Grammatica zinsdelen
Persoonsvorm (pv)
Persoonsvorm is een werkwoord en geeft het getal en de tijd aan.
Manieren om de persoonsvorm te vinden:
Vragend maken. Persoonsvorm vooraan.
In andere tijd zetten. Persoonsvorm verandert.
Getal veranderen. Persoonsvorm verandert.
Voor persoonsvorm staat meestal 1 zinsdeel.
Manieren om zin in zinsdelen te verdelen:
Zin veranderen kijken welke woorden samenblijven dat is een zinsdeel.
Woorden die je samen voor de persoonsvorm kan zetten is ook een zinsdeel.
Onderwerp (ow)
Geeft aan wie of wat iets doet.
Manier om onderwerp te vinden:
Persoonsvorm zoeken en zinsdelen aangeven met streepjes.
Wie/wat + persoonsvorm = onderwerp.
Werkwoordelijk gezegde (wg)
Alle werkwoorden uit een zin. Zegt wat het onderwerp doet. Persoonsvorm (+ alle andere
werkwoorden).
Bij te of aan het voor een werkwoord hoort die bij het wg. Het kan ook een uitdrukking zijn.
Lijdend voorwerp (lv)
Iemand overkomt iets. En begint nooit met een voorzetsel.
Manier om lv te vinden:
Ow en wg noteren.
Wat/wie + wg + ow = lv
Meewerkend voorwerp (mv)
Geeft aan voor wie iets bestemd is. Kan beginnen met aan of voor. Als het er niet mee
begint kun je het er wel voorzetten. En andersom.
Manier om mv te vinden:
Aan/voor wie + wg + ow + lv = mv
Controleren door aan of voor ervoor te zetten of weg te laten.
Naamwoordelijk gezegde (ng)
Naamwoordelijk gezegde geeft aan of iemand iets is of wordt. Bestaat uit een
werkwoordelijk deel en naamwoordelijk deel.
, Werkwoordelijk deel (ww.deel): alle werkwoorden uit de zin. Een van de werkwoorden is
het koppelwerkwoord (kww): zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken
en voorkomen.
Naamwoordelijk deel (nw.deel): bevat een bijvoeglijk of zelfstandig naamwoord. Het geeft
een eigenschap van het onderwerp aan. Koppelwerkwoord koppelt eigenschap aan
onderwerp.
In zinnen met een naamwoordelijk gezegde staat nooit een lv, maar wel soms een mv.
Manier om ng te vinden:
Kijken of er een vorm van zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten,
dunken of voorkomen.
Onderwerp doet iets of is iets?
Onderwerp is iets: wat + persoonsvorm + onderwerp + overige werkwoorden =
nw.deel.
Ng noteren: pv + (nw.deel) + overige werkwoorden. Nw.deel tussen vierkante haken.
Bijwoordelijke bepaling (bwb)
Geeft antwoord op de vragen: Hoe? Hoelang? Hoever? Waar? Waardoor? Waarheen?
Waarom? Waarover? Waarvandaan? Waar...? Wanneer?
De vraagwoorden waarmee je bwb zoekt zijn in een zin ook bwb. Niet alle bwb geven
antwoord op een vraag. Ook woorden als: niet, wel, zeker, absoluut, eigenlijk, allicht,
natuurlijk, misschien, vermoedelijk en waarschijnlijk zijn bwb.
Gezegde en lijdend voorwerp bij wederkerende werkwoorden
Bij verplicht wederkerende werkwoorden hoort altijd een wederkerend voornaamwoord. In
een zin met een verplicht wederkerend ww hoort het wederkerend voornaamwoord bij het
wg en is dus geen lv.
Bij toevallig wederkerende werkwoorden hoort niet altijd een wederkerend
voornaamwoord. Het wederkerend voornaamwoord hoort dan niet bij het wg, maar het is
het lv.
Bij verplicht wederkerende werkwoorden kun je voor het wederkerend voornaamwoord
geen ander persoon in vullen en kun je niet zelf eraan vastplakken. Bij toevallig
wederkerende voornaamwoorden kan dit meestal wel.
Voorzetselvoorwerp (vv)
Sommige ww hebben een vast voorzetsel. In zinnen met deze ww is het zinsdeel dat begint
met dit voorzetsel het vv. Bij wederkerende ww met een vast voorzetsel hoort ook een vv.
Persoonsvorm (pv)
Persoonsvorm is een werkwoord en geeft het getal en de tijd aan.
Manieren om de persoonsvorm te vinden:
Vragend maken. Persoonsvorm vooraan.
In andere tijd zetten. Persoonsvorm verandert.
Getal veranderen. Persoonsvorm verandert.
Voor persoonsvorm staat meestal 1 zinsdeel.
Manieren om zin in zinsdelen te verdelen:
Zin veranderen kijken welke woorden samenblijven dat is een zinsdeel.
Woorden die je samen voor de persoonsvorm kan zetten is ook een zinsdeel.
Onderwerp (ow)
Geeft aan wie of wat iets doet.
Manier om onderwerp te vinden:
Persoonsvorm zoeken en zinsdelen aangeven met streepjes.
Wie/wat + persoonsvorm = onderwerp.
Werkwoordelijk gezegde (wg)
Alle werkwoorden uit een zin. Zegt wat het onderwerp doet. Persoonsvorm (+ alle andere
werkwoorden).
Bij te of aan het voor een werkwoord hoort die bij het wg. Het kan ook een uitdrukking zijn.
Lijdend voorwerp (lv)
Iemand overkomt iets. En begint nooit met een voorzetsel.
Manier om lv te vinden:
Ow en wg noteren.
Wat/wie + wg + ow = lv
Meewerkend voorwerp (mv)
Geeft aan voor wie iets bestemd is. Kan beginnen met aan of voor. Als het er niet mee
begint kun je het er wel voorzetten. En andersom.
Manier om mv te vinden:
Aan/voor wie + wg + ow + lv = mv
Controleren door aan of voor ervoor te zetten of weg te laten.
Naamwoordelijk gezegde (ng)
Naamwoordelijk gezegde geeft aan of iemand iets is of wordt. Bestaat uit een
werkwoordelijk deel en naamwoordelijk deel.
, Werkwoordelijk deel (ww.deel): alle werkwoorden uit de zin. Een van de werkwoorden is
het koppelwerkwoord (kww): zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken
en voorkomen.
Naamwoordelijk deel (nw.deel): bevat een bijvoeglijk of zelfstandig naamwoord. Het geeft
een eigenschap van het onderwerp aan. Koppelwerkwoord koppelt eigenschap aan
onderwerp.
In zinnen met een naamwoordelijk gezegde staat nooit een lv, maar wel soms een mv.
Manier om ng te vinden:
Kijken of er een vorm van zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten,
dunken of voorkomen.
Onderwerp doet iets of is iets?
Onderwerp is iets: wat + persoonsvorm + onderwerp + overige werkwoorden =
nw.deel.
Ng noteren: pv + (nw.deel) + overige werkwoorden. Nw.deel tussen vierkante haken.
Bijwoordelijke bepaling (bwb)
Geeft antwoord op de vragen: Hoe? Hoelang? Hoever? Waar? Waardoor? Waarheen?
Waarom? Waarover? Waarvandaan? Waar...? Wanneer?
De vraagwoorden waarmee je bwb zoekt zijn in een zin ook bwb. Niet alle bwb geven
antwoord op een vraag. Ook woorden als: niet, wel, zeker, absoluut, eigenlijk, allicht,
natuurlijk, misschien, vermoedelijk en waarschijnlijk zijn bwb.
Gezegde en lijdend voorwerp bij wederkerende werkwoorden
Bij verplicht wederkerende werkwoorden hoort altijd een wederkerend voornaamwoord. In
een zin met een verplicht wederkerend ww hoort het wederkerend voornaamwoord bij het
wg en is dus geen lv.
Bij toevallig wederkerende werkwoorden hoort niet altijd een wederkerend
voornaamwoord. Het wederkerend voornaamwoord hoort dan niet bij het wg, maar het is
het lv.
Bij verplicht wederkerende werkwoorden kun je voor het wederkerend voornaamwoord
geen ander persoon in vullen en kun je niet zelf eraan vastplakken. Bij toevallig
wederkerende voornaamwoorden kan dit meestal wel.
Voorzetselvoorwerp (vv)
Sommige ww hebben een vast voorzetsel. In zinnen met deze ww is het zinsdeel dat begint
met dit voorzetsel het vv. Bij wederkerende ww met een vast voorzetsel hoort ook een vv.