48
    10. 4. Botten passen in elkaar om het skelet te vormen 49
    11. De schedel: craniale en faciale botten 49
    12. Het tongbeen 50
    13. De wervelkolom 51
    14. Ribben en borstbeen: beschermen de skeletholte 51
    15. Het appendiculair skelet 52
  15. 15 5. Gewrichten vormen connecties tussen botten 53
    1. Ligamenten, pezen en spieren versterken en stabiliseren gewrichten 54
    2. 6. Ziekten en aandoeningen van het skelet systeem 55
  16. 16 H5: Het spierstelsel 56
    1. 1. Spieren brengen beweging voort of genereren spanning 57
    2. 1.1. De fundamentele activiteit van spieren is contractie 57
    3. 1.2. Skeletspieren zorgen ervoor dat botten kunnen bewegen 57
    4. 1.3. Een spier bestaat uit vele spiercellen 58
    5. 1.4. De contractiele eenheid is een sacromeer 59
  17. 17 2. Individuele spiercellen trekken samen en ontspannen 59
    1. 2.1. Zenuwen activeren skeletspieren 59
    2. 2.2. Door activering komt calcium vrij 60
    3. 2.3. Calcium start het schuifmechanisme 60
    4. 2.4. Wanneer zenuwactivatie eindigt, eindigt contractie 61
    5. 2.5. Spieren hebben energie nodig om aan contractie te doen en te ontspannen 62
    6. 2.6. Produceren en opslaan van energie in spieren 62
  18. 18 3. Spieren variëren in beweging, kracht en uithoudingsvermogen 63
    1. 3.1. De mate van zenuwactivatie beïnvloedt de kracht 63
  19. 19 Hart- en gladde spieren hebben speciale kenmerken 64
    1. 4.1. Activatie van hart en gladde spieren 64
    2. 4.2. Opstelling van mysosine- en actinefilamenten 65
    3. 4.3. Snelheid en duur van spiercontractie 66
  20. 20 5. Ziekten en aandoeningen van het spierstelsel 66
  21. 21 H6: Hart en de bloedvaten 67
    1. 1. De compositie en functies van het bloed 68
    2. 1.1. Plasma bestaat uit water en opgeloste stoffen 69
    3. 1.2. Rode bloedcellen transporteren zuurstof en koolstofdioxide 70
    4. 1.3. Hematocriet en hemoglobine geven het zuurstoftransportvermogen weer. 71
    5. 1.4. Alle bloedcellen en bloedplaatjes komen origineel van stamcellen 72
    6. 1.5. RBC’s hebben een kort leven 72
    7. 1.6. RBC-productie is gereguleerd door een hormoon 73
    8. 1.7. Witte bloedcellen beschermen het lichaam 73
    9. Granulaire en agranulaire witte bloedcellen 74
    10. 1.8. Bloedplaatjes zijn noodzakelijk voor bloedstolling 75
  22. 22 2. Homeostase: stoppen van bloedverlies 75
    1. 2.1. Vasculaire spasmen vernauwen bloedvaten om bloedstroom te verminderen 76
    2. 2.2. Bloedplaatjes kleven aan elkaar om een gescheurd bloedvat te dichten 76
    3. 2.3. Bloedstolsel vormt zich rond de bloedplaatjesprop 76
  23. 23 3. Menselijke bloedgroepen 77
    1. 3.1. ABO bloedtypering is gebaseerd op A- en B-antigenen 78
    2. 3.2. Rh bloedtypering is gebaseerd op de Rh-factor 79
    3. 3.3. Bloedtypering en cross-matching zorgen voor bloedcompatibiliteit 79
    4. 3.4. Nieuwe testen hebben bloedtransfusies veel veiliger gemaakt. 80
  24. 24 4. Bloedvervangers 80
  25. 25 5. Bloedaandoeningen 81
    1. 5.1. Mononucleose: besmettelijke virale infectie van lymfocyten 82
    2. 5.2. Bloedvergiftiging: bacteriële infectie van het bloed 82
    3. 5.3. Bloedarmoede: vermindering van zuurstofdragende capaciteit van het bloed 82
    4. 5.4. Leukemie: ongecontroleerde aanmaak van WBC’s 83
    5. 5.5. Multipel myeloom: ongecontroleerde aanmaak van plasmacellen 83
    6. 5.6. Trombocytopenie: vermindering van het aantal bloedplaatjes 84
  26. 26 H7: hart en bloedvaten 85
  27. 27 1. Bloedvaten transporteren bloed 85
    1. 1.1. Slagaders transporteren bloed weg van het hart 85
    2. 1.2. Arteriolen precapillaire sfincters spelen een rol in de bloedstroom 86
    3. 1.3. Haarvaten: waar bloed stoffen uitwisselt met de weefsels 87
    4. 1.4. Het lymfestelsel helpt het bloedvolume in balans te houden. 87
    5. 1.5. Aders vervoeren bloed terug naar het hart 88
    6. Skeletspieren knijpen aders samen 89
    7. Kleppen laten bloed maar in één richting stromen 89
    8. Drukverschillen die ontstaan tijdens het ademhalen duwen het bloed naar het hart 89
  28. 28 2. Het hart pompt bloed door de bloedvaten 89
    1. 2.1. Het hart is vooral een spier 90
    2. 2.2. Het hart heeft vier kamers en vier kleppen 90
    3. 2.3. Patroon van de bloedstroom door het cardiovasculaire systeem 91
    4. 2.4. Slagaders en aders van het menselijk lichaam 92
    5. 2.5. De hartcyclus: het hart trekt samen en ontspant 93
    6. 2.6. Hartgeluiden als gevolg van sluitende kleppen 94
    7. 2.7. Cardiaal geleidingssysteem coördineert contractie 95
    8. 2.8. Elektrocardiogram registreert elektrische activiteit van het hart 96
  29. 29 3. Bloed oefent druk uit op de vaatwanden 97
    1. 3.1. Bloeddruk meten 97
    2. 3.2. Hypertensie: hoge bloeddruk kan gevaarlijk zijn 98
    3. 3.3. Hypotensie: te lage bloeddruk 98
  30. 30 4. Regulatie van het cardiovasculaire system 98
    1. 4.1. Baroreceptoren handhaven arteriële bloeddruk 99
    2. 4.2. Lokale noden bepalen de lokale bloedstroom 100
    3. 4.3. Inspanning: toegenomen bloedstroom en cardiale output 100
  31. 31 5. Cardiovasculaire aandoeningen: een belangrijk gezondheidsprobleem 101
  32. 32 6. Een falend hart vervangen 102
  33. 33 7. Risico op hart- en vaatziekten verminderen 103
  34. 34 H8: het immuunsysteem en afweermechanismen 103
  35. 35 1. Pathogenen veroorzaken ziekten 104
    1. 1.1. Levende organismen 104
    2. 1.2. Niet-levende besmettelijke deeltjes 104
    3. 1.3. Overdraagbaarheid, wijze van overdracht en virulentie bepalen gezondheidsrisico 105
  36. 36 2. Het lymfestelsel verdedigt het lichaam 105
    1. 2.1. Lymfevaten transporten lymf 106
    2. 2.2. Lymfeklieren reinigen de lymfe 107
    3. 2.3. De milt reinigt het bloed 107
    4. 2.4. Thymusklierhormonen zorgen ervoor dat T-lymfocyten rijpen 108
    5. 2.5. Amandelen beschermen de keel 108
  37. 37 3. Pathogenen buiten houden: de eerste verdedigingslinie 108
    1. 3.1. Huid als belangrijkste barrière 109
    2. 3.2. Bescherming bij beschadiging van de huid 109
    3. 3.3. Mucus en andere lichaamsopeningen 109
    4. 3.4. Zuren in het lichaam 109
    5. 3.5. Uitscheidingssystemen als verdediging 110
  38. 38 4. Niet-specifieke afweermechanismen: de tweede verdedigingslinie 110
    1. 4.1. Complementsysteem helpt andere afweermechanismen 110
    2. 4.2. Fagocyten slokken vreemde cellen op 111
    3. 4.3. Ontsteking: roodheid, warmte, zwelling en pijn 112
    4. 4.4. NK-cellen richten zich op tumoren en door virus geïnfecteerde cellen 113
    5. 4.5. Interferonen verstoren virale reproductie 113
    6. 4.6. Koorts verhoogt de lichaamstemperatuur 114
  39. 39 5. Specifieke afweermechanismen: de derde verdedigingslinie 114
    1. 5.1. Het immuunsysteem richt zich op antigenen 114
    2. 5.2. Lymfocyten staan centraal in specifieke verdedigingen 115
    3. 5.3. B-cellen: antilichaam-gemedieerde immuniteit 115
    4. 5.4. De vijf klassen van antilichamen 116
    5. 5.5. Antilichamen hebben een structuur die helpt om te binden met een specifiek antigeen 117
    6. 5.6. T-cellen: cel-gemedieerde immuniteit 118
  40. 40 6. Het immuungeheugen creëert immuniteit 120
  41. 41 7. Medische hulp in de strijd tegen pathogenen 121
    1. 7.1. Immunisatie 121
    2. 7.2. Monoklonale antilichamen 121
    3. 7.3. Antibiotica bestrijdt bacteriën 122
  42. 42 8. Weefselafstoting: een medische uitdaging 123
  43. 43 9. Ongepaste activiteit van het immuunsysteem veroorzaakt problemen 123
    1. 9.1. Allergieën: een hypersensitief immuunsysteem 123
    2. 9.2. Auto-immuunziekten: het niet herkennen van lichaamseigen weefsel 124
  44. 44 10. Immuundeficiëntie: AIDS 125
    1. 10.1. HIV richt zich op helper T-cellen van het immuunsysteem 125
    2. 10.2. AIDS ontwikkelt zich langzaam 126
    3. 10.3. AIDS-epidemie: een wereldwijd probleem 126
    4. 10.4. HIV te vermijden 127
    5. 10.5. Nieuwe behandelingen 127
  45. 45 H9: het ademhalingsstelsel 128
  46. 46 1. Ademhaling vindt plaats in het hele lichaam 129
  47. 47 2. Ademhalingssysteem bestaat uit bovenste en onderste luchtwegen 129
    1. 2.1. Bovenste luchtwegen filteren, verwarmen en bevochtigen lucht 129
    2. 2.2. Onderste luchtwegen wisselen gassen uit 130
  48. 48 3. Ademhalingsproces omvat een drukgradiënt 133
    1. 3.1. Inademing brengt lucht binnen, uitademing blaast lucht buiten 133
    2. 3.2. Longvolumes en vitale capaciteit meten de longfunctie 134
  49. 49 4. Gasuitwisseling en transport zijn passieve processen 135
    1. 4.1. Gassen verspreiden zich naargelang hun partiële druk 135
    2. 4.2. Externe ademhaling: uitwisseling van gassen tussen lucht en bloed 135
    3. 4.3. Interne ademhaling: uitwisseling van gassen met weefselvloeistoffen 136
    4. 4.5. Meeste CO2 wordt in plasma getransporteerd als bicarbonaat 138
  50. 50 5. Het zenuwstelsel reguleert de ademhaling 138
    1. 5.1. Een ademhalingscentrum brengt ademhalingsritme tot stand 138
    2. 5.2. Chemische receptoren monitoren CO2, H+ en O2 niveaus 139
    3. 5.3. Bepaalde mate van bewuste controle is mogelijk 139
  51. 51 6. Aandoeningen van het ademhalingssysteem 140
    1. 6.1. Verminderde luchtstroom/ gasuitwisseling 140
    2. 6.2. Micro-organismen kunnen ademhalingsstoornissen veroorzaken 140
    3. 6.3. Longkanker wordt veroorzaakt door proliferatie van abnormale cellen 141
    4. 6.4. Blootstelling aan asbest kan leiden tot mesothelioom 142
    5. 6.4. Pneumothorax en atelectase: een storing in gasuitwisseling 142
    6. 6.5. Congestief hartfalen tast longfuncties aan 142
  52. 52 H10: het endocriene systeem 143
  53. 53 1. Het endocriene systeem produceert hormonen 143
  54. 54 2. Hormonen kunnen steroïde en niet-steroïde zijn 144
    1. 2.1. Steroïde hormonen dringen doelcellen binnen 144
    2. 2.2 Niet-steroïde hormonen binden zich aan receptoren op doelcelmembranen 145
    3. 2.3. Sommige hormonen nemen deel aan negatieve feedbackloops 145
  55. 55 3. De hypothalamus en de hypofyse 146
    1. 3.1. De achterste hypofyse slaat ADH en oxytocine op 146
    2. 3.2. De voorste hypofyse produceert zes belangrijke hormonen 148
    3. 3.3. Hypofyse stoornissen: hypersecretie en hyposecretie 149
  56. 56 4. Pancreas scheidt glucagon, insuline en somatostatine af 150
  57. 57 5. Bijnieren (adrenale klieren) bestaan uit cortex en medulla 150
  58. 58 6. Schildklier (thyroïde) en bijschildklieren (parathyroïden) 152
    1. 6.1. Schildklier: thyroxine versnelt het cellulair metabolisme 152
    2. 6.2. Bijschildklierhormoon PTH regelt het calciumgehalte in het bloed 153
  59. 59 7. Testikels en eierstokken produceren geslachtshormonen 154
    1. 7.1 Teelballen (testikels) produceren testosteron 154
    2. 7.2 Eierstokken (ovaria) – oestrogeen en progesteron 154
  60. 60 8. Andere klieren en organen scheiden ook hormonen af 155
    1. 8.1. Thymusklierhormonen ondersteunen het immuunsysteem 155
    2. 8.2. Pijnappelklier scheidt melatonine af 155
    3. 8.3. Overzicht: hormonen van endocriene klieren excl. hypothalamus en hypofyse 155
    4. 8.4. Endocriene functies van het hart, het spijsverteringsstelsen en de nieren 156
  61. 61 9. Andere chemische boodschappers 157
  62. 62 10. Aandoeningen van het endocriene systeem 157
    1. 10.1 Diabetes mellitus 157
    2. 10.2 Schildklieraandoeningen 158
    3. 10.3 Bijnieraandoeningen 158
    4. 10.4 Hypogonadisme 159
  63. 63 H11: het spijsverteringstelsel en voeding 160
  64. 64 1. Het spijsverteringsstelsel brengt voedingsstoffen in het lichaam 160
    1. 1.1. De wanden van het maagdarmkanaal bestaan uit vier lagen 160
    2. 1.2. Vijf basisprocessen voltooien de werking van het spijsverteringsstelsel 160
    3. 1.2. Twee soorten motiliteit helpen bij de spijsvertering 161
  65. 65 2. De mond verwerkt voedsel voor het doorslikken 161
    1. 2.1. Tanden bijten en kauwen voedsel 161
    2. 2.2. Tong plaatst en proeft voedsel 162
    3. 2.3. Speeksel start het verteringsproces 162
  66. 66 3. Keelholte en slokdarm brengen voedsel naar de maag 163
  67. 67 4. Maag slaat voedsel op, verteert eiwitten en reguleert levering 164
    1. 4.1. Maagsap breekt eiwitten af 164
    2. 4.2. Maagcontracties mengen voedsel en duwen het naar voor 164
  68. 68 5. De dunne darm verteert voedsel, en absorbeert voedingsstoffen en water 165
  69. 69 6. Hulporganen voor spijsvertering en absorptie 166
    1. 6.1. De pancreas scheidt enzymen en NaHCO3 af 166
    2. 6.2. De lever produceert gal en vervult andere functies 166
  70. 70 7. De dikke darm absorbeert voedingsstoffen en verwijdert afvalstoffen 167
  71. 71 8. Hoe voedingsstoffen worden opgenomen 168
    1. 8.1. Proteïnen en koolhydraten worden verteerd en daarna geabsorbeerd 168
    2. 8.2. Lipiden worden afgebroken en weer opgebouwd 168
    3. 8.3. Water wordt geabsorbeerd door osmose 169
    4. 8.4. Vitaminen en mineralen worden op verschillende manieren opgenomen 169
  72. 72 9. Zenuwen en hormonen reguleren de spijsvertering 169
  73. 73 10. Voeding: je bent wat je eet 170
    1. 10.1. Koolhydraten: een belangrijke energiebron 170
    2. 10.2 Lipiden: essentiële celbestanddelen en energiebronnen 170
    3. 10.3. Complete eiwitten bevatten alle aminozuren 171
    4. 10.4. Vitaminen zijn essentieel voor normaal functioneren 171
    5. 10.5. Mineralen: essentiële elementen voor lichaamsprocessen 171
    6. 10.6. Vezels zijn goed voor de dikke darm 172
  74. 74 11. Energiebalans 172
    1. 11.1. Energiebalans, lichaamsgewicht en fysieke activiteit 172
    2. 11.2. Gezond gewicht verbetert algehele gezondheid 172
    3. 11.3. Obesitas 173
  75. 75 12. Eetstoornissen 173
  76. 76 13. Aandoeningen aan het spijsverteringsstelsel 174
    1. 13.1. Aandoeningen aan de spijsverteringsorganen 174
    2. 13.2. Aandoeningen aan hulporganen 174
  77. 77 H12: het urinewegstelsel 175
  78. 78 1. Het urinewegstelsel reguleert lichaamsvloeistoffen 175
    1. 1.1. Nieren reguleren het waterpeil 175
    2. 1.2. Nieren reguleren stikstofhoudende afvalstoffen en andere opgeloste stoffen 175
  79. 79 2. Organen van het urinewegstelsel 176
    1. 2.1. Nieren zijn het primaire orgaan 176
    2. 2.2. Urineleiders transporteren urine naar blaas 176
    3. 2.3. Urineblaas slaat urine op 177
  80. 80 3. Interne structuur van een nier 177
    1. 3.1. Speciale bloedvaten voeden de tubulus 177
  81. 81 4. Vorming van urine: filtratie, reabsorptie en secretie 178
    1. 4.1 Glomerulaire filtratie filtert vloeistof uit haarvaatjes 178
    2. 4.2. Tubulaire reabsorptie brengt gefilterd water en opgeloste stoffen terug naar bloed 179
    3. 4.3. Tubulaire secretie verwijdert andere stoffen uit het bloed 181
  82. 82 5. Productie van verdunde of geconcentreerde urine 181
    1. 5.1. Productie van verdunde urine: uitscheiding van overtollig water 181
    2. 5.2. Productie van geconcentreerde urine: behoud van water 182
  83. 83 6. Urineren hangt af van een reflex 183
  84. 84 7. Nieren handhaven homeostase op vele manieren 183
    1. 7.1. ADH reguleert de waterbalans 183
    2. 7.2. Aldosteron reguleert de zoutbalans 184
    3. 7.3. Renine-angiotensinesysteem reguleert bloedvolume en bloeddruk 184
    4. 7.4. Atriaal natriuretisch hormoon beschermt tegen te veel bloedvolume 185
    5. 7.5. Nieren helpen zuur-base evenwicht en pH van bloed te handhaven 186
    6. 7.6. Erytropoëtine stimuleert productie van RBC’s 186
    7. 7.7. Nieren activeren vitamine D 187
  85. 85 8. Aandoeningen aan het urinewegstelsel 187
    1. 8.1. Veelvoorkomende aandoeningen 187
    2. 8.2. Dialyse zuivert bloed kunstmatig 188
    3. 8.3. Niertransplantaties zijn een permanente oplossing voor nierfalen 188
    4. 8.4. Urine-incontinentie is een verlies van controle over de blaas 188
  86. 86 H13: het voortplantingsstelsel 189
  87. 87 1. Mannelijk voortplantingsstelsel levert sperma 189
    1. 1.1. Testikels produceren sperma 189
    2. 1.2. Hulpklieren helpen sperma overleven 189
    3. 1.3. Voor spermaproductie zijn meerde celdelingen nodig 190
    4. 1.4. Testosteron beïnvloedt mannelijke voortplantingscapaciteit 191
  88. 88 2. Vrouwelijk voortplantingsstelsel produceert eicellen en ondersteunt zwangerschap 192
    1. 2.1. Eierstokken geven eicellen vrij en scheiden hormonen af 192
    2. 2.2. Baarmoeder voedt het zich ontwikkelende embryo 193
    3. 2.3. Vagina: geslachtsorgaan en geboortekanaal 193
    4. 2.4. Borstklieren voeden de zuigeling 194
  89. 89 3. Menstruatiecyclus bestaat uit eierstok- en baarmoedercyclus 194
    1. 3.1 Eierstokcyclus: oöcyten rijpen en komen vrij 195
    2. 3.2. Baarmoedercyclus bereidt baarmoeder voor op zwangerschap 196
    3. 3.3. Cyclische veranderingen in hormoonspiegels veroorzaken menstruatiecyclus 196
  90. 90 4. Menselijke seksuele respons, geslachtsgemeenschap en bevruchting 197
  91. 91 4. Anticonceptie: vruchtbaarheidscontrole 197
    1. 5.1. Chirurgische sterilisatie 198
    2. 5.2. Hormonale methoden 198
    3. 5.3. Andere anticonceptiemethoden 198
    4. 5.4. Toekomst van anticonceptie 199
  92. 92 6. Onvruchtbaarheid: onvermogen om zwanger te worden 199
    1. 6.1. Onvruchtbaarheid kan veel oorzaken hebben 199
    2. 6.2. Bevorderen van vruchtbaarheid 200
  93. 93 7. Seksueel overdraagbare aandoeningen 200
    1. 7.1. Bacteriële SOA’s 200
    2. 7.2. Virale SOA’s 201
    3. 7.3. Andere SOA’s 202
    4. 7.4 Voorkomen van SOA’s 202
  94. 94 H15: kanker 203
  95. 95 1. Tumoren kunnen goedaardig of kwaadaardig zijn 203
  96. 96 2. Kankercellen ondergaan structurele en functionele veranderingen 203
    1. 2.1. Patroon van veranderingen dat leidt tot gebrek aan controle 204
    2. 2.2. Stadia van kanker 204
  97. 97 3. Factoren die bijdragen tot de ontwikkeling van kanker 205
    1. 3.1. Gemuteerde proto-onco-, tumor suppressor- en mutatorgenen dragen bij tot kanker 205
    2. 3.2. Verschillende factoren kunnen leiden tot kanker 205
    3. 3.3. Immuunsysteem speelt belangrijke rol bij kankerpreventie 206
  98. 98 4. Vooruitgang in diagnose maakt vroegtijdige opsporing mogelijk 207
  99. 99 5. Behandelingen van kanker 207
    1. 5.1. Conventionele behandelingen (vaak combinatie) 207
    2. 5.2. Magnetisme en fotodynamische therapie richten zich op kwaadaardige cellen 208
    3. 5.3. Immunotherapie bevordert de immuunrespons 208
    4. 5.4. Kanker ‘uithongeren’ door angiogenese te remmen 208
    5. 5.5. Moleculaire behandelingen richten zich op defecte genen 209
  100. 100 6. De tien dodelijkste kankers 209
  101. 101 7. Andere opmerkelijke kankers 210
    1. 7.1. Nierkanker 210
    2. 7.2. Huidkanker 210
    3. 7.3. Eierstokkanker 211
    4. 7.4. Teelbalkanker 211
  102. 102 8. De meeste kankers kunnen voorkomen worden 211
  103. 103 H16: genetica en erfelijkheid 212
  104. 104 1. Genotype is genetische basis voor fenotype 212
  105. 105 2. Genetische overerving volgt bepaalde patronen 213
    1. 2.1. Punnett vierkant analyse voorspelt patronen van overerving 213
    2. 2.2. Mendel stelde de basisprincipes van genetica vast 213
    3. 2.3. Dominante allelen komen tot expressie boven recessieve 213
    4. 2.4. Twee-trekkruisingen: onafhankelijk assortiment genen voor verschillende eigenschappen 214
  106. 106 3. Onvolledige dominantie en co-dominantie 215
    1. 3.1. Onvolledige dominantie: heterozygoten hebben een tussenliggend fenotype 215
    2. 3.2. Co-dominantie: beide genproducten komen gelijkmatig tot uiting 215
  107. 107 4. Andere factoren die erfelijkheidspatronen en fenotype beïnvloeden 217
    1. 4.1. Polygene overerving: fenotype wordt beïnvloed door vele genen 217
    2. 4.2. Zowel het genotype als de omgeving beïnvloeden het fentotype 217
    3. 4.3. Gekoppelde allelen kunnen al da niet samen overerven 218
  108. 108 5. Geslachtsgebonden overerving 218
    1. 5.1. Geslachtsgebonden overerving hangt af van genen op geslachtschromosomen 219
    2. 5.2. Geslachtsgenen hebben invloed op geslachtsgebonden eigenschappen 220
  109. 109 6. Veranderingen in het aantal of de structuur van chromosomen 220
    1. 6.1. Syndroom van Down: drie kopieën van chromosoom 21 221
    2. 6.2. Veranderingen in aantal geslachtschromosomen 221
    3. 6.3. Deleties en translocaties veranderen de structuur van een chromosoom 222
  110. 110 7. Erfelijke aandoeningen waarbij recessieve allelen betrokken zijn 222
    1. 7.1. Fenylketonurie wordt veroorzaakt door een ontbrekend enzym 223
    2. 7.2. Tay-Sachs ziekte leidt tot hersendisfunctie 223
    3. 7.3. Ziekte van Huntington wordt veroorzaakt door een dominant-dodelijk allel 223
  111. 111 8. Genen coderen voor eiwitten, niet voor specifieke gedragingen 224
  112. 112 H17: ontwikkeling, rijping, veroudering en dood 225
  113. 113 1. Bevruchting begint als zaad- en eicel zich verenigen – eindigt met vorming zygote (diploïde cel) 225
    1. 1.1. De reis van eicel en zaadcel 225
    2. 1.2. Één zaadcel bevrucht de eicel 225
    3. 1.3. Tweelingen kunnen twee- of één-eiig zijn 226
  114. 114 2. Het ontwikkelingsproces: splitsing, groei, differentiatie en morfogenese 227
  115. 115 3. Pre-embryonale ontwikkeling: eerste twee weken 227
  116. 116 4. Embryonale ontwikkeling: weken drie tot acht 228
    1. 4.1. Weefsels en organen ontstaan uit drie kiemlagen 228
    2. 4.2. Extra-embryonale membranen 229
    3. 4.3. De placenta en de navelstreng 229
    4. 4.4. Het embryo ontwikkelt zich snel 230
  117. 117 5. Geslachtsontwikkeling 231
  118. 118 6. Foetale ontwikkeling: negen weken tot geboorte 232
  119. 119 7. Geboorte en vroege postnatale periode 232
    1. 7.1. Bevalling eindigt in geboorte 232
    2. 7.2. Keizersnede: chirurgische bevalling 233
    3. 7.3. Transitie van foetus naar pasgeborene 233
    4. 7.4. Lactatie produceert melk om pasgeborene te voeden 234
  120. 120 8. Maturatie: van geboorte tot volwassenheid 235
  121. 121 9. Veroudering 235
    1. 9.1. Wat veroorzaakt veroudering? 236
    2. 9.2. Lichaamssystemen verouderen op een verschillend tempo 236
  122. 122 10. Dood 237

Documentinformatie

Studie
Geüpload op
21 mei 2026
Aantal pagina's
237
Geschreven in
2025/2026
Type
Samenvatting
€7,06

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Verkocht
10
Volgers
0
Items
10
Laatst verkocht
1 week geleden

Echte notities, van echte studenten
Elk document op Stuvia is geschreven door een medestudent die hetzelfde vak deed. Zo leer je van iemand die het al heeft gehaald.



Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen