Oefententamen 2 Financial Accounting 1
Dit tentamen bestaat uit 18 vragen. Er zijn 10 meerkeuzevragen en 8 open vragen.
Je kunt in totaal 65 punten behalen.
Cijfer = aantal behaalde punten/ 6,5
De uitwerkingen bevinden zich op de laatste pagina.
Een bedrijf sluit op 1 januari 2020 een financial-lease contract voor een machine,
met een cataloguswaarde van € 150.000. De economische levensduur van de
machine is vijf jaar, met een geschatte restwaarde van nihil. De onderneming schrijft
al haar machines af met gelijke bedragen per jaar. Aan het einde van elk jaar wordt
een leasetermijn € 41.611 betaald, deze termijn is gebaseerd op een
interestpercentage van 12% per jaar.
1. Welke posten en bedragen komen naar aanleiding van dit contract in de
resultatenrekening over 2020 van deze onderneming voor? 1pt
a. Aflossing € 30.000, interestkosten € 23.611
b. Afschrijvingskosten € 30.000, interestkosten € 23.611
c. Afschrijvingskosten € 30.000, interestkosten € 41.611
d. Afschrijvingskosten € 30.000, interestkosten € 18.000
2. Bij welk afschrijvingssysteem is het mogelijk dat de afschrijvingsbedragen in
latere jaren hoger zijn dan in de beginjaren? 1pt
a. Volgens de sum-of-the-years-digits
b. Met een vast percentage van de aanschafprijs
c. Met een vast percentage van de boekwaarde
d. Naar rato van gebruik
Een onderneming heeft begin januari 2018 een machine gekocht voor € 200.000,
in vijf jaar met gelijke bedragen per jaar af te schrijven naar nihil.
Eind 2020 zijn de vooruitzichten voor de markt waarin het bedrijf opereert niet erg
gunstig. Er wordt verwacht dat de machine nog twee jaar een opbrengst per jaar
kan realiseren van € 500.000; de exploitatiekosten zullen € 470.000 per jaar zijn.
Deze opbrengsten en exploitatiekosten worden verondersteld aan het eind jaar
binnen te komen. De gemiddelde vermogenskostenvoet van de onderneming is
10% per jaar. Eind 2020 is een handelaar bereid om de machine voor € 60.000 te
kopen.
3. De machine komt per 31 december 2020 op de balans te staan voor 1pt:
a. € 52.066
b. € 60.000
c. € 80.000
d. € 120.000
1
, Oefententamen 2 Financial Accounting 1
4. Welke stelling is juist? 1pt
a. Bij absorption costing worden alle variabele productiekosten in de
voorraadwaardering opgenomen en gaan alle constante productiekosten
direct naar de resultatenrekening.
b. Bij absorption costing worden alle constante productiekosten in de
voorraadwaardering opgenomen en gaan alle variabele productiekosten direct
naar de resultatenrekening.
c. Bij direct costing worden alle constante productiekosten in de
voorraadwaardering opgenomen en gaan alle variabele productiekosten direct
naar de resultatenrekening.
d. Bij direct costing worden alle variabele productiekosten in de
voorraadwaardering opgenomen en gaan alle constante productiekosten
direct naar de resultatenrekening.
Een onderneming heeft 2 januari 2020 de opdracht tot de bouw van een nieuwe
tunnel aan het voor het bedrag van € 140.000.000. De bouw zal twee jaar in beslag
nemen. De kosten worden in totaal begroot op € 125.000.000. Daarvan wordt €
75.000.000 in 2020 en € 50.000.000 in 2021 gepland. De totale aanneemsom wordt
bij oplevering betaald. De uitvoering van het werk verloopt volgens de begroting.
5. Hoeveel is met betrekking tot de tunnel volgens de zero profit methode de
balanswaarde van het onderhanden werk en de genomen winst per 31
december 2020? 1pt
a. Onderhanden werk: € 84.000.000, winst: € 0
b. Onderhanden werk: € 75.000.000, winst: € 9.000.000
c. Onderhanden werk: € 75.000.000, winst: € 0
d. Onderhanden werk: € 84.000.000, winst: € 9.000.000
6. Welke post behoort niet tot het gebonden vermogen van een NV? 1pt
a. Agio
b. Statutaire reserve
c. Gestort en opgevraagd kapitaal
d. Wettelijke reserve geactiveerde ontwikkelingskosten
7. Welke gebeurtenis dient rechtstreeks in het eigen vermogen verwerkt ter
worden? 1pt
a. Cumulatief effect van een stelselwijziging
b. Nationalisatie van een dochter in het buitenland
c. Bijzondere waardevermindering van een machine
d. Vorming van een reorganisatievoorziening
8. Welke post komt niet voor in een categorische resultatenrekening? 1pt
a. Kosten uitbesteed werk en andere externe kosten
b. Bedrijfsresultaat
c. Verkoopkosten
d. Resultaat voor aftrek van belastingen
2
Dit tentamen bestaat uit 18 vragen. Er zijn 10 meerkeuzevragen en 8 open vragen.
Je kunt in totaal 65 punten behalen.
Cijfer = aantal behaalde punten/ 6,5
De uitwerkingen bevinden zich op de laatste pagina.
Een bedrijf sluit op 1 januari 2020 een financial-lease contract voor een machine,
met een cataloguswaarde van € 150.000. De economische levensduur van de
machine is vijf jaar, met een geschatte restwaarde van nihil. De onderneming schrijft
al haar machines af met gelijke bedragen per jaar. Aan het einde van elk jaar wordt
een leasetermijn € 41.611 betaald, deze termijn is gebaseerd op een
interestpercentage van 12% per jaar.
1. Welke posten en bedragen komen naar aanleiding van dit contract in de
resultatenrekening over 2020 van deze onderneming voor? 1pt
a. Aflossing € 30.000, interestkosten € 23.611
b. Afschrijvingskosten € 30.000, interestkosten € 23.611
c. Afschrijvingskosten € 30.000, interestkosten € 41.611
d. Afschrijvingskosten € 30.000, interestkosten € 18.000
2. Bij welk afschrijvingssysteem is het mogelijk dat de afschrijvingsbedragen in
latere jaren hoger zijn dan in de beginjaren? 1pt
a. Volgens de sum-of-the-years-digits
b. Met een vast percentage van de aanschafprijs
c. Met een vast percentage van de boekwaarde
d. Naar rato van gebruik
Een onderneming heeft begin januari 2018 een machine gekocht voor € 200.000,
in vijf jaar met gelijke bedragen per jaar af te schrijven naar nihil.
Eind 2020 zijn de vooruitzichten voor de markt waarin het bedrijf opereert niet erg
gunstig. Er wordt verwacht dat de machine nog twee jaar een opbrengst per jaar
kan realiseren van € 500.000; de exploitatiekosten zullen € 470.000 per jaar zijn.
Deze opbrengsten en exploitatiekosten worden verondersteld aan het eind jaar
binnen te komen. De gemiddelde vermogenskostenvoet van de onderneming is
10% per jaar. Eind 2020 is een handelaar bereid om de machine voor € 60.000 te
kopen.
3. De machine komt per 31 december 2020 op de balans te staan voor 1pt:
a. € 52.066
b. € 60.000
c. € 80.000
d. € 120.000
1
, Oefententamen 2 Financial Accounting 1
4. Welke stelling is juist? 1pt
a. Bij absorption costing worden alle variabele productiekosten in de
voorraadwaardering opgenomen en gaan alle constante productiekosten
direct naar de resultatenrekening.
b. Bij absorption costing worden alle constante productiekosten in de
voorraadwaardering opgenomen en gaan alle variabele productiekosten direct
naar de resultatenrekening.
c. Bij direct costing worden alle constante productiekosten in de
voorraadwaardering opgenomen en gaan alle variabele productiekosten direct
naar de resultatenrekening.
d. Bij direct costing worden alle variabele productiekosten in de
voorraadwaardering opgenomen en gaan alle constante productiekosten
direct naar de resultatenrekening.
Een onderneming heeft 2 januari 2020 de opdracht tot de bouw van een nieuwe
tunnel aan het voor het bedrag van € 140.000.000. De bouw zal twee jaar in beslag
nemen. De kosten worden in totaal begroot op € 125.000.000. Daarvan wordt €
75.000.000 in 2020 en € 50.000.000 in 2021 gepland. De totale aanneemsom wordt
bij oplevering betaald. De uitvoering van het werk verloopt volgens de begroting.
5. Hoeveel is met betrekking tot de tunnel volgens de zero profit methode de
balanswaarde van het onderhanden werk en de genomen winst per 31
december 2020? 1pt
a. Onderhanden werk: € 84.000.000, winst: € 0
b. Onderhanden werk: € 75.000.000, winst: € 9.000.000
c. Onderhanden werk: € 75.000.000, winst: € 0
d. Onderhanden werk: € 84.000.000, winst: € 9.000.000
6. Welke post behoort niet tot het gebonden vermogen van een NV? 1pt
a. Agio
b. Statutaire reserve
c. Gestort en opgevraagd kapitaal
d. Wettelijke reserve geactiveerde ontwikkelingskosten
7. Welke gebeurtenis dient rechtstreeks in het eigen vermogen verwerkt ter
worden? 1pt
a. Cumulatief effect van een stelselwijziging
b. Nationalisatie van een dochter in het buitenland
c. Bijzondere waardevermindering van een machine
d. Vorming van een reorganisatievoorziening
8. Welke post komt niet voor in een categorische resultatenrekening? 1pt
a. Kosten uitbesteed werk en andere externe kosten
b. Bedrijfsresultaat
c. Verkoopkosten
d. Resultaat voor aftrek van belastingen
2