Oefentoets arbeidspsychologie deeltentamen 1
Vraag 1.
Waar richt arbeidspsychologie zich voornamelijk op?
A. Arbeidspsychologie richt zich voornamelijk op het verhogen van de productiviteit van
werknemers zonder rekening te houden met hun welzijn.
B. Arbeidspsychologie is voornamelijk geïnteresseerd in het maximaliseren van
werknemerswelzijn als een middel om werkprestaties te verbeteren.
C. Arbeidspsychologie legt vooral de nadruk op sturen van werknemers zodat ze
voldoen aan organisatorische normen.
D. Arbeidspsychologie richt zich uitsluitend op het welzijn van werknemers en negeert
andere aspecten zoals werkprestaties en organisatorische doelen.
Juiste antwoord: B
Vraag 2.
Volgens het Marie Jahoda's Relative Deprivation Model, welke van de volgende opties is
geen deel van de vijf klassen van sociale voordelen die werk biedt?
A. Tijdstructuur
B. Kansen voor sociale interactie
C. Financiële compensatie
D. Delen van een gemeenschappelijk doel
Juiste antwoord: C
Vraag 3.
Wat was volgens Frederick Taylor een fundamentele aanname van wetenschappelijk
beheer?
A. Werkers zijn van nature gemotiveerd en vindingrijk.
B. Elke taak heeft een 'beste manier' van uitvoering die wetenschappelijk bepaald kan
worden.
C. Alle werkers zijn gelijk en uitwisselbaar.
D. Complexe taken zijn het meest productief als ze onveranderd blijven.
Juiste Antwoord: B
, Vraag 4.
Wat kenmerkt de verschuiving van voornamelijk productiewerk naar overwegend
dienstverlening en kenniswerk?
A. Een afname van de fysieke belasting en een toename van emotionele eisen.
B. Een vermindering van de diversiteit op de werkvloer.
C. Een groei in de vraag naar arbeiders in de vervaardigingsindustrie.
D. Een afname in het gebruik van technologie op de werkplek.
Juiste Antwoord:A
Vraag 5.
Hoe beïnvloedt de bevrediging van de basale psychologische behoeften volgens de
Zelfbepalingstheorie (Self-Determination Theory, SDT) de motivatie en het welzijn van
werknemers?
A. De bevrediging van basale psychologische behoeften verhoogt de intrinsieke
motivatie, wat leidt tot verbeterde prestaties en welzijn.
B. Het voldoen aan basale psychologische behoeften heeft weinig eUect op motivatie,
maar verhoogt de persoonlijke tevredenheid van werknemers.
C. Het negeren van basale psychologische behoeften verhoogt de extrinsieke motivatie,
wat essentieel is voor hogere productiviteit.
D. Basale psychologische behoeften zijn alleen relevant in persoonlijke settings en
hebben geen significante impact op professionele omgevingen.
Juiste Antwoord: A
Vraag 6.
Wat beschrijft het beste de impact van de "crowding out eUect" volgens de
Zelfbepalingstheorie (SDT)?
A. Het verhoogt de intrinsieke motivatie van werknemers door het introduceren van
financiële beloningen voor taken waar ze al van genieten.
B. Het vermindert de intrinsieke motivatie en kan de prestaties verlagen wanneer
extrinsieke beloningen worden geïntroduceerd voor taken waar werknemers al intrinsiek
gemotiveerd voor zijn.
C. Het heeft geen invloed op de intrinsieke motivatie maar verhoogt de extrinsieke
motivatie door het toevoegen van competitieve elementen aan het werk.
Vraag 1.
Waar richt arbeidspsychologie zich voornamelijk op?
A. Arbeidspsychologie richt zich voornamelijk op het verhogen van de productiviteit van
werknemers zonder rekening te houden met hun welzijn.
B. Arbeidspsychologie is voornamelijk geïnteresseerd in het maximaliseren van
werknemerswelzijn als een middel om werkprestaties te verbeteren.
C. Arbeidspsychologie legt vooral de nadruk op sturen van werknemers zodat ze
voldoen aan organisatorische normen.
D. Arbeidspsychologie richt zich uitsluitend op het welzijn van werknemers en negeert
andere aspecten zoals werkprestaties en organisatorische doelen.
Juiste antwoord: B
Vraag 2.
Volgens het Marie Jahoda's Relative Deprivation Model, welke van de volgende opties is
geen deel van de vijf klassen van sociale voordelen die werk biedt?
A. Tijdstructuur
B. Kansen voor sociale interactie
C. Financiële compensatie
D. Delen van een gemeenschappelijk doel
Juiste antwoord: C
Vraag 3.
Wat was volgens Frederick Taylor een fundamentele aanname van wetenschappelijk
beheer?
A. Werkers zijn van nature gemotiveerd en vindingrijk.
B. Elke taak heeft een 'beste manier' van uitvoering die wetenschappelijk bepaald kan
worden.
C. Alle werkers zijn gelijk en uitwisselbaar.
D. Complexe taken zijn het meest productief als ze onveranderd blijven.
Juiste Antwoord: B
, Vraag 4.
Wat kenmerkt de verschuiving van voornamelijk productiewerk naar overwegend
dienstverlening en kenniswerk?
A. Een afname van de fysieke belasting en een toename van emotionele eisen.
B. Een vermindering van de diversiteit op de werkvloer.
C. Een groei in de vraag naar arbeiders in de vervaardigingsindustrie.
D. Een afname in het gebruik van technologie op de werkplek.
Juiste Antwoord:A
Vraag 5.
Hoe beïnvloedt de bevrediging van de basale psychologische behoeften volgens de
Zelfbepalingstheorie (Self-Determination Theory, SDT) de motivatie en het welzijn van
werknemers?
A. De bevrediging van basale psychologische behoeften verhoogt de intrinsieke
motivatie, wat leidt tot verbeterde prestaties en welzijn.
B. Het voldoen aan basale psychologische behoeften heeft weinig eUect op motivatie,
maar verhoogt de persoonlijke tevredenheid van werknemers.
C. Het negeren van basale psychologische behoeften verhoogt de extrinsieke motivatie,
wat essentieel is voor hogere productiviteit.
D. Basale psychologische behoeften zijn alleen relevant in persoonlijke settings en
hebben geen significante impact op professionele omgevingen.
Juiste Antwoord: A
Vraag 6.
Wat beschrijft het beste de impact van de "crowding out eUect" volgens de
Zelfbepalingstheorie (SDT)?
A. Het verhoogt de intrinsieke motivatie van werknemers door het introduceren van
financiële beloningen voor taken waar ze al van genieten.
B. Het vermindert de intrinsieke motivatie en kan de prestaties verlagen wanneer
extrinsieke beloningen worden geïntroduceerd voor taken waar werknemers al intrinsiek
gemotiveerd voor zijn.
C. Het heeft geen invloed op de intrinsieke motivatie maar verhoogt de extrinsieke
motivatie door het toevoegen van competitieve elementen aan het werk.