1. De atmosfeer:
atmosfeer: verzameling gassen die geosfeer bedekt
→ 100.000 km hoog reiken
→ deze gassen hebben massa, door zwaartekracht blijven ze bij de aarde
→ essentiel ontstaan leven op aarde (zonder dit, geen leven)
→ via wisselwerking heeft leven gezorgd hoe atmosfeer nu is
samenstelling atmosfeer: N2, O2 = dominante bestanddelen, + Ar + kleine gassen
gassen in lage % (CO2, CH4, 03, N2O) -> grote invloed temp via broeikaseffect
H2O neemt 2 a 5% vh volume in (telt niet mee als samenstelling van atmosfeer, want
varieert)
N2: 78 02: 21 Ar: 0,93 CO2: 0,04
heterosfeer: ligt boven homosfeer, snelheid diffusie hoog -> zware moleculen in hogere
concentratie = laag gelegen, lichtere moleculen in hogere concentraties = hoger
homosfeer: 99% tot massa van atmosfeer, onderste 100 km, gassen door stromingen en
bewegingen gemengd, ong gelijke samenstelling
lagen van de atmosfeer:
zie notities in boek P6 -> temp en hoogtes KE
2. Factoren die temp beïnvloeden
A: invalshoek zonnestralen:
grote invalshoek vd straling → bestraalde opp klein → hoge temp
kleine invalshoek vd straling → bestraalde opp groot → lage temp
1. breedteligging: (+zie schets cursus)
- hoe verder van eclipticavlak (bij polen) hoe kleiner invalshoek zonnestralen →
invalshoek neemt af van evenaar naar polen → bij evenaar warm, bij polen koud →
stralen over groot opp bij polen
dus: kleine invalshoek = grote bestraalde opp = kouder
- kleine invalshoek → afstand die straling aflegt in atmosfeer neemt toe → straling
verstrooit → weerkaatst straling die kortere afstand aflegt → minder E aan aardopp
2. lokaal reliëf:
- helling in Z: straling grote invalshoek → bestraalde opp kleiner → warmer
- helling in N: vb: skipistes liggen in N zodat minder zon op is (andersom)
3. tijd:
start zomer: invalshoek straling grootste → bestraalde opp kleinst → warm
start winter: andersom
tijdstip doorheen dag zie boek notities
, B: hoogteligging:
troposfeer → meeste zonnestralen geabsorbeerd door aardopp = lagere temp
adiabatische expansie: lage druk op hoge hoogte → steeds minder atmosfeer op hoge
hoogte → lucht uitzetten → temp dalen (door arbeid)
droge lucht = daalt temp 1°C per 100 m
vochtige lucht = daalt temp 0,6°C per 100 m
C: water:
voor water ++ E/massa nodig om temp verhoging en verlaging te realiseren
maritiem klimaat: gebieden veel water tijdens zomer minder snel hoge temp en in winter
minder snel lage temp (temp afnemen/toenemen duurt langer)
continentaal klimaat: gebieden ver van water tijdens zomer snel toenemen van temp en
tijdens winter snel afnemen van temp
1. zeestromen:
oceaan/zee continu in beweging, gevolgen:
- wind
- coriolis-effect (draaien aarde rond eigen as)
- verschil in temp
- verschil in zoutgehalte
zeestromen van polen naar evenaar stromen verlagen onderweg temp
zeestromen van evenaar naar polen verhogen temp
zomer (koude zeestroom)
winter (warme zeestroom)
D: luchtbewegingen en luchtsoorten:
belgië komt lucht uit zuidwesten
arctische lucht (rechtstreeks polen) aarde koelt af
tropische lucht (tropen = evenaar) aarde warmt op
1. wolken:
wolken weerkaatsen stralingen waardoor energiestromen van en naar aardopp verward zijn
bewolking: minder E aan aardopp = lage temp (overdag inkomende zonnestraling) = koud
(s nachts uitgaande aardse straling) bewolking zorgt dan dat straling niet naar atmosfeer kan
→ temp aan aardopp hoger
- tijdens winter wolken = warmer (door lage inkomende straling)
- tijdens winter zon = kouder
E: eigenschappen ondergrond:
veel vegetatie → kleinere tempschommelingen
planten doen aan fotosynthese waardoor overdag minder snel opwarming is, s nachts blijft
warmte gevangen onder bladeren
in stad (verharding) grote tempschommelingen
stedelijke hitte eilanden: voertuigen, gebouwen, afleiding van wind door gebouwen met
lage warmte zorgen voor hogere temp
zandbodem grotere temp schommelingen dan klei