Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 57 pagina's
Samenvatting

Samenvatting Oefenvragen Boek & Brightspace voor Tentamen (100% slagen) Cognitie en Kunstmatige Intelligentie - PB3302

Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 57 pagina's

Oefenvragen voor cursus PB3302 Cognitie en Kunstmatige Intelligentie. 57 paginas. Netjes gesorteerd per thema en leerdoel. In voordeelbundel tevens volledige samenvatting en begrippenlijst. Met deze 3 documenten heb je het boek en brightspace niet meer nodig.

Voorbeeld van de inhoud

Cognitie en Kunstmatige Intelligentie — Studietaak 1: Oefenvragen
Studietaak 1: Cognitivisme, Machinefunctionalisme en de Turing-test



Leerdoel 1: Factoren die bijdroegen aan de opkomst van het cognitivisme
Vraag 1. Beschrijf de drie factoren die volgens Clark bijdroegen aan de opkomst van het
cognitivisme en verklaar waarom elk van deze factoren relevant was voor de ontwikkeling
van het cognitivistische denken.
Modelantwoord
De drie factoren zijn:
(1) Formele logica — toonde aan dat syntactische manipulaties semantische relaties
respecteren zonder dat het systeem betekenis “begrijpt.” Dit opende het idee dat de
hersenen zoals formele systemen werken.

(2) Turingmachine (Turing 1936) — formaliseerde berekenbaarheid met een
eenvoudig mechanisch model dat abstract kan redeneren. Dit maakte aannemelijk dat
hersenen als berekeningsapparaten werken.

(3) Digitale computers (von Neumann jaren ’40) — realiseerden formele systemen
fysiek en lieten zien dat machines automatisch intelligente taken kunnen uitvoeren.
Dit versterkte de analogie: hersenen = hardware, gedachten = software.

Elk droeg bij doordat het het idee plausibel maakte dat intelligentie niet iets mystisch is,
maar computationeel geïmplementeerd kan worden.



Leerdoel 2: De vier eigenschappen en tekortkomingen van het
machinefunctionalisme
Vraag 2. Machinefunctionalisme stelt dat mentale toestanden “functionele toestanden”
zijn. Wat betekent dit precies, en hoe verschilt dit van dualisme en reductief materialisme?
Modelantwoord
Wat betekent “functionele toestand”: Een mentale toestand wordt gedefinieerd door
haar causale rol — hoe zij sensorische input en interne toestanden verbindt met
gedragsmatige output — niet door de fysieke materie waaruit zij is samengesteld. Dit is als
software: dezelfde code kan op verschillende hardware draaien.

,Verschil met dualisme: Dualisme stelt dat geest aparte, niet-fysieke substantie is.
Machinefunctionalisme is fysicalistisch: mentale toestanden zijn fysiek afhankelijk, maar
definieerbaar op computationeel niveau.
Verschil met reductief materialisme: Reductief materialisme stelt dat mentale toestand
X identiek is aan hersentoestand Y. Dit maakt meervoudige realiseerbaarheid onmogelijk.
Machinefunctionalisme is non-reductief: dezelfde mentale toestand (bijvoorbeeld pijn) kan
in verschillende neurale configuraties gerealiseerd worden.


Vraag 3. Verklaar het begrip “meervoudige realiseerbaarheid” en waarom dit concept
cruciaal is voor kunstmatige intelligentie.
Modelantwoord
Meervoudige realiseerbaarheid betekent dat dezelfde mentale functie (bijv. pijn, angst,
probleemoplossing) in verschillende fysieke substraten kan worden gerealiseerd:
menselijke hersenen, dierenhersenen, of zelfs silicium-computers.
Dit is cruciaal voor AI omdat het suggereert dat intelligentie niet gebonden is aan
biologische materie. Als dezelfde cognitieve functies op verschillende soorten hardware
kunnen draaien, dan kunnen we in principe kunstmatige intelligentie creëren in niet-
biologische systemen.
De analogie: een computer-programma kan op verschillende machines (Mac, Windows,
Linux) draaien. Op dezelfde manier kan een cognitief proces dat in menselijke hersenen
werkt, theoretisch ook in computers gerealiseerd worden — zolang de abstracte
computationele organisatie hetzelfde is.


Vraag 4. Geef twee concrete beperkingen van machinefunctionalisme en leg uit waarom
deze problemen stellen voor het idee dat computers bewust kunnen zijn.
Modelantwoord
Beperking 1: Mimicry versus werkelijk begrip Het is onduidelijk of een
computersysteem werkelijk intelligent is of slechts oppervlakkig gedrag imiteert. Systemen
als PARRY kunnen gestoorde tekst produceren zonder enig begrip van psychologie. Dit
toont aan dat functionele organisatie alleen wellicht niet voldoende is voor intelligentie.
Beperking 2: Bewustzijn en qualia Machinefunctionalisme impliceert dat als de
computationele functie correct is, er bewustzijn zou zijn. Maar kan een silicium-chip
werkelijk pijn voelen, de kleur rood ervaren? Searles Chinese Room suggereert dat
syntactische symboolmanipulatie niet voldoende is voor bewustzijn — misschien is de
specifieke biologische materie nodig.
Dit problematiseert machinefunctionalisme: het kan niet verklaren waarom bewustzijn zou
optreden bij bepaalde computationele organisaties.

,Leerdoel 3: Het sense-plan-act model omschrijven en relateren aan het
cognitivisme
Vraag 5. Vergelijk het sense-plan-act model met de klassieke cognitivistische opvatting van
cognitie. Welke vier aannames van het cognitivisme worden in dit model gereflecteerd?
Modelantwoord
Het sense-plan-act model weerspiegelt vier cognitivistische aannames:
(1) Cognitie als intern computationeel proces — cognitie vindt plaats tussen input en
output, niet zichtbaar in gedrag zelf.

(2) Scheiding cognitie-wereld — er is een kloof tussen interne representatie en externe
werkelijkheid; perceptie en actie zijn aparte fasen.

(3) Rationele planning — intelligentie is probleemoplossend en doelgericht; het systeem
plant vooruit.

(4) Centrale representaties — de robot bouwt een centrale, interne representatie op
waarop ze redeneert voordat zij handelt.

Deze aannames zijn karakteristiek cognitivistisch: ze zien cognitie als
informatieverwerkingsproces centraal in het systeem.


Vraag 6. Beschrijf in detail hoe de drie fasen van het sense-plan-act model (sense, plan, act)
werken, en leg uit hoe feedback hier een rol speelt.
Modelantwoord
Fase 1 — Sense (waarnemen): De robot verzamelt informatie via sensoren. Dit creëert
een interne representatie van de omgeving — waar objecten zijn, waar de robot zelf is.
Fase 2 — Plan (plannen): Op basis van deze representatie doorzoekt de robot mogelijke
actiereeksen en selecteert die welke het best tot het doel leidt. Dit is het centrale
verwerkingsproces.
Fase 3 — Act (handelen): Het plan wordt uitgevoerd. Motoren draaien, grijpers
manipuleren.
Feedback: Als de actie wordt uitgevoerd, verandert de omgeving en neemt de robot
nieuwe sensorische input waar. Dit voert terug naar Sense. Als het plan niet werkt (bijv.
een obstakel), genereert feedback een correctie: de robot ziet het verschil tussen
verwachting (plan) en werkelijkheid (feedback) en kan aanpassen.
Dit cyclische proces maakt het model robuust: fouten worden in real-time gecorrigeerd.

, Leerdoel 4: De aard en beperkingen van de Turing-test
Vraag 7. De Turing-test is een klassiek voorstel voor het bepalen van machine-intelligentie.
Bespreek drie beperkingen van deze test en leg uit waarom deze beperkingen
problematisch zijn voor het bepalen van werkelijke intelligentie.
Modelantwoord
Beperking 1: Test taalvaardigheid, niet begrip GPT-4 kan de test doorstaan door
statistische patronen te genereren, niet door inhoud te begrijpen. Een machine kan
oppervlakkige taalvaardigheid hebben zonder werkelijk begrip. Dit is een onvoldoende
criterium voor intelligentie.
Beperking 2: Te smal — alleen verbale intelligentie Menselijke intelligentie is
multidimensionaal: visueel, motorisch, creatief, common sense. De test ignoreert deze. Een
zeer intelligente visuele waarnemer zou kunnen mislukken omdat hij slecht kan typen.
Beperking 3: Gevoelig voor trucs en mimicry Systemen als PARRY kunnen de test
doorstaan met trefwoord-scanning en standaard-uitbarstingen zonder enig begrip. De test
beloont oppervlakkige nabootsing, niet werkelijke intelligentie. Dit confundeert
modellering met mimicry.
Verdere kritiek: De test zegt niets over bewustzijn, is antropocentrisch, en moderne LLMs
kunnen ervan profiteren van trainingsdata-contaminatie.


Vraag 8. Searle betoogt in zijn Chinese Room gedachte-experiment dat
machinefunctionalisme niet kan verklaren hoe machines werkelijk “begrip” hebben.
Beschrijf het experiment en verklaar waarom Searle denkt dat syntactische
symboolmanipulatie niet voldoende is voor semantisch begrip.
Modelantwoord
Het Chinese Room experiment: Een persoon zit in een kamer met een boek vol regels
voor het manipuleren van Chinese symbolen. Door deze regels te volgen, produceert hij
reacties op binnenkomende Chinese vragen die perfect begripvol lijken voor
buitenstaanders. Toch begrijpt de persoon geen Chinees — hij volgt alleen syntactische
regels.
Searles punt: Dit toont aan dat syntactische symboolmanipulatie (wat computers doen)
niet voldoende is voor semantisch begrip. Machinefunctionalisme identificeert cognitie met
abstracte computationele organisatie, maar dit mist iets essentieels: intentionaliteit en
begrip.
Searle suggereert dat bewustzijn en begrip kunnen afhangen van de specifieke biologische
materie (brein), niet alleen van abstracte computationele organisatie. Dit is de crux:

Inhoudsopgave

  1. 01 Cognitie en Kunstmatige Intelligentie — Studietaak 1: Oefenvragen 1
    1. Leerdoel 1: Factoren die bijdroegen aan de opkomst van het cognitivisme 1
    2. Leerdoel 2: De vier eigenschappen en tekortkomingen van het machinefunctionalisme 1
    3. Leerdoel 3: Het sense-plan-act model omschrijven en relateren aan het cognitivisme 3
    4. Leerdoel 4: De aard en beperkingen van de Turing-test 4
  2. 02 Cognitie en Kunstmatige Intelligentie — Studietaak 2: Oefenvragen 5
    1. Leerdoel 1: De Physical Symbol System Hypothesis (PSSH) begrijpen en toepassen 5
    2. Leerdoel 2: GOFAI-systemen beschrijven en hun beperkingen analyseren 6
    3. Leerdoel 3: Het frameprobleem en cognitive wheels (Dennett, 1984) 6
    4. Leerdoel 4: De Chinese Kamer en de kritiek op Strong AI (Searle, 1980) 7
    5. Leerdoel 5: Bredere kritiek op GOFAI — Dreyfus en evolutionaire psychologie 8
  3. 03 Cognitie en Kunstmatige Intelligentie — Studietaak 3: Oefenvragen 8
    1. Leerdoel 1: Folk Psychology & het Desire-Belief-Action model 8
    2. Leerdoel 2: Propositionele Attitudes & Intentionaliteit 9
    3. Leerdoel 3: Fodor, de Churchlands en Dennett — drie posities op folk psychology 9
    4. Leerdoel 4: Scattered causation en ungrounded causation 10
    5. Leerdoel 5: Antropomorfisme versus Intentional Stance 10
    6. Leerdoel 3 (vervolg) 11
  4. 04 Cognitie en Kunstmatige Intelligentie — Studietaak 4: Oefenvragen 11
    1. Leerdoel 1: Werking en beperkingen van het Rosenblatt-perceptron uitleggen 12
    2. Leerdoel 2: Belangrijkste eigenschappen van ANNs uitleggen (graceful degradation, pattern completion, gedistribueerde representatie, superpositional coding) 12
    3. Leerdoel 3: Biologische en psychologische plausibiliteit van ANNs beoordelen 14
    4. Leerdoel 4: Verschillen tussen GOFAI en ANNs benoemen 14
  5. 05 Cognitie en Kunstmatige Intelligentie — Studietaak 5: Perceptual Control Theory (PCT): Oefenvragen 17
    1. Leerdoel 1: De belangrijkste begrippen uit de PCT (controle, conflict, reorganisatie) uitleggen 17
    2. Leerdoel 2: Controle van perceptie uitleggen aan de hand van homeostatische systemen 18
    3. Leerdoel 3: Alledaagse voorbeelden van gecontroleerde variabelen en verstoringen 18
    4. Leerdoel 4: Het verschil tussen PCT, het S-R model en de cognitieve theorie 19
    5. Leerdoel 5: PCT en psychopathologie — controle van perceptie als verklaringskader 19
  6. 06 Cognitie en Kunstmatige Intelligentie — Studietaak 6: Oefenvragen 20
    1. Leerdoel 1: Marrs drie analyseniveaus en de relatie tot het sense-plan-act-model 20
    2. Leerdoel 2: Neurowetenschappelijk bewijs tegen het SMPA-model 21
    3. Leerdoel 3: Wat is een subsumptiearchitectuur en hoe is het een alternatief voor SMPA? 22
    4. Leerdoel 4: Bottom-up (Brooks) vs. top-down (GOFAI) — contrast 23
  7. 07 Cognitie en Kunstmatige Intelligentie — Studietaak 7: Oefenvragen 25
    1. Leerdoel 1: Bottom-up vs. top-down benaderingen in AI en cognitiewetenschappen 25
    2. Leerdoel 2: Zelforganisatie — definitie, mechanismen en voorbeelden 26
    3. Leerdoel 3: Emergentie en stigmergetische routines 26
    4. Leerdoel 4: Soft robotics en morfologische computatie 27
    5. Leerdoel 5: Brein-lichaam-omgevingsinteracties en adaptief gedrag 28
    6. Leerdoel 6: Sterktes en beperkingen van ALife voor complexe cognitie 28
    7. Leerdoel 7: Inzichten uit ALife toegepast op menselijke cognitie 29
  8. 08 Cognitie en Kunstmatige Intelligentie — Studietaak 8: Oefenvragen 30
    1. Leerdoel 1: Focus van het onderzoek naar mens-robotinteractie 30
    2. Leerdoel 2: Disciplines in HRI en barrières voor samenwerking 30
    3. Leerdoel 3: Geschiedenis van HRI 31
    4. Leerdoel 4: Factoren bij het ontwerpen van robots — morfologie en affordances 31
    5. Leerdoel 5: Ontwerpprincipes in HRI 31
    6. Leerdoel 6 & 7: Antropomorfisme — definitie, rol in HRI en de Uncanny Valley 32
    7. Leerdoel 8: Drie factoren die antropomorfisme bepalen (Epley et al., 2007) 32
    8. Leerdoel 9: Meten van antropomorfisme 33
    9. Leerdoel 10: Link tussen antropomorfisme en eerdere thema’s (Dennetts intentional stance) 33
    10. Leerdoel 11: HRI vs. HCI vs. Mens-AI-interactie — overeenkomsten en verschillen 34
  9. 09 Cognitie en Kunstmatige Intelligentie — Studietaak 9: Oefenvragen 34
    1. Leerdoel 1: Hoe werk verandert door technologische innovaties en de consequenties voor psychologische basisbehoeften en motivatie 34
    2. Leerdoel 2: De rol van onzekerheid en interdependentie in relatie tot nieuwe technologieën 34
    3. Leerdoel 3: Voorbeelden van werk dat beïnvloed wordt door technologische vernieuwingen 35
    4. Leerdoel 4: De rol van ZDT bij het ontwerpen en implementeren van nieuwe technologieën 36
    5. Leerdoel 5: Link tussen ZDT en eerdere thema’s (gesitueerde/belichaamde cognitie) 37
  10. 10 Cognitie en Kunstmatige Intelligentie — Studietaak 10: Oefenvragen 37
    1. Leerdoel 1: De begrippen virtual reality, presence en immersion uitleggen 37
    2. Leerdoel 2: De verbanden tussen presence, immersion en emotionele reacties onder woorden brengen 38
    3. Leerdoel 3: De voordelen van VR voor onderzoek naar perceptie en emotie uitleggen 38
    4. Leerdoel 4: Factoren benoemen die van invloed zijn op de emotionele respons in VR 39
    5. Leerdoel 5: Perceptieconcepten toepassen op het ontwerpen van een virtuele omgeving 40
    6. Leerdoel 6: De voordelen van VR voor mensen met mentale klachten uitleggen 40
    7. Leerdoel 7: VR koppelen aan theorieën uit eerdere thema’s 41
  11. 11 Cognitie en Kunstmatige Intelligentie — Studietaak 11: Oefenvragen 41
    1. Leerdoel 1: Basisbegrippen van de Dynamische Systeemtheorie (DST) 42
    2. Leerdoel 2: De Dynamische Systeemhypothese van Cognitie 42
    3. Leerdoel 3: DST Toegepast op Ontwikkelingspsychologie 43
    4. Leerdoel 4: Complexiteitstheorie van Psychopathologie (Olthof et al., 2023) 43
  12. 12 Cognitie en Kunstmatige Intelligentie — Studietaak 12: Oefenvragen 47
    1. Leerdoel 1: Extended Mind en Scaffolding — hoe externe hulpmiddelen cognitie uitbreiden 47
    2. Leerdoel 2: Effecten van intensief internetgebruik op aandacht, geheugen en sociale cognitie 48
    3. Leerdoel 3: Effecten van smartphones op aandacht, geheugen en uitstel van beloning 49
    4. Leerdoel 4: Wilsons zes claims over belichaamde cognitie — samenvatting en evaluatie 49
    5. Leerdoel 5 (synthetisch): Clark versus Firth/Wilmer — verzoening van positieve en negatieve visies 50
    6. Aanvullende oefenvragen 50
  13. 13 Cognitie en Kunstmatige Intelligentie — Studietaak 13: Oefenvragen 53
    1. Leerdoel 1: Kernprincipes en kernbegrippen van predictive processing, inclusief hierarchical predictive processing 53
    2. Leerdoel 2: De regel van Bayes als computationele beschrijving van voorspellingen 54
    3. Leerdoel 3: Integratie van perceptie, actie en cognitie binnen één raamwerk 55
    4. Leerdoel 4: Predictive processing toegepast op autisme (HIPPEA) 55
    5. Leerdoel 5: Vergelijking predictive processing met andere benaderingen 56
    6. Leerdoel 6: Problemen en tekortkomingen van predictive processing 56

Gekoppeld boek
 image
Andy Clark Mindware
Uitgever: 09 januari 2014 ISBN: 9780199828159 Druk: 2

Documentinformatie

Heel boek samengevat?
Ja
Geüpload op
17 mei 2026
Aantal pagina's
57
Geschreven in
2025/2026
Type
Samenvatting
€6,96

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
florisb2
1,0
(2)
Verkocht
48
Volgers
0
Items
7
Laatst verkocht
1 maand geleden


Echte notities, van echte studenten
Elk document op Stuvia is geschreven door een medestudent die hetzelfde vak deed. Zo leer je van iemand die het al heeft gehaald.



Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen