psychopathologie (H11-25)
(4e druk)
Uitgebreide samenvatting PB3102-252622B klinische psychologie 1b
Open Universiteit 2025/2026
Bo van der Zee
,Dit document bevat:
• Uitgebreide samenvatting: deel 3 van het tekstboek Klinische psychologie:
psychopathologie (inclusief de boxen en afbeeldingen) → H11-25
• Belangrijk: ik heb de samenvattingen gemaakt o.b.v. de leerdoelen van mijn opleiding
aan de Open Universiteit, het kan zijn dat je andere leerdoelen hebt of andere tentamen
stof moet volgen.
, Inhoudsopgave
Studietaak 1 neurobiologische ontwikkelingsstoornissen ...................................................................... 4
Studietaak 2 schizofreniespectrum en andere psychotische stoornissen .................................................15
Studietaak 3 depressieve- en bipolaire-stemmingsstoornissen ..............................................................29
Studietaak 4 angststoornissen .........................................................................................................42
Studietaak 5 Obsessieve-compulsieve stoornissen .............................................................................51
Studietaak 6 trauma- en stressor gerelateerde stoornissen...................................................................62
Studietaak 7 dissociatieve stoornissen ..............................................................................................71
Studietaak 8 Somatisch-symptoomstoornis........................................................................................84
Studietaak 9 eetstoornissen ............................................................................................................96
Studietaak 10 slaap- en waakstoornissen......................................................................................... 103
Studietaak 11 seksuele stoornissen................................................................................................. 114
Studietaak 12 disruptieve, impulsbeheersings- en gedragsstoornissen ................................................. 136
Studietaak 13 middelgerelateerde en verslavingsstoornissen.............................................................. 145
Studietaak 14 neurocognitieve stoornissen ...................................................................................... 157
Studietaak 15 persoonlijkheidsstoornissen ...................................................................................... 167
, Studietaak 1 neurobiologische ontwikkelingsstoornissen
Leerdoelen:
Na het bestuderen van deze studietaak ben je in staat om
• het klinisch beeld van ASS en ADHD te schetsen
• onderzoeksbevindingen over de epidemiologie van ASS en ADHD weer te geven
• risicofactoren voor ASS en ADHD en verklaringsmodellen voor ADHD te beschrijven
• cultuur- en genderverschillen in het vóórkomen van ASS aan te geven
• comorboditeit en differentiële diagnostiek van ASS en ADHD weer te geven
• de gebruikte diagnostische methoden voor ASS en ADHD toe te lichten
• diverse interventies en behandelingen voor ASS en ADHD en de resultaten die ermee worden behaald
weer te geven
• in een casus de verschillende neurobiologische ontwikkelingsstoornissen te herkennen en te benoemen.
Psychopathologie = de wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen, beschrijven en verklaren van
psychische stoornissen en afwijkingen in het gedrag, denken, voelen en beleven van mensen.
Hoofdstuk 11 neurobiologische ontwikkelingsstoornissen bij
volwassenen
• Neurobiologische ontwikkelingsstoornissen ontstaan bij volwassenen vaak vroeg in de ontwikkeling,
meestal vóór het zesde levensjaar.
o Worden gekenmerkt door afwijkingen in de neurobiologische ontwikkeling, wat leidt tot beperkingen
in persoonlijk, sociaal, academisch of werk gerelateerd functioneren.
• Volgens de DSM-5-TR (APA, 2022) behoren hiertoe:
o Verstandelijke beperking
o Communicatiestoornissen
o Autismespectrumstoornis (ASS)
o Aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis (ADHD)
o Specifieke leerstoornis
o Motorische stoornissen
• Hoewel vaak beschreven bij kinderen, komt de focus in dit boek te liggen op volwassenen met ASS en
ADHD.
• ASS en ADHD kunnen lang onopgemerkt blijven en worden soms pas op volwassen leeftijd
gediagnosticeerd.
• In het hoofdstuk worden besproken:
o Klinisch beeld
o Epidemiologie
o Theoretische visies
o Cultuur en gender
o Comorbiditeit
o Diagnostiek en behandeling
Openingscasus 11.1 – Rika (40 jaar)
• Rika meldt zich bij de ggz vanwege overbelasting, rigiditeit en dwangmatig gedrag.
• Heeft twee kinderen; opvoeding kost veel energie door overgevoeligheid voor prikkels (zoals geluid).
• Sociale contacten kosten veel energie:
o Begrijpt anderen niet goed.
o Weet niet goed hoe ze gesprekken moet voeren.
o Voert gesprekken op een beredeneerde manier.
o Inhoudelijke gesprekken gaan beter dan sociale gesprekken.
• Als kind al moeite met sociale contacten en beperkte behoefte aan vriendschappen.
,• Beperkt empathisch vermogen; moeite met aanvoelen en troosten van haar kinderen.
• Sterke behoefte aan routines; moeite met veranderingen.
• Intense interesses (zoals koken), waarin ze zich kan verliezen — ook met financiële consequenties.
• Diagnose: autismespectrumstoornis (ASS).
11.1 Autismespectrumstoornis (ASS)
11.1.1 Klinisch beeld
Autismespectrumstoornis (ASS) = neurobiologische ontwikkelingsstoornis.
• Kernkenmerken:
o Tekortkomingen (deficiënties) in sociale communicatie en sociale interactie.
o Aanwezigheid van beperkte, repetitieve gedragspatronen, interesses of activiteiten.
• Komt vaak voor bij mensen met gemiddelde of hoge intelligentie; intelligentie kan symptomen verhullen.
• Ook een sterk sociaal steunsysteem kan bijdragen aan late herkenning.
Twee kerndomeinen volgens DSM-5-TR
1. Deficiënties in sociale communicatie en interactie
(alle drie criteria moeten aanwezig zijn)
a. Deficiënties in sociale wederkerigheid
o Moeite om spontaan contact te leggen of gedachten/gevoelens te delen.
o Gesprekken verlopen stroef, vaak eentonig of “mechanisch”.
o Moeite om beurtgedrag in gesprekken te begrijpen (“wanneer is het mijn beurt?”).
o Weinig of geen gedeelde emoties; lijkt afstandelijk of ongeïnteresseerd.
b. Deficiënties in non-verbale communicatie
o Onvoldoende gebruik of verkeerd interpreteren van oogcontact, mimiek en gebaren.
o Oogcontact kan te intens of juist te vermijdend zijn.
o Gebaren worden verkeerd ingezet of niet begrepen.
o Lichaamstaal en toon van stem sluiten vaak niet aan bij de situatie.
c. Deficiënties in ontwikkelen, onderhouden en begrijpen van relaties
o Moeite om vriendschappen te vormen of te onderhouden.
o Onvermogen om gedrag aan te passen aan sociale context (formeel/informeel).
o Weinig begrip van sociale normen en verwachtingen.
o In de kindertijd vaak gebrek aan fantasiespel of symbolisch spel.
- Specifiek bij vrouwen: Vaak wel sociale contacten, maar deze kosten veel energie.
2. Beperkte, repetitieve gedragspatronen, interesses of activiteiten
(Minstens twee criteria moeten aanwezig zijn)
a. Niet-functionele stereotiepe bewegingen, gedragingen of spraak
o Herhalen van woorden of zinnen.
o Ritmische bewegingen (wiegen, tikken, fladderen).
o Herhaald gedrag dat geen duidelijke functie heeft.
b. Moeite met veranderingen, routines en rituelen
o Hevige onrust bij veranderingen in dagindeling of omgeving.
o Sterke behoefte aan voorspelbaarheid, vaste patronen.
o Moeite met flexibel omgaan met onverwachte gebeurtenissen.
c. Beperkte, gefixeerde interesses
o Intensieve focus op specifieke onderwerpen (bijv. treinen, koken, dieren, cijfers).
o Interesses zijn vaak zeer diepgaand maar smal.
o Activiteiten kunnen buitensporig veel tijd, geld of energie kosten.
d. Hyper- of hyporeactiviteit op zintuiglijke prikkels
o Overgevoeligheid voor geluid, licht, aanraking, geur of temperatuur.
, o Onder gevoeligheid: merkt pijn, kou of honger niet goed op.
o Moeite met herkennen van lichaamssignalen → risico op over- of ondergewicht.
• Diagnosecriteria (DSM-5-TR)
o Tekorten in alle drie sociale domeinen.
1. beperkingen in sociaalemotionele wederkerigheid
2. beperkingen in de non-verbale communicatie
3. beperkingen in het ontwikkelen, onderhouden en begrijpen van relaties.
o Minstens twee van de vier repetitieve gedragssymptomen.
1. stereotiepe of repetitieve bewegingen, gedrag of spraak
2. vasthouden aan routines of patronen van gedrag en hardnekkig vasthouden aan hetzelfde
3. beperkte, gefixeerde interesses
4. hyper- of hyporeactiviteit op zintuiglijke prikkels.
o Symptomen ontstaan vroeg in de ontwikkeling, maar kunnen pas zichtbaar worden bij verhoogde
sociale eisen, of gemaskeerd zijn door aangeleerde strategieën.
o Leiden tot klinisch significante beperkingen in sociaal, beroepsmatig of ander functioneren.
o Worden niet beter verklaard door een andere ontwikkelingsstoornis of verstandelijke beperking.
▪ Als symptomen niet volledig voldoen aan ASS-criteria, maar wel belemmerend zijn → ‘Andere
gespecificeerde neurobiologische ontwikkelingsstoornis’.
o Ernstniveaus (DSM-5-TR):
▪ Persoon vereist steun.
▪ Persoon vereist substantiële steun.
▪ Persoon vereist zeer substantiële steun.
11.1.2 Epidemiologie
Prevalentie
• 1960s: 0,4–0,5% (4–5 per 1000 personen).
• 1980: Autisme voor het eerst als zelfstandige diagnostische categorie in DSM-III.
• 1990s: DSM-IV (1994) voegde toe:
o Syndroom van Asperger
o PDD-NOS (Pervasieve ontwikkelingsstoornis niet anderszins omschreven)
• Recente schatting: Prevalentie 1–2%
• Mogelijke verklaringen voor hogere prevalentiecijfers:
o Toevoeging van PDD-NOS → ook mildere problematiek kreeg diagnose
o Betere onderkenning en bewustwording
o Symptomen worden soms pas op latere leeftijd zichtbaar
o Vrouwen/meisjes werden vroeger vaak niet herkend
• DSM-5 (2013):
o Nog maar één diagnose: autismespectrumstoornis (ASS)
o Verwachting: daling van aantal diagnoses, omdat:
▪ Geen onderscheid meer tussen subtypes
▪ Criteria strenger dan voor PDD-NOS in DSM-IV
o In DSM-IV kon PDD-NOS gesteld worden bij alleen sociale beperkingen
o In DSM-5(-TR) is ook beperkt, repetitief gedrag vereist
Beloop
• Personen met ASS ontwikkelen meer lichamelijke en psychische klachten met ouder worden.
• Zorgbehoefte bij ouderen met ASS is groter, maar er wordt nog onvoldoende op ingespeeld.
• Het beloop verschilt sterk per persoon.
• Intelligentie is een belangrijke factor:
o Hogere intelligentie → makkelijker aanleren van compensatie- of camouflagetechnieken
, o Dit kan de kans op werk vergroten, maar ook leiden tot hogere lijdensdruk en overvraging
• Lijdensdruk en functioneren hangen af van de levensfase.
o Tijdens transitiemomenten (grote veranderingen) stijgt de lijdensdruk → meer begeleiding nodig.
11.1.3 Theoretische visies
• Erfelijkheid van ASS:
o Ongeveer 83% erfelijk bepaald, 17% gerelateerd aan omgevingsfactoren.
o Onzeker of erfelijkheid bij vrouwen even sterk is, maar recente studies wijzen daarop.
• ASS als onderdeel van genetische stoornis:
o Bij 10–15% van ASS-populatie onderdeel van genetische aandoening (bijv. fragiele X-syndroom).
o Vaak ook anatomische afwijkingen en genetische mutaties aanwezig.
o In DSM-5-TR aangeduid als: autismespectrumstoornis samenhangend met een genetische
aandoening.
• Omgevingsfactoren (voor/tijdens zwangerschap):
o Factoren vóór of tijdens de zwangerschap kunnen bijdragen aan ASS.
o Na de geboorte spelen opvoedingsfactoren geen rol.
o Zwangerschapscomplicaties met verhoogd risico: geboortetrauma’s, navelstrengcomplicaties, etc.
o Mogelijke beschermende factor: gebruik van foliumzuur (600–1200 µg) van drie maanden vóór
conceptie tot één maand na conceptie → verlaagde kans op ASS bij kind.
o Conclusie: complex samenspel tussen genetische kwetsbaarheid en omgevingsfactoren;
omgevingsfactoren fungeren als triggers bij genetische aanleg.
• Neurocognitief niveau:
o Eerder gedacht: ASS wordt gekenmerkt door beperkingen in:
▪ Theory of mind (inlevingsvermogen)
▪ Centrale coherentie (detailgericht denken)
▪ Executieve functies (o.a. flexibiliteit)
o Tegenwoordig genuanceerder: nadruk op neurodiversiteit = mensen met ASS verwerken en
communiceren anders.
▪ Dubbele empathie-theorie = moeilijkheden met zich verplaatsen in anderen, maar
ook andersom.
▪ Mensen met ASS hebben vaak moeite met cognitieve empathie (bedenken wat een ander
denkt), maar geen beperkingen in emotionele empathie (emotioneel geraakt worden, bijv. door
dierenleed of verdriet).
11.1.4 Cultuur en gender
Cultuur
• Diagnose ASS wordt vaker gesteld in welgestelde landen.
• Onderzoek toont dat de prevalentie wereldwijd stijgt.
• Diagnostiek bij migranten of mensen met migratieachtergrond is vaak moeilijker:
o Culturele/religieuze gebruiken beïnvloeden gedrag, zoals oogcontact.
o Belangrijk: heteroanamnese (een gesprek met een belangrijke ander) afnemen bij iemand
van dezelfde cultuur (bijv. broer of zus).
Gender
• ASS komt vaker voor bij jongens/mannen dan bij meisjes/vrouwen.
o Verhouding: ongeveer 3 op 1.
• ASS bij vrouwen wordt vaak later gediagnosticeerd, omdat ze:
o Hun autistische gedragingen maskeren/camoufleren
o Oogcontact leren maken
o Redelijk functioneren in communicatie, maar dit kost veel energie
• Gefixeerde interesses verschillen tussen genders: bijv bij vrouwen dieren & psychologie en bij mannen bijv
computers & treinen.
o Deze verschillen leiden vaak tot gemiste of late diagnose.
• Camoufleren bij vrouwen bemoeilijkt ontwikkeling van de eigen identiteit.
, o Gevolg: identiteitsproblemen, overbelastingsklachten, emotieregulatieproblemen.
• ASS en genderidentiteit:
o Transgender personen = individuen die zich niet identificeren met het geslacht dat werd toegewezen
bij geboorte.
o Cisgender personen = individuen bij wie het geboortegeslacht wel overeenkomt met de
genderidentiteit.
o ASS komt vaker voor bij transgender personen dan bij cisgenders.
o Transgender personen met geboortegeslacht vrouw scoren hoger op autistische kenmerken dan:
▪ Transgender personen met geboortegeslacht man
▪ Cisgender vrouwen en mannen.
11.1.5 Comorbiditeit en differentiële diagnostiek
• ASS gaat vaak samen met andere psychiatrische stoornissen, o.a.:
o Obsessief-compulsieve stoornis (OCS)
o Sociale-angststoornis
o ADHD
o Depressieve stoornis
o Psychosespectrumstoornissen
o Persoonlijkheidsstoornissen
• Prevalentie van comorbiditeit: tussen 54,8% en 94%, afhankelijk van leeftijd, intelligentie en geslacht.
• Hoge comorbiditeit leidt vaak tot hoge lijdensdruk en grote zorgbehoefte.
• Differentiaaldiagnose:
o ASS moeilijk te onderscheiden van andere stoornissen, vooral bij volwassenen.
o Vooral differentiatie tussen ASS en persoonlijkheidsstoornissen is complex, omdat autistische
kenmerken overlappen met kenmerken van verschillende types persoonlijkheidsstoornissen.
o Belangrijk om onder- of overbehandeling te voorkomen.
o Richtlijnen, zorgstandaarden en whitepapers voor diagnostiek kunnen hierbij ondersteunen.
11.1.6 Diagnostiek en behandeling
Diagnostiek
• ASS kan niet biologisch of neurocognitief niveau worden vastgesteld.
o Redenen:
▪ Te veel variatie in genafwijkingen
▪ Ook omgevingsfactoren spelen rol (voor en tijdens de zwangerschap)
▪ Genetisch onderzoek biedt geen uitsluitsel
o Neurocognitieve beperkingen (sociaal inzicht, flexibiliteit) komen ook voor bij:
▪ Schizofrenie
▪ ADHD
▪ Persoonlijkheidsstoornissen
o Cognitieve testen zijn vaak niet gevoelig genoeg.
o Intelligente mensen met ASS compenseren, waardoor ze goed presteren op testen.
▪ Testomstandigheden (prikkelarme ruimte, duidelijke instructie) zijn niet representatief voor
dagelijks functioneren. → Daarom kan diagnose alleen gebaseerd worden op gedragskenmerken.
o Diagnostiek gebeurt via:
▪ Anamnese
▪ Heteroanamnese
▪ Observaties
• Bij volwassenen:
o Diagnostische criteria worden uitgevraagd in een semigestructureerd interview.
o Altijd ook een heteroanamnese (gesprek met een belangrijke ander).
o Informatie over vroege ontwikkeling is soms moeilijk te verkrijgen.
▪ Als blijkt dat kenmerken (zoals terugtrekken, routinematig gedrag) al in kindertijd aanwezig
waren, kan diagnose alsnog gesteld worden.
▪ Anamnese over vroege kindertijd wordt dan minder zwaarwegend.
,• Aanvullend testonderzoek (zoals vragenlijsten, neuropsychologisch onderzoek):
o Niet bepalend voor classificerende diagnose.
o Screeningsvragenlijst Autism-spectrum Quotient (AQ) weinig betrouwbaar:
▪ Personen met ASS hebben vaak beperkt zelfinzicht.
▪ Ook andere problematiek kan hoge scores geven.
▪ Daarom niet geschikt als screeningsinstrument.
• Neuropsychologisch onderzoek is wel waardevol voor:
o Inschatten van sterke en zwakke kanten.
o Wordt gebruikt bij handelingsgerichte diagnostiek (gericht op praktische ondersteuning).
Behandeling
• Er is geen behandeling waardoor ASS verdwijnt.
• Bij volwassenen met normale tot hoge intelligentie:
o Psycho-educatie → doelen: diagnose accepteren & inzicht krijgen in beperkingen en kwaliteiten.
o In Nederland is er een breed scala aan behandelingen beschikbaar.
• Praktische begeleiding is erg belangrijk:
o Mensen met ASS hebben moeite met generalisatie (geleerde toepassen in thuissituatie).
o Begeleiding, ook wel levensloopbegeleiding, is vooral belangrijk bij transitiemomenten.
o Begeleiding wordt vaak levenslang op- en afgeschaald.
• Therapievormen met enige evidentie van effectiviteit:
o Acceptance and Commitment Therapy (ACT)
o Dierondersteunde therapie
o Muziektherapie
o Tot nu toe vooral onderzocht bij kinderen, verder onderzoek bij volwassenen nodig.
• Behandeling comorbide problematiek (angst, depressie) bij normaal tot hoogbegaafde volwassenen met
ASS:
o Mindfulness-based stress reduction
o Cognitieve gedragstherapie (CGT)
• Medicatie:
o Weinig bekend over effectiviteit bij volwassenen met ASS.
o Advies: vooral comorbide problematiek behandelen.
o Bij prikkelgevoeligheid: soms lage dosering antipsychoticum geadviseerd.
o Effect nog onvoldoende wetenschappelijk onderzocht.
11.2 Aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis (ADHD)
Casus 11.2 – Gejaagd en concentratieproblemen
• Isam (30 jaar) meldt zich bij de huisarts.
• Voelt zich gejaagd, pakt veel zaken tegelijk op zonder ze af te maken.
• Heeft concentratieproblemen, laat steken vallen op het werk, kan niet tot rust komen, raakt vaak spullen
kwijt.
• Zijn vrouw verwijt hem dat hij afspraken verkeerd plant.
• Huisarts stelt screenende vragen, die Isam bevestigend beantwoordt.
• Symptomen waren altijd al aanwezig.
• Huisarts vermoedt dat Isam zijn klachten heeft gecompenseerd door bovengemiddelde intelligentie.
• Sinds de geboorte van zijn dochtertje lukt het niet meer om overzicht te houden; hij krijgt zijn leven niet
meer op orde.
• Huisarts verwijst door naar de specialistische ggz; ADHD-diagnose wordt bevestigd.
• Krijgt psycho-educatie, coaching en medicamenteuze ondersteuning.
• Na afronding van de begeleiding komt hij halfjaarlijks bij de huisarts voor onderhoudsbehandeling.
, 11.2.1 Klinisch beeld Box 11.2 – Kenmerken van ADHD
Aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis ADHD = • Algemeen patroon: Onoplettendheid en/of
een externaliserende psychische stoornis. hyperactiviteit-impulsiviteit die het functioneren of
• externaliserende psychische stoornis = problematiek richt de ontwikkeling belemmert.
zich (over het algemeen) naar buiten.
• Onoplettendheid (minimaal 5 kenmerken (bij
• Wordt gekenmerkt door:
kinderen minimaal 6 kenmerken) ≥ 6 maanden
o Onoplettendheid → aanhoudend gebrek aan
aanwezig):
concentratie, moeite om aandacht erbij te houden,
o Onvoldoende aandacht voor details/ achteloze
zaken niet op orde.
fouten in (school)werk of activiteiten).
o Impulsiviteit → overhaast gedrag, handelen zonder
o Moeite met aandacht bij activiteit houden.
na te denken over gevolgen.
o Lijkt niet te luisteren bij aanspreken.
o Hyperactiviteit → overmatige, ongepaste motorische
o Krijgt (school)werk vaak niet af, volgt
activiteit, niet kunnen stilzitten, overmatig tikken of
aanwijzingen niet op.
praten.
o Moeite met organiseren van werk.
• Drie subtypen van ADHD: o Vermijdt taken die langdurige aandacht vragen.
1. Het overwegend onoplettende type: als gedurende o Raakt vaak dingen kwijt.
de afgelopen zes maanden voldaan is aan de criteria o Makkelijk afgeleid.
van onoplettendheid, maar niet aan de criteria van o Vergeetachtig.
hyperactiviteit en impulsiviteit.
2. Het overwegend hyperactieve-impulsieve type: als • Hyperactiviteit en impulsiviteit (minimaal 5
gedurende de afgelopen zes maanden voldaan is aan kenmerken (bij kinderen minimaal 6 kenmerken) ≥ 6
de criteria van hyperactiviteit en impulsiviteit, maar maanden aanwezig):
niet aan de criteria van onoplettendheid. o Fysiek onrustig.
3. Het gecombineerde type: als gedurende de o Kan moeilijk blijven zitten; rent rond of klimt in
afgelopen zes maanden is voldaan aan de criteria van ongepaste situaties.
onoplettendheid, de criteria van hyperactiviteit en de o Kan moeilijk rustig spelen of ontspannen.
criteria van impulsiviteit. o Druk bezig of draaft door.
o Praat veel.
o Subtypen verschillen per leeftijdsfase. o Antwoordt al voordat de vraag is gesteld.
o Bij volwassenen: o Moeite met wachten.
▪ Gecombineerde type meestal minder
o Opdringerig of stoort anderen.
prominent dan bij kinderen.
▪ Het overwegend onoplettende type komt • Aanvullende criteria:
het vaakst voor; het gecombineerde o Verschillende kenmerken waren al voor het
type het minst vaak. twaalfde levensjaar aanwezig.
o Verschillende kenmerken zijn op minstens twee
• Klassiek beeld bij volwassenen:
terreinen aanwezig.
o Verhoogde afleidbaarheid
o Zie DSM-5-TR voor exacte diagnostische criteria.
o Moeite met organiseren
o Onoplettendheid
o Beperkte efficiëntie in werk en academische
prestaties
o Rusteloosheid
o Vermijden van activiteiten waarbij ze moeten
stilzitten
o Geen problemen bij interessante activiteiten, wel
bij minder boeiende taken
o Moeite met sociale contacten en relaties onderhouden
11.2.2 Epidemiologie
Prevalentie
• ADHD bij volwassenen krijgt relatief weinig aandacht vergeleken met kinderen.
• Ongeveer 50% van de kinderen/adolescenten behoudt de diagnose in volwassenheid.
• Wereldwijde prevalentie bij volwassenen (≥18 jaar): 2,8%.
o Komt overeen met schatting van de WHO.