Stappenplannen belangrijke leerstukken Goederenrecht 2024
Week 1
Beperkt recht onder voorbehoud artikel 3:81 lid 1 BW (stil pandrecht)
Stap 1: Het is mogelijk om eigendom over te dragen onder voorbehoud van een beperkt
recht. Dit kan op grond van artikel 3:81 lid 1 BW, mits hij/ zij de voorschriften zowel
voor overdracht van een zodanig goed, als voor vestiging van een zodanig beperkt recht
in acht neemt. Toets dit in de casus!
Stap 2: Op een datum vestigt iemand door middel van voorbehoud een beperkt recht op
het eigendomsrecht van de roerende zaken, niet registergoederen. Met andere woorden,
die goederen worden overdragen, daar is al een beperkt recht op voorbehouden. Dit
beperkte recht wordt dan gevestigd op grond van artikel 3:81 lid 1 BW jo artikel 3:98 BW
jo. artikel 3:84 lid 1 BW jo. artikel 3:237 lid 1 BW. Toets dit in casu!
Stap 3: Het gevolg van deze geldige overdracht, is dat een derde het eigendomsrecht
van de goederen verkrijgt dat bezwaard is met een stil pandrecht ten behoeve van een
eerdere pandhouder. De vervreemder wordt na de levering van de goederen (beperkt)
beschikkingsbevoegd om deze opnieuw met een beperkt recht te bezwaren ten behoeve
van iemand anders. Toets in casu!
Stap 4: Toets dan wie het eerste een beperkt recht verkrijgt. Hiervoor moet je kijken
naar het Nemo-plus beginsel. Vanwege de toepassing van de Nemo plus-regel verkrijgt
de eerste beperkt gerechtigde een beperkt recht en is de tweede, tweede in rang.
Stap 5: Concludeer
Terugwerkende kracht van vernietiging
Stap 1: Voor overdracht kijken we naar artikel 3:84 lid 1 BW. Hieruit blijkt dat sprake
moet zijn van een geldige titel, een geldige levering en beschikkingsbevoegdheid.
Stap 2: Er is geen geldige titel in geval van nietigheid of na vernietiging. Immers
vernietiging heeft terugwerkende kracht (zie artikel 3:53 lid 1 BW). Hierdoor is, met
terugwerkende kracht, de geldige titel in de zin van artikel 3:84 lid 1 BW aan de
overdracht komen te ontvallen. Het Nederlandse goederenrecht kent een causaal stelsel,
waardoor de titel (de causa) geldig moet zijn om van een geldige overdracht te kunnen
spreken.
Stap 3: Derhalve is de oorspronkelijke eigenaar achteraf gezien eigenaar gebleven van
een goed. Toets in casu of hiervan sprake van is!
Stap 4: Concludeer dan ook dat de vervreemder eigenaar is gebleven nu er nooit een
geldige overdracht heeft plaatsgevonden.
Week 2
Natrekking roerende zaken
Stap 1: Stel vast dat sprake is van het leerstuk van natrekking van roerende zaken.
Stap 2: Hiervoor zal worden gekeken naar artikel 5:3 jo. artikel 5:14 lid 1 BW. Uit artikel
5:3 BW volgt dat de eigenaar van een zaak in beginsel eigenaar is van al haar
bestanddelen.
Stap 3: Wat is een bestanddeel? Zie artikel 3:4 BW!
Stap 4: Allereerst kijken naar lid 2, te weten het beschadigingscriterium. Lid 1 en lid 2
zijn alternatief! Stap 5: HR Glencore II: alleen fysieke schade is hier relevant.
Gaat lid 2 niet op? Dan kijken naar lid 1!
Stap 6: Kijken naar artikel 3:4 lid 1 BW; bestanddeel volgens de verkeersopvatting. De
verkeersopvattingen worden ingevuld in het Dépex/ Curatoren Bergel-arrest van de Hoge
Raad.
I. Allereerst kan worden gekeken naar het ‘afstemmingscriterium’ waarbij de vraag
rijst of zaken constructief op elkaar zijn afgestemd.
II. Daarnaast moet het compleetheidscriterium worden getoetst. Hieruit kan worden
opgemaakt dat indien de zaak zonder het aspirant-bestanddeel als onvoltooid
,Docent: Santiago Varela Dieguez
moet worden beschouwd, er volgens de verkeersopvattingen sprake is van een
zaak. Bijvoorbeeld: is het zo dat een fiets zonder een zadel als incompleet kan
worden gezien? Weldegelijk! In dit geval wordt dan ook aan dit criterium voldaan.
NB: deze twee voorwaarden, die uit HR Dépex/ Curatoren Bergel komen zijn alternatief.
Stap 7: Vastgesteld of sprake is van een bestanddeel? Dan dient te worden gekeken naar
artikel 5:14 lid 1 jo. lid 3 BW. Immers, op grond van artikel 5:14 lid 1 BW dat de
eigendom van een roerende zaak die bestanddeel wordt van een andere roerende zaak
die als hoofdzaak is aan te merken, overgaat aan de eigenaar van de hoofdzaak.
Stap 8: Wat als hoofdzaak wordt aangemerkt, blijkt uit artikel 5:14 lid 3 BW; namelijk de
zaak waarvan de waarde die van de andere zaak aanmerkelijk overtreft of die volgens
verkeersopvatting als zodanig wordt beschouwd. Pas toe in casu! Indien geen
hoofdzaak is aan te wijzen, moet worden gekeken naar artikel 5:14 lid 2 BW!
Stap 9: Lid 2: de eigenaren van de roerende zaken die elkaar natrekken, worden mede-
eigenaren van de nieuwe zaak. (Bijvoorbeeld: een zadel wordt bestanddeel van de fiets.
Echter, ze zijn net zoveel waard doordat het een duur zadel is, dan zullen de eigenaar
van de fiets en de eigenaar van de zadel samen eigenaar worden van de fiets met de
zadel.)
Stap 10: Concludeer wie eigenaar is geworden op grond van welk lid van artikel 5:14
BW!
Natrekking met de grond verenigde gebouwen 5:20 lid 1 onder e BW
Stap 1: Geef aan dat artikel 5:20 regels bevat omtrent de eigendom. Uit dit artikel blijkt
dat eigenaar van de grond ook eigenaar is van de bovengrond (onder a), de aardlagen
(onder b), het grondwater (onder c), het water dat zich op de grond bevindt (onder d),
gebouwen en werken die duurzaam met de grond verenigd zijn (onder e) en de met de
grond verenigde beplantingen (onder f).
Stap 2: Lid 1 sub e van dit artikel stelt dat werken en gebouwen die duurzaam met de
grond zijn verenigd ook vallen onder eigendom van de grond, ditzelfde vereist van
duurzame vereniging is terug te zien artikel 3:3 BW betreffende onroerende zaken.
Stap 3: Stel vast dat in het Portacabin arrest maatstaven zijn gehanteerd teneinde de
vraag te beantwoorden of een gebouw bestemd is om duurzaam ter plaatste te blijven en
derhalve onroerend is.
Stap 4: Wanneer is een gebouw of werk duurzaam met de grond verenigd?
I. doordat het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te
blijven. Hierbij is het elementair dat wordt gelet op de bedoeling van de bouwer/
opdrachtgever voor zover deze naar buiten kenbaar is.
II. NB: de HR voegt daaraan toe dat de technische mogelijkheid om het gebouw te
verplaatsen niet van belang is.
Eigenlijke Vermenging roerende zaken ex artikel 5:15 BW
Stap 1: Stel dat vermenging is geregeld in artikel 5:15 BW. Geef aan dat hieruit blijkt dat
sprake is van vermenging indien roerende zaken die aan verschillende eigenaars
toebehoren, door vermenging tot één zaak verenigd worden. Geef ook aan dat in dat
geval artikel 5:14 BW moet worden bezien.
Stap 2: Toets of sprake is van eigenlijke of oneigenlijke vermenging.
I. In het geval van eigenlijke vermenging van goederen ontstaat er een nieuwe
zaak; de ouden verliezen hun eigen identiteit. (Denk aan een glas cola en een
glas bacardi die worden samengegoten waardoor er een baco ontstaat; een nieuw
recht waardoor de oude rechten identiteit verliezen.)
II. In het geval van oneigenlijke vermenging houden oude zaken identiteit maar deze
zijn niet meer van elkaar te onderscheiden zijn. Met andere woorden, bij
oneigenlijke vermenging geraken zaken bij elkaar; zijn nog wel van elkaar te
onderscheiden
Stap 3: Indien sprake is van vermenging, toets dan aan artikel 5:14 lid 1 jo. lid 3 BW.
, Docent: Santiago Varela Dieguez
Lid 1 stelt dat de eigenaar van een roerende zaak die als hoofdzaak is aan te merken,
eigenaar wordt van de andere roerende zaak. Lid 3 expliciteert wanneer sprake is van
een hoofdzaak; namelijk ingeval een zaak een andere zaak in waarde overtreft. (Stel dat
je die baco hebt die voor 2/3 wordt gevormd door de cola en voor 1/3 door de bacardi,
dan is de cola als hoofdzaak aan te merken en dus is de eigenaar van de cola, eigenaar
van de bacardi. Geen hoofdzaak? Dan stap 4!
Stap 4: Indien er geen hoofdzaak is, kijken we naar artikel 5:14 lid 2 BW, dan worden de
eigenaren van de roerende zaken die vermengd zijn, mede-eigenaar van de nieuwe zaak.
(stel dat er ½ cola en ½ bacardi in een glas wordt gegoten en er een baco ontstaat, dan
is er geen hoofdzaak en worden de eigenaren van de cola respectievelijk van de bacardi
mede-eigenaren van de baco.
Stap 5: Concludeer wie eigenaar is geworden door vermenging.
Eigenlijke/Oneigenlijke vermenging en bewijsvermoedens
Stap1: Stel vast dat vermenging is geregeld in artikel 5:15 BW. Geef aan dat hieruit
blijkt dat sprake is van vermenging indien roerende zaken die aan verschillende
eigenaars toebehoren, door vermenging tot één zaak verenigd worden. Geef ook aan dat
in dat geval artikel 5:14 BW moet worden bezien.
Stap 2: Toets of sprake is van eigenlijke of oneigenlijke vermenging.
I. In het geval van eigenlijke vermenging van goederen ontstaat er een nieuwe
zaak; de ouden verliezen hun eigen identiteit. (Denk aan een glas cola en een
glas bacardi die worden samengegoten waardoor er een baco ontstaat; een nieuw
recht waardoor de oude rechten identiteit verliezen.)
II. In het geval van oneigenlijke vermenging houden oude zaken identiteit maar deze
zijn niet meer van elkaar te onderscheiden zijn. Met andere woorden, bij
oneigenlijke vermenging geraken zaken bij elkaar; zijn nog wel van elkaar te
onderscheiden (Denk aan het samenkomen van grondstoffen die toebehoren aan
verschillende eigenaren waarna deze grondstoffen samen een blok aluminium
worden, HR Zeeland/ Aluminium Company).
Stap 3: Constateer dat oneigenlijke vermenging ervoor zorgt dat zaken bij elkaar komen
en ze meer individualiseerbaar zijn. (Denk aan witte geiten op een stuk grond die
allemaal zelfstandig zijn maar niet van elkaar te onderscheiden zijn.)
Stap 4: Constateer dat dit problematisch is nu individualiseerbaarheid vereist is voor
eigendom, zo blijkt ook uit arrest HR Teixeira de Mattos. Immers, op grond van dit arrest
overwoog de HR dat voor revindicatie van eigendom identificeerbaarheid vereist is. Met
andere woorden, op het moment dat je jouw goed bij iemand wilt revindiceren op grond
van artikel 5:2 BW, dien je te bewijzen dat je de eigenaar bent.
Stap 5: Indien je dus niet kunt identificeren als eigenaar, moet worden gekeken wie dan
de eigenaar wordt van die goederen. Welnu, in dit verband formuleerde de HR in Teixeira
de Mattos de bewijsvermoedens zoals deze nu ook in artikel 3:109 jo artikel 3:119 lid 1
BW zijn vastgelegd.
Stap 6: Hieruit blijkt dat degene die het goed onder zich houdt nu op grond van
wettelijke vermoedens vaak de eigendom verkrijgt. Immers, art. 3:109 BW geeft aan dat
degene die een goed houdt, wordt vermoed dit voor zichzelf te houden (en daarmee
bezitter te zijn, zie art. 3:107 lid 1). Art. 3:119 BW omschrijft de legitimerende functie
van bezit: de bezitter van een goed wordt vermoed rechthebbende te zijn.
Stap 7: Stel vast dat als gevolg van deze bewijsvermoedens, de houder van de
goederen de facto worden gezien als eigenaar. De jure blijkt de oorspronkelijke
eigenaar de eigenaar, maar aangezien deze niet kan individualiseren is het instellen
van revindicatie op grond van artikel 5:2 BW niet mogelijk (wederom Teixeira de
Mattos). Met als gevolg dat de houder van de goederen die niet individualiseerbaar zijn,
vermoed wordt rechthebbende te zijn van die goederen. Feitelijk gezien verliest de
juridische eigenaar hierdoor dus zijn eigendom.
Stap 8: Concludeer
Zaaksvorming ex. artikel 5:16 BW
Stap 1: Stel dat zaaksvorming is geregeld in artikel 5:16 BW.