Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 97 pagina's
Samenvatting

Samenvatting ethische en rechtsfilosofische stromingen

Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 97 pagina's

samenvatting adhv het boek en de pwp - iedereen die deze samenvatting heeft gebruik was er door (15/20)

Voorbeeld van de inhoud

ETHISCHE EN RECHTSFILOSOFISCHE STROMINGEN

INLEIDING

Wat is ethiek?
Met ethiek neem je op een rationele wijze een houding aan tegenover een moreel probleem.
Houding kan bedoeld zijn om probleem om te lossen maar is niet noodzakelijk (bv nieuw
probleem maken, benadering waardoor er geen probleem meer is, zinvolle reflectie,…). Geen
wetenschap waarin consensus bereikt wordt.

Moreel probleem: heeft te maken met ‘mogen’, ‘moeten’, ‘niet mogen’ (handelingen die
toegelaten, verplicht of niet toegelaten zijn).
 geen kennistheoretisch of praktisch probleem, het is een eigen domein
het vraagt wel een antwoord want de gevolgen kunnen groot zijn als je het negeert
 de combinatie van gebrek aan consensus, persoonlijke betrokkenheid, dringendheid en
onafwendbaarheid zorgt vr spanning.

Een ethische houding brengt tijdelijk rust, je weet wat je ervan moet denken en je weet wat
je moet doen.
Je onderbouwt je houding met redelijke argumenten – gemakkelijker om onredelijke
argumenten op te sommen.

Voorbeelden onredelijke argumenten:
o Het geloof / idee dat bepaalde handelingen goed of slecht zijn volgens een God
Nadeel: wat met mensen zonder dat geloof in een opperwezen of een ander
Probleem werd al aangekaard door Plato: discussie tussen Euthypro & Socrates – E
gaat zijn vader aanklagen wegens moord (hij stelt dat dit goed is want in
overeenstemming met de wil van de goden) – S vraagt ‘hoe ken jij die wil?’ –
goddelijke wil kan ook anders zijn – ‘goden willen grootste geluk, rechtvaardigheid’ –
goddelijke wil overbodig, verwijs rechtstreeks nr die goede redenenen en theorieën.
Ethiek niets te maken met religie.

o Emoties: onze houding soms gwn een verpakte emotie. Bij de meeste morele
problemen kunnen we een beroep doen op redelijke argumenten en hoeven emoties
niet het laatste woord te hebben. Deze emoties hebben beperkingen, ze
onderbouwen onze houding niet maar geven enkel uitdrukking. Dialoog met een
andere houding is dan uitgesloten. Emoties zijn niet rationeel, ook niet allemaal
positief.

o Feiten: houding moet inderdaad steunen op betrouwbare informatie maar een
moreel probleem is geen praktisch of technisch probleem waarvoor feiten volstaan.
Kloof tussen feiten en normen en tussen begrijpen of verklaren en rechtvaardigen of
verantwoorden – bij negeren kloof: naturalistische drogreden. Van ‘zijn’ nr ‘moeten’
kan niet zomaar, onderscheid tussen feiten (beschrijvend) en normen
(voorschrijvend).

Notities les;
Elk moreel probleem is een normatief probleem maar niet omgekeerd.
Ethiek heeft te maken met rationaliteit, nadenken – op een juiste manier kunnen zeggen
wrm je die houding hebt aangenomen.

1

,Gemakkelijker om te vertellen wat niet redelijk is dan wat wel.




Morele ontwikkeling:

Moraal is beperkter dan ethiek.
Moraal gaat over onze impliciete of intuïtieve en spontane gedragingen die voorwerp
kunnen worden van een ethische beschouwing of ethische houding. Moraal is minder talig
en minder met redenen of argumenten omkleed. Het is spontaner, emotioneel, concreet,
onmiddellijk.
 Ethiek: weloverwogen, beredeneerd, abstract en gemotiveerd.
Moraal lijkt aan ethiek vooraf te gaan (zie ontwikkeling van de mens).
Ontologisch: ontwikkeling van de mens als soort
Fylogenetisch: ontwikkeling van de individuele mens van kind tot volwassene

Replicatiecrisis: te snel conclusies nemen op basis van te weinig onderzoek dat moeilijk of
niet te repliceren was.

° Empathie is een moreel vermogen dat we met mensapen delen

o Aanwezig rond de 4 jaar: inleven in gevoelsleven van anderen, bieden hulp
Reactive crying: baby’s die huilen wnr anderen dat doen – emotionele besmetting.
Evolutie emotionele besmetting tot empathie (theorie Martin Hoffman):
1) 0 – 6m: globale distress: baby leeft mee met de gevoelens v anderen (zie reactive
crying). Emoties van anderen voelen alsof het je eigen zijn. Nog geen onderscheid
tussen zichzelf en de andere en de omgeving.
2) 6m – 1j: egocentrische empathie : het kind beseft dat hij zich kan verzetten tegen
het meeleven met het verdriet van anderen, een onderscheid tussen zichzelf en
de omgeving. Egocentrisch want is gericht op het ongedaan maken van het
meeleven en niet op het leed van de andere.
3) 1j – 2j: quasi-egocentrische empathie: besef dat je iemand die verdrietig is niet in
de steek moet laten. Focus nog steeds op wegnemen van eigen meegeleefde leed,
toch pogingen om de andere te helpen. Toevlucht tot middelen die hem troosten
en niet zozeer de andere bv eigen moeder halen. Eigen noden staan centraal.
4) 2j – 4j: waarachtige empathie: reflex om te helpen met middelen die de andere
helpen. Kind in staat om de behoeftes en verlangens van anderen te kennen.
Volledige splitsing tussen de eigen persoon en de omgeving.
5) 4j – 7j: verdere ontwikkeling

Twee stappen onmisbaar vr echte empathie:
o Theory of mind: in staat om de leefwereld van anderen te begrijpen en te beseffen
dat die anders is dan de eigen gedachtewereld – kinderen tussen 3 en 4j, ook
mensapen beschikken hierover. Sally & Anne test.
De basis van stap 3 naar 4 (zie boven): het besef dat gedachten verschillen van
gebeurtenissen en dat mensen verschillende opvattingen kunnen hebben.
o Overgang van vluchten nr helpen: personal distress  empathic concern
/ hulpreflex rond 2j en niet uniek vr mensen – kan uitblijven of later komen.
Kind kan



2

, bv (1) overladen zijn door de gevoelens van leed en onbehagen waardoor het
gefocust raakt op wegwerken negatieve toestand (over-arousal; kind geeft hierdoor
voorrang aan vermijden persoonlijk onbehagen – te empathisch) of
bv (2) gebrek aan emotionele regulatie: slaagt er niet in vluchtrespons in bedwang te
houden.



De empathieontwikkeling stopt niet op 4j – later meer gevoelens (zoals gemis, verraad,…)
Ook fysiek lijdende persoon hoeft niet meer aanwezig te zijn vanaf een bepaald persoon (bv
fictief verhaal). Later ook inzicht in toekomst, inzetten vr sociale acties om leed te
verminderen of plezier te verhogen.

° Verdelende rechtvaardigheid = fairness
Zie experiment met kapucijnaapjes – verzetten zich tegen ongelijke verdeling maar enkel wnr
de ongelijkheid henzelf benadeelt – mensapen qua rechtvaardigheidsgevoel wss enkel
nadelige ongelijkheidsaversie.

Onderscheid tussen prosociaal gedrag en altruïstisch gedrag:
o Prosociaal: niet pesterig of niet onverschillig tegenover de behoeften van anderen. Je
geeft wnr je zelf geen nadeel ondervindt. Onderzoek via het prosociaal spel (0/1 en
1/1). Apen niet persé pesterig maar vooral onverschillig, kennen geen verdelende
rechtvaardigheid.
o Altruïsme: het geven heeft ook een kost voor jou bv moeite doen, tijd investeren,…
Altruïstisch spel (2/0 of 1/1 – de altruïst kiest vr de tweede optie, je verliest zelf een
voordeel)

Onderscheid tussen nadelige en voordelige ongelijkheidsaversie:
o Nadelige ongelijkheidsaversie: verzet tegen verdeling die nadelig is vr jou maar
voordelig vr de andere.
o Positieve ongelijkheidsaversie: verzet tegen verdeling die voordelig os vr jou maar
nadelig vr de andere.
 testen via ongelijkheidspel

Onderscheid tweedepersoons- en derdepersoonsbestraffing:
o Tweedepersoonsbestraffing: medespeler stelt een verdeling voor, bij afwijzing krijgt
niemand iets. Ultimatumspel:één iemand verdeelt de andere heeft vetorecht, je
bestraft medespeler, zelf krijg je dan ook niets meer.
o Derdepersoonsbestraffing: je beoordeelt de verdeling als waarnemer (niet als
medespeler). Zelf dus geen nadeel bij ongelijke verdeling, je altruïsme staat in dienst
van de norm zelf.

De tweede optie van de onderscheiden is altijd nobeler op vlak van rechtvaardigheid.
Mensen:

o Kinderen v 2j voorkeur vr gelijke verdeling
o Kinderen v 4j verzetten tegen nadelige ongelijkheid kiezen vr 1/1 ipv 1/0. Maar
accepteren in ultimatumspel unfaire verdeling en treden niet op als
derdepersoonsbestraffer (dus verzet bij ongelijke verdeling van een derde maar niet
wnr de ongelijke verdeling wordt voorgesteld door het andere kind).
o 6-8j treden ze wel bestraffend op, ze begrijpen belang v straffen


3

, o 8j: meer en meer altruïstisch, voordelige ongelijkheidsaversie, bestraffing als derde
partij
o Zie pwp dia 35




° Andere morele vermogens:
Kinderen maken al heel vroeg in de ontwikkeling onderscheid tussen verschillende soorten
normovertredingen: morele en conventionele normovertedingen.
Verschil tussen overtredingen van conventies en overtredingen van morele normen op basis
van 4 criteria:
o Ernst
o Straf
o Regelcontigentie
o Autoriteit
 zie voorbeeld boek p 19 over vinger opsteken in de les of vinger in het oog van een
medeleerling steken.

Kinderen begrijpen vaak pas vanaf 10 j dat opzettelijke handelingen die mislukken in moreel
opzicht erger zijn dan onopzettelijke handelingen die wel lukken.

Kleuters ook moeite met morele emoties een plaats te geven – zie voorbeeld appel eten en
verschil in antwoorden adhv een kind van 4j of 8j – happy victimizer- experiment (gaat dus
over schuldbesef en schuldgevoelens – bv de mening dat normconform gedrag loont en zorgt
vr positievere gevoelens).
4-jarigen kennen wel schuldgevoelens maar kunnen die moeilijk afwegen tegenover andere
gevoelens.
Op 2j wel al schuldbesef: blozen, weglopen,… - echte schuldgevoelens vereisen heel veel
(zoals een zelfbeeld, causaal denken, tegenfeitelijk denken,…) dus komen pas later.

° Morele weerzin (=walging)

Walging: basisemotie, vooral aanwezig bij mensen.
Mensapen lichte aversie vr bv uitwerpselen van een ander, maar niet vr hun eigen
uitwerpselen – zuivere walging, exocoprofagie. Meeste dieren vermijden pathogene stoffen
zonder walging.

Tot 3j: nog geen walging. Boven de 3j: zuivere walging.
Rond 7j: besmettingsweerzin: niet alleen walging vr het vieze voorwerp maar ook vr
voorwerpen die in contact kwamen met dit vieze voorwerp.

Walging staat open voor ouderlijke instructie en culturele variatie – welke stoffen we
vermijden bepalen onze ouders en onze cultuur.

Meer en meer twijfels over morele walging (walgen v bv immorele handelingen):


4

Documentinformatie

Studie
Geüpload op
16 februari 2026
Aantal pagina's
97
Geschreven in
2024/2025
Type
Samenvatting
€8,16

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Verkocht
0
Volgers
0
Items
1
Laatst verkocht
-

Echte notities, van echte studenten
Elk document op Stuvia is geschreven door een medestudent die hetzelfde vak deed. Zo leer je van iemand die het al heeft gehaald.



Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen