Taak:
‘Groups’
Probleemstelling:
Is
een
groepsbeslissing
beter
dan
een
individuele
beslissing?
Wat
is
de
invloed
van
een
groep
op
een
individu?
Leerdoelen:
-‐
Wat
is
een
groep?
(definitie)
-‐ Hoe
komt
een
groep
tot
een
beslissing?
-‐ Wat
is
de
invloed
van
de
groep
op
een
individu?
(groepsproces)
-‐ Wat
zijn
de
voor-‐
en
nadelen
van
een
groepsbeslissing?
Wat
kan
er
fout
gaan
bij
het
beslissen?
-‐ Hoe
ziet
een
groepssamenstelling
eruit?
! Ereader:
Kramer
–
Groupthink
Groupthinking
theory
van
Jani
Auteur:
groepsdenken
is
te
oud,
gaat
het
meer
verklaren
met
politieke
kwesties.
°
Zegt
niet
dat
groupthink
fout
is
maar
het
is
verouderd,
we
weten
nu
meer.
°
Zijn
eigen
theorie
verklaart
het
beter
maar
is
niet
helemaal
tegengesteld
met
groupthink,
hij
vult
het
meer
aan.
Groep:
Een
groep
bestaat
uit
2
of
meer
mensen
die
op
elkaar
inwerken
en
afhankelijk
zijn
van
elkaar
in
de
zin
van
dat
hun
behoeftes
en
doelen
ervoor
zorgen
dat
ze
elkaar
beïnvloeden.
-‐De
meeste
groepen
bestaan
uit
3
tot
6
mensen.
-‐Een
te
grote
groep
zorgt
ervoor
dat
je
niet
met
iedereen
kan
communiceren"
niet
echt
een
groep.
Groupthink:
(schema
blz.
301)
Een
manier
van
denken
binnen
een
groep
waarbij
samenhang
en
solidariteit
belangrijker
is
dan
kijken
naar
feiten
op
een
realistische
manier.
("
hechtheid)
Hoe
kan
je
groupthink
voorkomen:
-‐ Seek
anonymous
opinions:
Een
leider
kan
vragen
de
leden
hun
mening
anoniem
op
te
schrijven
"
zo
weet
hij
zeker
dat
iedereen
de
waarheid
spreekt
en
zijn
eigen
mening
geeft,
zonder
invloed
of
beangstigend
voor
de
groep.
-‐ Create
subgroups:
De
leider
verdeeld
de
groep
in
subgroepen,
die
eerst
apart
elkaar
ontmoeten
en
vervolgens
samen
om
over
de
verschillende
opvattingen
te
discussiëren.
-‐ Seek
outside
opinions:
De
leider
zou
buitenstaande
meningen
van
mensen
die
geen
lid
zijn
van
de
groep
moeten
uitnodigen.
-‐ Remain
impartial:
de
leider
zou
geen
leidende
rol
op
zich
moeten
nemen.
Hij
zou
onpartijdig
moeten
blijven.
Er
zijn
3
vormen
van
beslissen:
1) Consesus
"
iedereen
is
het
met
elkaar
eens.
2) Agregatie
"
de
meerderheid
beslist.
3) Compromis
"
2
verschillende
meningen
"
tussenweg.
Schema
bladzijde
293:
Social
Facilitation:
Gewoonte
waarbij
mensen
het
beter
doen
bij
simpele
opdrachten
en
waarbij
de
complexere
opdrachten
lastig
worden
door
de
aanwezigheid
van
anderen
die
hen
evalueren.
"
met
evaluatie!
Social
Loafing:
(Relaxpositie)
Je
hoort
steeds
meer
bij
de
groep,
valt
niet
meer
op.
Mensen
doen
minder
inspanning
omdat
ze
niet
worden
geëvalueerd.
Complexere
opdrachten
gaan
beter,
er
is
geen
stress/druk:
ruimte
om
na
te
denken.
Simpele
taken
gaan
slechter.
"
zonder
evaluatie!
,Deindividuation:
opgaan
in
de
menigte.
Verliezen
van
de
eigen
identiteit.
Anonimiteit:
iemand
kan
zich
anders
gaan
gedragen
omdat
hij
een
ander
gevoel
heeft.
"
Je
bent
niet
consequent
in
normen
en
waarden
en
hoe
je
je
gaat
gedragen.
Group
polarisation:
Iedereen
denkt
hetzelfde,
iedereen
heeft
dezelfde
argumenten.
"
de
neiging
van
een
groep
om
een
sterkere/extremere
beslissing
te
nemen
dan
een
individu
zal
nemen.
Minority
influence:
een
minderheid
die
invloed
heeft
op
de
meerderheid.
Manieren
om
het
te
bereiken:
goede
argumenten,
het
willen
maken
van
compromissen,
het
gaat
beter
als
de
minderheid
al
een
keer
de
meerderheid
is
geweest.
Leiderschap
#
Task-‐Oriented
Leader:
kijkt
meer
naar
het
behalen
van
het
doel
dan
naar
de
mensen
en
hun
belangen
en
gevoelens.
Kan
goed
omgaan
in
stressvolle
situaties
omdat
hij
de
mensen
kan
stimuleren,
want
hij
houdt
zich
alleen
bezig
met
de
taak.
Relationship-‐Oriented
Leader:
leider
die
zich
focust
op
de
relatie
die
de
mensen
hebben
in
de
groep,
met
de
belangen
van
de
groep.
(blz.
306)
#
Transactional
Leader:
kijkt
op
korte
termijn,
mensen
die
doelen/taken
behalen
binnen
dit
termijn
worden
beloond.
Transformational
Leader:
kijkt
naar
lange
termijndoelen.
Kijkt
meer
naar
de
belangen
van
een
groep
dan
Transactional
Leaders.
#
Er
is
meer
behoefte
aan
een
leider
(structuur)
in
periodes
van
crisis.
In
een
groep
is
er
bijna
altijd
sprake
van
een
hiërarchie:
de
een
heeft
meer
te
zeggen
dan
een
ander.
#
Great
person
theory:
goed
leiderschap
is
een
kwestie
van
de
juiste
persoonlijke
eigenschappen
hebben.
Process
Loss:
groep
maakt
verkeerde
beslissing
omdat
deze
niet
in
gaat
op
het
meest
getalenteerde
lid
(die
ziet
in
dat
de
groep
een
verkeerde
beslissing
neemt).
De
groep
luistert
naar
de
verkeerde
persoon
die
er
geen
kennis
over
heeft.
Het
lukt
het
meest
getalenteerde
lid
niet
om
de
anderen
te
overtuigen.
, Taak
2:
vooroordelen
en
discriminatie
Probleemstelling:
hoe
voeren
vooroordelen
tot
discriminatie?
Leerdoelen:
1) Wat
is
de
definitie
van
vooroordeel,
discriminatie
en
stereotype?
En
wat
is
het
verschil?
2) Hoe
ontstaan
vooroordelen?
En
hoe
blijven
ze
in
stand?
3) Kun
je
vooroordelen,
discriminatie
en
stereotypen
voorkomen,
zo
ja
hoe?
4) Wat
zijn
de
gevolgen
van
vooroordelen,
discriminatie
en
stereotype?
Vooroordeel:
Affectieve
reactie
ten
opzichte
van
een
sociale
categorie.
Kan
zowel
positief
als
negatief
zijn.
Een
houding
ten
opzichte
van
een
duidelijk
te
onderscheiden
groep
die
alleen
gebaseerd
is
op
hun
lidmaatschap
in
de
groep.
! Gevoel,
emotie.
Vaker
expliciet
dan
impliciet.
Expliciet=
uitgesproken,
duidelijke
mening:
bewust.
Impliciet=
je
hebt
het
zelf
niet
door:
onbewust.
Functies:
controle
vergroten,
eigen
zelfbeeld
en
sociale
identiteit
hoog
houden:
jezelf/
je
eigen
groep
beter
voelen
dan
een
andere
groep.
Stereotypen:
Het
toeschrijven
van
bepaalde
karakteristieken
aan
iemand
op
basis
van
zijn/haar
lidmaatschap.
Een
generalisatie
over
een
groep
met
bepaalde
eigenschappen
die
wordt
toegekend
aan
alle
leden
van
de
groep,
zonder
na
te
denken
over
de
verschillen
tussen
de
leden.
Zowel
positief
als
negatief.
Zowel
impliciet
als
expliciet.
Ontstaat
doordat
je
de
wereld
probeert
te
categoriseren(onbewust).
! Cognitieve
ideeën
die
je
hebt.
(gedachte)
! Geloof
Cognitieve
verwerking
van
stereotypen:
a)
automatic
processing:
automatisch
overnemen
van
de
mening
zonder
er
zelf
over
na
te
denken
(onbewust).
b)
controlled
processing:
gebeurt
met
je
bewustzijn.
Als
je
kiest
de
stereotype-‐informatie
te
negeren
(voor
de
geest).
Discriminatie:
Negatieve
gedragingen
of
maatregelen
die
uitsluitend
gebaseerd
zijn
op
groepslidmaatschap.
Vaker
expliciet,
maar
kan
ook
impliciet
zijn.
! Gedrag
2
vormen
van
discriminatie:
-‐
Institutionalized
Racism
=
Racistische
houdingen
die
worden
gehouden
door
de
overgrote
meerderheid
van
de
mensen
in
de
maatschappij
waar
stereotypen
en
discriminatie
de
norm
zijn.
Discrimineren
wordt
dus
ook
door
instellingen
gedaan.
-‐
Institutionalized
Sexism
=
Seksistische
houdingen
die
worden
gehouden
door
de
overgrote
meerderheid
van
de
mensen
in
de
maatschappij
waar
stereotypen
en
discriminatie
de
norm
zijn.
Discrimineren
wordt
dus
ook
door
instellingen
gedaan.
De
cultuur
(ouders,
omgeving,
media)
geeft
ons
bewust
of
onbewust
opdracht
om
negatieve
eigenschappen
toe
te
kennen
aan
mensen
die
anders
zijn
dan
ons.
MAAR
het
is
aan
ons
wat
wij
hiermee
doen.
Eerste
stap
van
een
vooroordeel:
het
creëren
van
groepen
op
basis
van
bepaalde
eigenschappen.
Categoriseren
gaat
automatisch.
Sociale
categorisatie:
overbodige
informatie
kan
vermeden
worden.
Wie
is
diegene
die
tegenover
ons
staat?
"
eerste
indruk,
mensen
categoriseren.
Nadeel:
#
Overschatting
uniformiteit
van
groepsleden.
#
Onderschatting
diversiteit
van
groepsleden.
Gevolg:
kan
leiden
tot
stereotypen.
‘Groups’
Probleemstelling:
Is
een
groepsbeslissing
beter
dan
een
individuele
beslissing?
Wat
is
de
invloed
van
een
groep
op
een
individu?
Leerdoelen:
-‐
Wat
is
een
groep?
(definitie)
-‐ Hoe
komt
een
groep
tot
een
beslissing?
-‐ Wat
is
de
invloed
van
de
groep
op
een
individu?
(groepsproces)
-‐ Wat
zijn
de
voor-‐
en
nadelen
van
een
groepsbeslissing?
Wat
kan
er
fout
gaan
bij
het
beslissen?
-‐ Hoe
ziet
een
groepssamenstelling
eruit?
! Ereader:
Kramer
–
Groupthink
Groupthinking
theory
van
Jani
Auteur:
groepsdenken
is
te
oud,
gaat
het
meer
verklaren
met
politieke
kwesties.
°
Zegt
niet
dat
groupthink
fout
is
maar
het
is
verouderd,
we
weten
nu
meer.
°
Zijn
eigen
theorie
verklaart
het
beter
maar
is
niet
helemaal
tegengesteld
met
groupthink,
hij
vult
het
meer
aan.
Groep:
Een
groep
bestaat
uit
2
of
meer
mensen
die
op
elkaar
inwerken
en
afhankelijk
zijn
van
elkaar
in
de
zin
van
dat
hun
behoeftes
en
doelen
ervoor
zorgen
dat
ze
elkaar
beïnvloeden.
-‐De
meeste
groepen
bestaan
uit
3
tot
6
mensen.
-‐Een
te
grote
groep
zorgt
ervoor
dat
je
niet
met
iedereen
kan
communiceren"
niet
echt
een
groep.
Groupthink:
(schema
blz.
301)
Een
manier
van
denken
binnen
een
groep
waarbij
samenhang
en
solidariteit
belangrijker
is
dan
kijken
naar
feiten
op
een
realistische
manier.
("
hechtheid)
Hoe
kan
je
groupthink
voorkomen:
-‐ Seek
anonymous
opinions:
Een
leider
kan
vragen
de
leden
hun
mening
anoniem
op
te
schrijven
"
zo
weet
hij
zeker
dat
iedereen
de
waarheid
spreekt
en
zijn
eigen
mening
geeft,
zonder
invloed
of
beangstigend
voor
de
groep.
-‐ Create
subgroups:
De
leider
verdeeld
de
groep
in
subgroepen,
die
eerst
apart
elkaar
ontmoeten
en
vervolgens
samen
om
over
de
verschillende
opvattingen
te
discussiëren.
-‐ Seek
outside
opinions:
De
leider
zou
buitenstaande
meningen
van
mensen
die
geen
lid
zijn
van
de
groep
moeten
uitnodigen.
-‐ Remain
impartial:
de
leider
zou
geen
leidende
rol
op
zich
moeten
nemen.
Hij
zou
onpartijdig
moeten
blijven.
Er
zijn
3
vormen
van
beslissen:
1) Consesus
"
iedereen
is
het
met
elkaar
eens.
2) Agregatie
"
de
meerderheid
beslist.
3) Compromis
"
2
verschillende
meningen
"
tussenweg.
Schema
bladzijde
293:
Social
Facilitation:
Gewoonte
waarbij
mensen
het
beter
doen
bij
simpele
opdrachten
en
waarbij
de
complexere
opdrachten
lastig
worden
door
de
aanwezigheid
van
anderen
die
hen
evalueren.
"
met
evaluatie!
Social
Loafing:
(Relaxpositie)
Je
hoort
steeds
meer
bij
de
groep,
valt
niet
meer
op.
Mensen
doen
minder
inspanning
omdat
ze
niet
worden
geëvalueerd.
Complexere
opdrachten
gaan
beter,
er
is
geen
stress/druk:
ruimte
om
na
te
denken.
Simpele
taken
gaan
slechter.
"
zonder
evaluatie!
,Deindividuation:
opgaan
in
de
menigte.
Verliezen
van
de
eigen
identiteit.
Anonimiteit:
iemand
kan
zich
anders
gaan
gedragen
omdat
hij
een
ander
gevoel
heeft.
"
Je
bent
niet
consequent
in
normen
en
waarden
en
hoe
je
je
gaat
gedragen.
Group
polarisation:
Iedereen
denkt
hetzelfde,
iedereen
heeft
dezelfde
argumenten.
"
de
neiging
van
een
groep
om
een
sterkere/extremere
beslissing
te
nemen
dan
een
individu
zal
nemen.
Minority
influence:
een
minderheid
die
invloed
heeft
op
de
meerderheid.
Manieren
om
het
te
bereiken:
goede
argumenten,
het
willen
maken
van
compromissen,
het
gaat
beter
als
de
minderheid
al
een
keer
de
meerderheid
is
geweest.
Leiderschap
#
Task-‐Oriented
Leader:
kijkt
meer
naar
het
behalen
van
het
doel
dan
naar
de
mensen
en
hun
belangen
en
gevoelens.
Kan
goed
omgaan
in
stressvolle
situaties
omdat
hij
de
mensen
kan
stimuleren,
want
hij
houdt
zich
alleen
bezig
met
de
taak.
Relationship-‐Oriented
Leader:
leider
die
zich
focust
op
de
relatie
die
de
mensen
hebben
in
de
groep,
met
de
belangen
van
de
groep.
(blz.
306)
#
Transactional
Leader:
kijkt
op
korte
termijn,
mensen
die
doelen/taken
behalen
binnen
dit
termijn
worden
beloond.
Transformational
Leader:
kijkt
naar
lange
termijndoelen.
Kijkt
meer
naar
de
belangen
van
een
groep
dan
Transactional
Leaders.
#
Er
is
meer
behoefte
aan
een
leider
(structuur)
in
periodes
van
crisis.
In
een
groep
is
er
bijna
altijd
sprake
van
een
hiërarchie:
de
een
heeft
meer
te
zeggen
dan
een
ander.
#
Great
person
theory:
goed
leiderschap
is
een
kwestie
van
de
juiste
persoonlijke
eigenschappen
hebben.
Process
Loss:
groep
maakt
verkeerde
beslissing
omdat
deze
niet
in
gaat
op
het
meest
getalenteerde
lid
(die
ziet
in
dat
de
groep
een
verkeerde
beslissing
neemt).
De
groep
luistert
naar
de
verkeerde
persoon
die
er
geen
kennis
over
heeft.
Het
lukt
het
meest
getalenteerde
lid
niet
om
de
anderen
te
overtuigen.
, Taak
2:
vooroordelen
en
discriminatie
Probleemstelling:
hoe
voeren
vooroordelen
tot
discriminatie?
Leerdoelen:
1) Wat
is
de
definitie
van
vooroordeel,
discriminatie
en
stereotype?
En
wat
is
het
verschil?
2) Hoe
ontstaan
vooroordelen?
En
hoe
blijven
ze
in
stand?
3) Kun
je
vooroordelen,
discriminatie
en
stereotypen
voorkomen,
zo
ja
hoe?
4) Wat
zijn
de
gevolgen
van
vooroordelen,
discriminatie
en
stereotype?
Vooroordeel:
Affectieve
reactie
ten
opzichte
van
een
sociale
categorie.
Kan
zowel
positief
als
negatief
zijn.
Een
houding
ten
opzichte
van
een
duidelijk
te
onderscheiden
groep
die
alleen
gebaseerd
is
op
hun
lidmaatschap
in
de
groep.
! Gevoel,
emotie.
Vaker
expliciet
dan
impliciet.
Expliciet=
uitgesproken,
duidelijke
mening:
bewust.
Impliciet=
je
hebt
het
zelf
niet
door:
onbewust.
Functies:
controle
vergroten,
eigen
zelfbeeld
en
sociale
identiteit
hoog
houden:
jezelf/
je
eigen
groep
beter
voelen
dan
een
andere
groep.
Stereotypen:
Het
toeschrijven
van
bepaalde
karakteristieken
aan
iemand
op
basis
van
zijn/haar
lidmaatschap.
Een
generalisatie
over
een
groep
met
bepaalde
eigenschappen
die
wordt
toegekend
aan
alle
leden
van
de
groep,
zonder
na
te
denken
over
de
verschillen
tussen
de
leden.
Zowel
positief
als
negatief.
Zowel
impliciet
als
expliciet.
Ontstaat
doordat
je
de
wereld
probeert
te
categoriseren(onbewust).
! Cognitieve
ideeën
die
je
hebt.
(gedachte)
! Geloof
Cognitieve
verwerking
van
stereotypen:
a)
automatic
processing:
automatisch
overnemen
van
de
mening
zonder
er
zelf
over
na
te
denken
(onbewust).
b)
controlled
processing:
gebeurt
met
je
bewustzijn.
Als
je
kiest
de
stereotype-‐informatie
te
negeren
(voor
de
geest).
Discriminatie:
Negatieve
gedragingen
of
maatregelen
die
uitsluitend
gebaseerd
zijn
op
groepslidmaatschap.
Vaker
expliciet,
maar
kan
ook
impliciet
zijn.
! Gedrag
2
vormen
van
discriminatie:
-‐
Institutionalized
Racism
=
Racistische
houdingen
die
worden
gehouden
door
de
overgrote
meerderheid
van
de
mensen
in
de
maatschappij
waar
stereotypen
en
discriminatie
de
norm
zijn.
Discrimineren
wordt
dus
ook
door
instellingen
gedaan.
-‐
Institutionalized
Sexism
=
Seksistische
houdingen
die
worden
gehouden
door
de
overgrote
meerderheid
van
de
mensen
in
de
maatschappij
waar
stereotypen
en
discriminatie
de
norm
zijn.
Discrimineren
wordt
dus
ook
door
instellingen
gedaan.
De
cultuur
(ouders,
omgeving,
media)
geeft
ons
bewust
of
onbewust
opdracht
om
negatieve
eigenschappen
toe
te
kennen
aan
mensen
die
anders
zijn
dan
ons.
MAAR
het
is
aan
ons
wat
wij
hiermee
doen.
Eerste
stap
van
een
vooroordeel:
het
creëren
van
groepen
op
basis
van
bepaalde
eigenschappen.
Categoriseren
gaat
automatisch.
Sociale
categorisatie:
overbodige
informatie
kan
vermeden
worden.
Wie
is
diegene
die
tegenover
ons
staat?
"
eerste
indruk,
mensen
categoriseren.
Nadeel:
#
Overschatting
uniformiteit
van
groepsleden.
#
Onderschatting
diversiteit
van
groepsleden.
Gevolg:
kan
leiden
tot
stereotypen.