Businessmanagement 1.3
Analyse bedrijf
Klassiek:
1) Planningsschool (Keuning & Eppink, Ansoff)
Klassiek: zeer planmatige aanpak = strategische planning
2) Positioneringsschool (Michael Porter)
Outside – Inside perspectief: de bedrijfstak vormt het uitgangspunt voor de
strategiekeuze. Porter hanteert een model voor bedrijfstak-analyse gekoppeld aan
concurrentiestrategieën
Modern:
3) Dynamisch proces (Mintzberg)Strategie is een dynamisch proces. Lastig te voorspellen
4) Competentieschool (Hamel & Prahalad)
Kijkt vooral naar de eigen kwaliteiten (core competences + distinctive competences).
Uitgangspunt: concurrentievoordeel behalen door het ontwikkelen van unieke
middelen en vaardigheden
Bedrijf vormen:
Rechtsvormen:
- Eenmanszaak:
- besloten vennootschap (BV): niet op de beurs
- stichting;
- organisatie wil geen winst maken, heeft wel een bestuur, winst wordt gemaakt blijft binnen
de organisatie.
- nameloze vennootschap (NV),
- vereniging: leden van de vereniging betalen contributie dus deel van de participant,
- vennootschap onder Firma(vof),
- maatschap
keuzes voor rechtsvormen kiezen:
- oprichtingseisen
- oprichtingskosten
- kapitaal storten
- bestuur
- zeggenschap
- handelsregister inschrijving
- rechtspersoonlijkheid
- belastingen (regelgeving)
- openbare financiële resultaten
, Situatieanalyse
- visie = missie + principes: algemeen gedachtegang van de toekomst van een organisatie
- missie= beschrijving van product- marktcombinatie en de manier waarop men hiermee een
structureel concurrentievoordeel kan realiseren
- doelstellingen (SMART): relatie v.d. organisatie met haar omgeving en medewerkers
- intern (sterkte en zwakte)
- Extern (kansen en bedreigingen)
Structuur organisatie: bij het ontwerpen van organisaties spelen 3 structuurgrootheden een rol t.w.:
- Verbijzondering: hoe ga je hoofdstructuur ontwerpen? Welke afdelingen heb je nodig? Bv:
schoonmaak, brood, kassa bij supermarkt
- Centralisatie: waar wordt de beslissingsbevoegdheid gelegd? Alleen de baas of ook lager in
de organisatie zodat de mensen op de werkvloer snel in kunnen spelen. Bv. Albert Heijn.
Centraal: assortiment aanpassen moet van bovenaf besloten worden , decentraal besloten:
betreft het personeel indeling en aannemen.
- Hiërarchie: wie wordt de baas van wie? effectief werken, niet te ver doorvoeren
o Platte organisatie: weinig lagen, weinig hiërarchie, minder bazen
o Voorbeelden:
Topmanagement: is verantwoordelijk voor de algehele leiding
Grote lijnen
Middenmanagement: stuurt de activiteiten aan van het lager management/
de uitvoerende medewerkers( kan bestaan uit meerdere hiërarchie lagen
Zodanig dat de optimale resultaten worden bereikt.
Lager management: is het laagste niveau van leidinggevende
( afdelingsmanagers)
Sleutelpositie bij het doorvoeren van veranderingen.
Afdelingsvormen
- interne differentiatie: bundeling van competenties bv financieel op 1 afdeling >
communicatie tussen afdelingen kan soms niet goed. En coördinatie gaat slecht.
o Voordelen
efficiënt gebruik van de beschikbare werkkracht
bereiken van grote vaardigheid en routine
goede mogelijkheden voor automatisering
o nadelen
coördinatieproblemen (functionele koninkrijkjes)
eentonigheid van het werk
geringe flexibiliteit van de werknemers
- interne specialisatie: alle mensen op 1 afdeling die ergens goed in zijn bv marketing,
financieel, business samen > de afdelingen opzetten rondom het eindresultaat. Product >
doelgroep/markt > geografisch bv apple verschillende kantoren verschillende landen.
o Kortere communicatielijnen, probleemoplossing sneller, afwisselend werken, hogere
overheadkosten (receptionisten, huur meerdere kantoren, meer personeel)
Voordelen:
betere coördinatie tussen de processen
kortere communicatielijnen
Analyse bedrijf
Klassiek:
1) Planningsschool (Keuning & Eppink, Ansoff)
Klassiek: zeer planmatige aanpak = strategische planning
2) Positioneringsschool (Michael Porter)
Outside – Inside perspectief: de bedrijfstak vormt het uitgangspunt voor de
strategiekeuze. Porter hanteert een model voor bedrijfstak-analyse gekoppeld aan
concurrentiestrategieën
Modern:
3) Dynamisch proces (Mintzberg)Strategie is een dynamisch proces. Lastig te voorspellen
4) Competentieschool (Hamel & Prahalad)
Kijkt vooral naar de eigen kwaliteiten (core competences + distinctive competences).
Uitgangspunt: concurrentievoordeel behalen door het ontwikkelen van unieke
middelen en vaardigheden
Bedrijf vormen:
Rechtsvormen:
- Eenmanszaak:
- besloten vennootschap (BV): niet op de beurs
- stichting;
- organisatie wil geen winst maken, heeft wel een bestuur, winst wordt gemaakt blijft binnen
de organisatie.
- nameloze vennootschap (NV),
- vereniging: leden van de vereniging betalen contributie dus deel van de participant,
- vennootschap onder Firma(vof),
- maatschap
keuzes voor rechtsvormen kiezen:
- oprichtingseisen
- oprichtingskosten
- kapitaal storten
- bestuur
- zeggenschap
- handelsregister inschrijving
- rechtspersoonlijkheid
- belastingen (regelgeving)
- openbare financiële resultaten
, Situatieanalyse
- visie = missie + principes: algemeen gedachtegang van de toekomst van een organisatie
- missie= beschrijving van product- marktcombinatie en de manier waarop men hiermee een
structureel concurrentievoordeel kan realiseren
- doelstellingen (SMART): relatie v.d. organisatie met haar omgeving en medewerkers
- intern (sterkte en zwakte)
- Extern (kansen en bedreigingen)
Structuur organisatie: bij het ontwerpen van organisaties spelen 3 structuurgrootheden een rol t.w.:
- Verbijzondering: hoe ga je hoofdstructuur ontwerpen? Welke afdelingen heb je nodig? Bv:
schoonmaak, brood, kassa bij supermarkt
- Centralisatie: waar wordt de beslissingsbevoegdheid gelegd? Alleen de baas of ook lager in
de organisatie zodat de mensen op de werkvloer snel in kunnen spelen. Bv. Albert Heijn.
Centraal: assortiment aanpassen moet van bovenaf besloten worden , decentraal besloten:
betreft het personeel indeling en aannemen.
- Hiërarchie: wie wordt de baas van wie? effectief werken, niet te ver doorvoeren
o Platte organisatie: weinig lagen, weinig hiërarchie, minder bazen
o Voorbeelden:
Topmanagement: is verantwoordelijk voor de algehele leiding
Grote lijnen
Middenmanagement: stuurt de activiteiten aan van het lager management/
de uitvoerende medewerkers( kan bestaan uit meerdere hiërarchie lagen
Zodanig dat de optimale resultaten worden bereikt.
Lager management: is het laagste niveau van leidinggevende
( afdelingsmanagers)
Sleutelpositie bij het doorvoeren van veranderingen.
Afdelingsvormen
- interne differentiatie: bundeling van competenties bv financieel op 1 afdeling >
communicatie tussen afdelingen kan soms niet goed. En coördinatie gaat slecht.
o Voordelen
efficiënt gebruik van de beschikbare werkkracht
bereiken van grote vaardigheid en routine
goede mogelijkheden voor automatisering
o nadelen
coördinatieproblemen (functionele koninkrijkjes)
eentonigheid van het werk
geringe flexibiliteit van de werknemers
- interne specialisatie: alle mensen op 1 afdeling die ergens goed in zijn bv marketing,
financieel, business samen > de afdelingen opzetten rondom het eindresultaat. Product >
doelgroep/markt > geografisch bv apple verschillende kantoren verschillende landen.
o Kortere communicatielijnen, probleemoplossing sneller, afwisselend werken, hogere
overheadkosten (receptionisten, huur meerdere kantoren, meer personeel)
Voordelen:
betere coördinatie tussen de processen
kortere communicatielijnen