identiteit
Het beeld dat iemand van zichzelf heeft, dat hij uitdraagt en anderen voorhoudt
en dat hij als kenmerkend en blijvend beschouwd voor zijn eigen persoon. Het is
afgeleid van zijn perceptie over de groep(en) waar hij wel of juist ook niet deel van
uitmaakt.
Drie aspecten:
Persoonlijke identiteit is het beeld dat iemand van zichzelf heeft, zelfbeeld. (wie ben
ik)
Sociale identiteit het beeld dat iemand van zichzelf heeft als lid van sociale groep(en)
en categorieën waar hij of zij deel van uitmaakt. (bij wie hoor ik?)
Collectieve identiteit het beeld dat je hebt van een groep, dat kunnen groepen zijn
waar je bij hoort en niet. (welke beelden bestaan er van een groep)
Externe collectieve identiteit een beeld van een groep dat als blijvend en
kenmerkend voor die groep wordt beschouwd. Mensen hebben verwachtingen over
het gedrag van anderen met een bepaalde identiteit.
Loyaliteitsconflict: wil ik nog wel met de groep geassocieerd worden? Een slechte
naam en associatie kan iemand lang achtervolgen, ook als diegene niet meer lid is
van de groep.
Socialisatie
Het proces van overdracht en verwerving van de cultuur van de groep(en) en de
samenleving waar mensen toe behoren. Het proces bestaat uit opvoeding,
opleiding en andere vormen van omgang met anderen.
Elementen van socialisatie:
Het proces van overdracht: mensen brengen de cultuur over aan nieuwkomers,
bijvoorbeeld een jong kind dat nog geen gedragsregels kent
De mensen die cultuur overdragen zijn socialisatoren.
het proces van verwerven: mensen maken de cultuur eigen.
Functies van socialisatie:
Continuering, voortzetting van een (sub)cultuur
Verandering van een (sub)cultuur
Identificatie van het individu met anderen, met een groep en een (sub)cultuur
Identiteitsontwikkeling van het individu gedurende de hele levensloop
Gedragsregulatie van het individu, waardoor het gedrag beter voorspelbaar
wordt
Cultuur
Het geheel van voorstellingen, uitdrukkingsvormen, opvattingen, waarden en
normen die mensen als lid van een groep of samenleving hebben verworven.
(VOUWN)
, H1-5
Voorstellingen: beelden, ideeën verhalen die mensen hebben over een
gebeurtenis
Opvattingen: ideeën, wat je vindt, je gedachten over iets.
Uitdrukkingsvormen: symbolen, kapsels, tatoeages en taal
Waarden: idealen zoals, gelijkheid, vrijheid en veligheid
Normen: regels die horen bij waarden, normen zitten bij mensen in hun hoofd,
maar ze zijn zichtbaar in het vertoonde gedrag.
acculturatie en enculturatie
A: Het aanleren en verwerven van een andere cultuur of elementen daaruit, dan
die waarin iemand is opgegroeid.
E: De cultuur aanleren waarin hij geboren wordt.
Groepsvorming en bindingen
G: Het tot stand komen van bindingen tussen meer dan twee mensen, die elkaar
beïnvloeden en samen gemeenschappelijke waarden en normen ontwikkelen.
Insluiting/ingroup: wel bij de groep horen. Een gemeenschappelijke sociale identiteit
Uitsluiting/outgroup: uitgesloten worden van een groep (in strijd met een andere
groep)
B: Een relatie en onderlinge afhankelijkheden tussen mensen in een gezin of
familie, tussen leden van een groep, in de maatschappij en op het niveau van de
staat.
Type bindingen
Affectieve bindingen: emotionele bindingen. Positieve en negatieve gevoelens
van mensen voor elkaar. Het gevoel ergens bij te horen, zoals familie,
vrienden of een land
Cognitieve bindingen: bindingen en afhankelijkheden die te maken hebben
met kennisvorming en kennisoverdracht.
Economische bindingen: bindingen die te maken hebben met werk en
goederen die nodig zijn voor het bestaan.
Politieke bindingen: bindingen die te maken hebben met zaken die in een
samenleving gezamenlijk geregeld en georganiseerd moeten worden, zoals
onderwijs, zorg verkeer en veiligheid.
Informele sociale controle: groepsleden wijzen elkaar af op de waarden en
normen van de groeop
Formele sociale controle: mensen die vanuit hun beroep of functie anderen op
de regels wijzen, op basis van formele wetten, besluiten of vastgestelde
regels. (politieagent, leraar)