Kennislijn leerjaar 2 mens in context
Les 1 ondersteuning bij leefstijl
Stress: een reactie van je lichaam en je brein die spanning, druk of
verandering veroorzaken. Het is eigenlijk een natuurlijke
overlevingsreactie: je lichaam maakt hormonen aan (zoals adrenaline en
cortisol) om je alert en klaar te maken om actie te ondernemen. Stress is
niet altijd slecht, maar langdurige stress kan je lichaam en geest belasten.
(bijv. een beetje stress kan je helpen om beter te presteren voor een
examen of sportwedstrijd)
- Bevriezen: je bevriest/verstijft in een situatie
- Vechten: je gaat vechten in een situatie
- Vluchten: je gaat vluchten in een situatie
- Tend and befriend: Verzorgend gedrag vertonen, zoals het kalmeren
en beschermen van kinderen of kwetsbare anderen en steun zoeken.
Eustress (functionele stress): is positieve stress die je motiveert en
helpt goed te presenteren. Is ook belangrijk voor onze veiligheid en helpt
bij het focussen. Ook pept het op. (Bijv. bij een sportwedstrijd of examen)
Distress: het is negatieve stress die je functioneren kan verstoren. Je
voelt je heel slecht, overweldigd, bang of wanhopig. (bijv. na een ongeluk
of langdurige werkdruk)
Stress Copingstijlen (volgens de UCL Utrechtse Coping List): de
typische manier waarop mensen omgaan met stress. Iedereen heeft zijn
eigen voorkeuren voor hoe hij of zij problemen aanpakt of spanning
vermindert. Dit is een lijst met verschillende copingstijlen die mensen
gebruiken bij stress.
1. Actief aanpakken/confronteren (de situatie van alle kanten bekijken,
de zaken op een rijtje zetten, doelgericht en met vertrouwen te werk
gaan om het probleem op te lossen)
2. Afwachten/vermijden (de zaak op zijn beloop laten, de situatie uit de
weg gaan of afwachten wat er gaat gebeuren)
3. Palliatieve/verdovend reactie (de afleiding zoeken, proberen zich
prettiger te voelen door te roken, te drinken ongezond te eten,
stappen of zich te ontspannen)
4. Sociale steun zoeken (troost, begrip, zorgen delen of hulp halen/
zowel problem-focused als emotion focused)
5. Passieve reactie (zich volledig door de problemen in beslag laten
nemen/de zaak somber inzien/zich piekerend in zichzelf
terugtrekken, piekeren over het verleden/niet in staat zijn iets te
doen aan de situatie)
6. Expressie van emoties (het laten blijken van emoties zoals ergernis
of kwaadheid en het afreageren op anderen)
7. Geruststellende gedachten (jezelf moed inspreken, relativeren en
afvragen of er een positieve kant is)
, Cognitieve dissonantie: je doet iets en denkt daarna na over de
consequenties en vraagt je af waarom je zoiets hebt gedaan (bijv. terugval
in verslaving)
Cognitieve dissonantiereductie: wanneer je mening en je gedrag weer
om één lijn zitten neemt de spanning af en dit heet cognitieve
dissonantiereductie. Zon reductie kan op verschillende manieren
plaatsvinden:
- Gedrag veranderen: korter douchen of dure items terug brengen
naar de winkel. Dit is geen oplossing voor de langer termijn en kan
dus niet eenvoudig worden gestopt.
- Het veranderen van je opvattingen: je ideeën en opvattingen
bijstellen.
- Het veranderen van de manier waarop je kijkt naar je gedrag of
opvattingen: je stopt dingen weg die je eigenlijk wel doet.
Bijvoorbeeld zo lang en heet douche ik nou ook weer niet. Dus je
rechtvaardigt je gedrag door het conflict te
Leefstijl: heeft betrekking op goede gewoontes dus hoe je leeft en met
name hoe dat van invloed is op je welzijn. Denk aan slaapgebrek, voeding,
het gebruik van genotsmiddelen zoals roken, alcohol en drugs,
seksualiteit, relaties, zonnebaden en lichaamsbewegingen. Een goede
leefstijl vergroot de kans op welbevinden en een slechte leefstijl doet het
omgekeerde.
Omgevingsdeterminanten: je hebt hier minder invloed op. (bijv.
overgewicht krijgt veel kans doordat er een groot aanbod is aan relatief
goedkoop en lekker voedsel)
Gedragsdeterminanten van persoonlijke aard (negen): hier heb je in
principe veel invloed op, maar op de omgevingsdeterminanten minder.
Verstand hebben van gedragsdeterminanten vergroot je mogelijkheden
om cliënten te helpen.
1. Gedragsintentie: een goede voornemen of het besluit
2. Attitude: de houding (gevoel/overtuiging/geneigdheid) ten opzichte
van het gedrag
3. Subjectieve norm en ervaren sociale invloed: wat in jouw omgeving
normaal is en hoe jij daarmee omgaat
4. Eigen effectiviteitsverwachting: afvragen of je echt wilt stoppen met
iets
5. Geanticipeerde spijt en morele verplichting: de spijt die je in de
toekomst ziet aankomen (bijv. kanker krijgen als je hebt gerookt)
6. Risico-inschatting: je eigen risico inschatten
7. Kennis: kennis hebben over het gedrag
8. Bewustzijn: link leggen tussen gedrag en kennis
9. Persoonlijkheid
Les 2 ondersteuning bij herstel
Les 1 ondersteuning bij leefstijl
Stress: een reactie van je lichaam en je brein die spanning, druk of
verandering veroorzaken. Het is eigenlijk een natuurlijke
overlevingsreactie: je lichaam maakt hormonen aan (zoals adrenaline en
cortisol) om je alert en klaar te maken om actie te ondernemen. Stress is
niet altijd slecht, maar langdurige stress kan je lichaam en geest belasten.
(bijv. een beetje stress kan je helpen om beter te presteren voor een
examen of sportwedstrijd)
- Bevriezen: je bevriest/verstijft in een situatie
- Vechten: je gaat vechten in een situatie
- Vluchten: je gaat vluchten in een situatie
- Tend and befriend: Verzorgend gedrag vertonen, zoals het kalmeren
en beschermen van kinderen of kwetsbare anderen en steun zoeken.
Eustress (functionele stress): is positieve stress die je motiveert en
helpt goed te presenteren. Is ook belangrijk voor onze veiligheid en helpt
bij het focussen. Ook pept het op. (Bijv. bij een sportwedstrijd of examen)
Distress: het is negatieve stress die je functioneren kan verstoren. Je
voelt je heel slecht, overweldigd, bang of wanhopig. (bijv. na een ongeluk
of langdurige werkdruk)
Stress Copingstijlen (volgens de UCL Utrechtse Coping List): de
typische manier waarop mensen omgaan met stress. Iedereen heeft zijn
eigen voorkeuren voor hoe hij of zij problemen aanpakt of spanning
vermindert. Dit is een lijst met verschillende copingstijlen die mensen
gebruiken bij stress.
1. Actief aanpakken/confronteren (de situatie van alle kanten bekijken,
de zaken op een rijtje zetten, doelgericht en met vertrouwen te werk
gaan om het probleem op te lossen)
2. Afwachten/vermijden (de zaak op zijn beloop laten, de situatie uit de
weg gaan of afwachten wat er gaat gebeuren)
3. Palliatieve/verdovend reactie (de afleiding zoeken, proberen zich
prettiger te voelen door te roken, te drinken ongezond te eten,
stappen of zich te ontspannen)
4. Sociale steun zoeken (troost, begrip, zorgen delen of hulp halen/
zowel problem-focused als emotion focused)
5. Passieve reactie (zich volledig door de problemen in beslag laten
nemen/de zaak somber inzien/zich piekerend in zichzelf
terugtrekken, piekeren over het verleden/niet in staat zijn iets te
doen aan de situatie)
6. Expressie van emoties (het laten blijken van emoties zoals ergernis
of kwaadheid en het afreageren op anderen)
7. Geruststellende gedachten (jezelf moed inspreken, relativeren en
afvragen of er een positieve kant is)
, Cognitieve dissonantie: je doet iets en denkt daarna na over de
consequenties en vraagt je af waarom je zoiets hebt gedaan (bijv. terugval
in verslaving)
Cognitieve dissonantiereductie: wanneer je mening en je gedrag weer
om één lijn zitten neemt de spanning af en dit heet cognitieve
dissonantiereductie. Zon reductie kan op verschillende manieren
plaatsvinden:
- Gedrag veranderen: korter douchen of dure items terug brengen
naar de winkel. Dit is geen oplossing voor de langer termijn en kan
dus niet eenvoudig worden gestopt.
- Het veranderen van je opvattingen: je ideeën en opvattingen
bijstellen.
- Het veranderen van de manier waarop je kijkt naar je gedrag of
opvattingen: je stopt dingen weg die je eigenlijk wel doet.
Bijvoorbeeld zo lang en heet douche ik nou ook weer niet. Dus je
rechtvaardigt je gedrag door het conflict te
Leefstijl: heeft betrekking op goede gewoontes dus hoe je leeft en met
name hoe dat van invloed is op je welzijn. Denk aan slaapgebrek, voeding,
het gebruik van genotsmiddelen zoals roken, alcohol en drugs,
seksualiteit, relaties, zonnebaden en lichaamsbewegingen. Een goede
leefstijl vergroot de kans op welbevinden en een slechte leefstijl doet het
omgekeerde.
Omgevingsdeterminanten: je hebt hier minder invloed op. (bijv.
overgewicht krijgt veel kans doordat er een groot aanbod is aan relatief
goedkoop en lekker voedsel)
Gedragsdeterminanten van persoonlijke aard (negen): hier heb je in
principe veel invloed op, maar op de omgevingsdeterminanten minder.
Verstand hebben van gedragsdeterminanten vergroot je mogelijkheden
om cliënten te helpen.
1. Gedragsintentie: een goede voornemen of het besluit
2. Attitude: de houding (gevoel/overtuiging/geneigdheid) ten opzichte
van het gedrag
3. Subjectieve norm en ervaren sociale invloed: wat in jouw omgeving
normaal is en hoe jij daarmee omgaat
4. Eigen effectiviteitsverwachting: afvragen of je echt wilt stoppen met
iets
5. Geanticipeerde spijt en morele verplichting: de spijt die je in de
toekomst ziet aankomen (bijv. kanker krijgen als je hebt gerookt)
6. Risico-inschatting: je eigen risico inschatten
7. Kennis: kennis hebben over het gedrag
8. Bewustzijn: link leggen tussen gedrag en kennis
9. Persoonlijkheid
Les 2 ondersteuning bij herstel