100% tevredenheidsgarantie Direct beschikbaar na je betaling Lees online óf als PDF Geen vaste maandelijkse kosten 4,6 TrustPilot
logo-home
Case uitwerking

Uitgebreide uitwerking van alle casussen

Beoordeling
-
Verkocht
-
Pagina's
126
Cijfer
9-10
Geüpload op
24-01-2026
Geschreven in
2023/2024

Uitgebreide uitwerking van alle casussen (1 t/m 13) van blok 1102 Circulatie en Ademhaling I. Alle casussen zijn na de onderwijsgroepen bijgewerkt, zodat het alle informatie bevat voor het tentamen. Veel van de informatie komt uit het boek Marieb Human Anatomy and Physiology.

Meer zien Lees minder

















Oeps! We kunnen je document nu niet laden. Probeer het nog eens of neem contact op met support.

Documentinformatie

Geüpload op
24 januari 2026
Aantal pagina's
126
Geschreven in
2023/2024
Type
Case uitwerking
Docent(en)
Nvt
Cijfer
9-10

Onderwerpen

Voorbeeld van de inhoud

Casus 1: Het hart in de steigers

Anatomie van het hart
- Grote vaten rond het
hart

Grootte, plaats en oriëntatie
Het hart is ingesloten in het
mediastinum, de mediale holte
van de borstkas. Het hart strekt
zich schuin van de tweede rib tot de vijfde intercostale ruimte. Het
hart rust op het diafragma. Ongeveer twee-derde van zijn massa ligt
links van de middenlijn van het middenrif; de rest steekt naar rechts
uit.

Bedekkingen van het hart
Het hart is omgeven door een dubbelwandig hartzakje genaamd het
pericardium.
- Fibreuze pericardium = het losjes aansluitende oppervlakkige
deel. Deze dichte bindweefsellaag beschermt het hart, verankert het aan de omringende
structuren en voorkomt dat het hart te vol wordt met bloed.
- Sereuze pericardium = ligt onder het vezelige pericardium. Het is een dun tweelagig sereus
membraan dat een gesloten zak rond het hart vormt. De pariëtale laag bekleedt de
binnenzijde van het fibreuze pericardium. Deze laag draait om de pericardiale holte en vormt
daar het epicardium.

Lagen van de hartwand
De hartwand is opgebouwd uit drie lagen: het epicardium, het myocardium en het endocardium:
- Epicardium → oppervlakkig, viscerale laag van het sereuze pericardium. Is vaak met vet
geinfiltreerd.
- Myocardium → hoofdzakelijk hartspierweefsel en vormt het grootste deel van het hart. Dit
is de laag die samentrekt. (Collageen en elastine vezels verstevigen het myocardium
inwendig)
- Endocardium → endotheel dat rust op een dunne bindweefsellaag. Het ligt aan de
binnenzijde van het hartspierweefsel, omsluit de harkamers en bedekt het fibreuze skelet
van de kleppen. Het is doorlopend met de endotheelbekleding van de bloedvaten die het
hart verlaten en binnenkomen.

,Hartkamers en bijbehorende grote
bloedvaten
Het hart bestaat uit twee atria en
twee ventrikels. De wand die de
ventrikels en atria in de lengte
scheidt, heet tussen de atria de
interatriale septum en tussen de
ventrikels de interventriculaire
septum.
Het rechterventrikel vormt het
grootste deel van het voorste
oppervlak van het hart. De
linkerventrikel bevindt zich
inferoposterieur en vormt de apex.




Atria: de ontvangende kamers
De atria hebben aurikels aan hun oppervlak.
Inwendig bestaat de rechterboezem uit twee
basisdelen: een gladwandig achterste deel en
een voorste deel waarin spierbundels richels in de wand vormen. Deze spierbundels heten
pectinaatspieren. Het achterste en voorste deel worden van elkaar gescheiden door een richel
genaamd de crista terminalis.
De linkerboezem is overwegend glad en pectinale spieren worden alleen in het aurikel aangetroffen.
Het septum tussen de kamers heeft een ondiepe depressie, de fossa ovalis, die de plaats markeert
waar in het foetale hard een opening zat, het foramen ovale.
De atria zijn ontvangstkamers voor bloed dat uit de circulatie terugkeert naar het hart. Het zijn
relatief, kleine, dunwandige kamers. Ze dragen weinig bij aan de stuwende pompactiviteit van het
hart.

Het bloed komt via drie aders in de rechterboezem:
- De vena cava superior voert het bloed terug van de lichaamsregio’s boven het middenrif.
- De vena cava inferior voert bloed terug van lichaamsdelen onder het middenrif.
- De coronaire sinus verzamelt het bloed dat uit het myocardium komt.

,Vier longaders (v. pulmonales) komen in de linkerboezem, die het grootste deel van de basis van het
hart uitmaakt. Deze aders, die het bloed van de longen terug naar het hart transporteren, zijn het
best te zien in een achteraanzicht.

Ventrikels: de ontladende kamers
Samen vormen de ventrikels het grootste deel van het hart. Onregelmatige spierrichels, trabeculae
carneae, markeren de binnenwanden van de ventrikels. Papillairspieren spelen een rol bij de
klepfunctie en steken uit in de ventriculaire holte.
De ventrikels zijn de afvoerkamers, de daadwerkelijke pompen van het hart. Hun wanden zijn veel
dikker dan de wanden van de boezems (verschil in functie). Wanneer de ventrikels samentrekken
stuwen zij het bloed uit het hart in de circulatie. De rechterventrikel pompt het bloed in de truncus
pulmonales, die het bloed naar de longen leidt, en de linkerventrikel pompt het bloed in de aorta.

Hartkleppen
Vier kleppen zorgen voor het eenrichtingsverkeer in het hart. Zij openen en
sluiten als reactie op verschillen in bloeddruk aan hun beide zijden.

Atrioventriculaire (AV) kleppen
De twee atrioventriculaire kleppen voorkomen terugstroom naar de atria
wanneer de hartkamers samentrekken.
- Tricuspidalisklep → de rechter AV-klep, heeft drie flexibele cuspen
(flappen van endocardium versterkt door bindweefselkernen)
- Mitralisklep → de linker AV-klep, met twee flappen, ook wel
bicuspidalisklep genoemd.

Aan elke AV-klep zitten kleine, witte collageensnoertjes vast genaamd
chrodae tendinaea oftewel hart strings. Zij verankeren de kuspen aan de papillairspieren die uit de
ventrikelwanden steken.
Wanneer het hart volledig ontspannen is,
hangen de kleppen van de AV-klep in de
ventriculaire kamers beneden en stroomt het
bloed in de atria en dan door de open AV-
kleppen in de ventrikels. Wanneer de
ventrikels samentrekken en het bloed in hun
kamers samendrukken, stijgt de intra
ventriculaire druk, waardoor het bloed
superieur tegen de klep wordt gedrukt. Als
gevolg daarvan komende de flappen samen,
waardoor de klep sluit.
De chordae tendineae en de papillairspieren
(trekken samen) verankeren de klepflappen
in hun gesloten positie (anders zouden ze
naar boven worden geduwd).

Halvemaanvormige kleppen (semilunar, SL)
De aorta- en pulmonaliskleppen bewaken de basis van de grote slagaders, die uit de ventrikels
komen (de aorta en a. pulmonales) en voorkomen terugstroming naar de bijbehorende ventrikels.
Elke halvemaanvormige klep is opgebouwd uit drie kuspen, die elk ruwweg de vorm van een halve
maan hebben.
De SL-kleppen gaan ook open en dicht als reactie op drukverschillen. Wanneer de ventrikels
samentrekken en de intraventriculaire druk hoger wordt dan de druk in de aorta en de truncus
pulmonales, worden de SL-kleppen opengeduwd en worden hun flappen platgedrukt tegen de

,slagaderwanden terwijl het bloed erlangs stroomt. Wanneer de
ventrikels ontspannen en het bloed (dat niet langer door de
ventriculaire contractie wordt voortgestuwd) terugstroomt naar
het hart, vult het de kuspen en sluit het de kleppen.
Er zijn geen kleppen die de ingangen van de venae cavae en de
pulmonale aders in de rechter en linker atria bewaken. Kleine
hoeveelheden bloed vloeien tijdens de atriale contractie terug in
deze vaten, maar de terugstroom is minimaal vanwege de
traagheid van het bloed en omdat het atriale myocard tijdens de
contractie deze veneuze ingangspunten samendrukt.




- Kransslagaders

Coronaire circulatie
De kransslagaderlijke circulatie is de functionele bloedtoevoer van
het hart.

Coronaire slagaders
De linker en rechter kransslagader ontspringen beide aan de
basis van de aorta en omsluiten het hart in de coronaire sulcus.
Zij zorgen voor de slagaderlijke toevoer van de kransslagaderlijke
bloedsomloop.

De linker kransslagader loopt naar de linkerzijde van het hart en
splitst zich dan in twee grote takken:
- De anterior interventriculaire slagader → (ook bekend
als de linker voorste descenderende slagader) volgt de
voorste interventriculaire sulcus en levert bloed aan het
interventriculaire septum en de voorste wanden van
beide ventrikels.
- De circumflex slagader → voedt de linkerboezem en de
achterwanden van de linkerventrikel.

De rechter kransslagader loopt naar de rechterzijden van het
hart, waar hij ook twee takken heeft:
- De rechter marginale slagader → voedt het myocard
van de laterale rechterzijde van het hart.
- De posterior interventriculaire slagader → loopt naar de
apex van het hart en voorziet de achterste ventriculaire
wanden. Nabij de apex van het hart versmelt deze
slagader met de anterior interventriculaire slagader.
Samen voorzien de takken van de rechter kransslagader de
rechterboezem en bijna de gehele rechterventrikel.

De kransslagaders zorgen voor een bloedstroom naar het
myocardium. Deze vaten en hun hoofdtakken liggen in het
epicardium en zenden takken naar binnen om het myocard te voeden. Zij leveren bloed wanneer het
hart ontspannen is, maar zijn ineffectief wanneer de hartkamers samentrekken, omdat ze door het
samentrekkende myocard worden samengedrukt.

,Coronaire aderen
Na door de capillaire bedden van het myocardium te zijn gegaan, wordt het veneuze bloed
opgevangen door de hartaders, waarvan het traject ongeveer overeenkomt met dat van de
kransslagaders. Deze aders komen samen en vormen een vergroot bloedvat, de sinus coronarius
(zichtbaar aan achterzijde hart), die het bloed in de rechterkamer loost.
De sinus heeft drie grote zijvertakkingen: de grote hartader in de voorste interventriculaire sulcus; de
middelste hartader in de achterste interventriculaire sulcus; en de kleine hartader, die langs de
rechter inferieure rand van het hart loopt. Bovendien monden verscheidene anterior hartaders
rechtstreeks uit in de rechterboezem aan de voorzijde.




- Kleine en grote bloedsomloop

Pulmonale circuit = De vaten die het bloed van en naar de longen vervoeren.
De rechterkant van het hart ontvangt zuurstofarm bloed van de
lichaamsweefsels en pompt dat bloed naar de longen om zuurstof op te nemen
en koolstofdioxide af te voeren.
Systemische circuit = De bloedvaten die het bloed van en naar alle
lichaamsweefsels vervoeren. De linkerkant van het hart ontvangt het
zuurstofrijke bloed dat uit de longen terugkomt en pompt dit bloed door het
hele lichaam om zuurstof en voedingsstoffen aan de lichaamsweefsels te
leveren.




Structuur en functie van de verschillende typen vaten

De wanden van alle bloedvaten, behalve de allerkleinste, hebben drie afzonderlijke lagen, of
tunieken, die het vaatlumen omgeven:
- Tunica intima → binnenste laag. Bevat het endotheel dat het lumen van alle vaten aflijnt.
Het endotheel is ononderbroken met de endocardiale bekleding van het hart. Het
minimaliseert wrijving. In bloedvaten groter dan 1 mm wordt het endotheel ondersteund
door een subendothiale laag, bestaande uit een basementmembraan en los bindweefsel.
- Tunica media → middelste laag. Bevat cirkelvormig gerangschikte gladde spiercellen en
vellen elastine. Sympathische vasomotorische zenuwvezels van het ANS regelen de activiteit
van de gladde spiercellen. De regulatie kan leiden tot vaatvernauwing of vaatverwijding.
Tunica media is belangrijk voor de regulering
van de bloedsomloopdynamiek, zoals de
bloeddruk en bloedstroom. Deze laag is het
dikst.
- Tunica externa (of adventitia) → buitenste
laag. Bestaat grotendeels uit losse
collageenvezels, die het bloedvat beschermen
en versterken, en de omliggende structuren
verankeren. Deze laag bevat zenuwvezels,
lymfevaten, en in grotere aders, een netwerk
van elastische vezels. In grotere vaten bevat
de tunica externa de vasa vasorum, een
systeem van kleine bloedvaten die de externe
weefsels van de bloedvatwand voeden.

,Arterieel systeem
Naar grootte en functie kunnen de slagaders in drie groepen
worden verdeeld:
- Elastische slagaders → (geleidende slagaders) zijn de
dikwandige slagaders in de buurt van het hart (de aorta
en de belangrijkste vertakkingen daarvan). Deze
slagaders hebben de grootste diameter, variërend van
2.5 tot 1 cm, en zijn het meest elastisch. Door hun grote
lumen hebben zij een lage weerstand en geleiden ze het
bloed van het hart naar de middelgrote slagaders. Ze
bevatten meer elastine in alle drie de tunieken, maar de
tunica media bevat het meeste. Hoewel ze ook gladde
spieren bevatten, zijn ze relatief inactief bij
vasoconstrictie. Elastische slagaders kunnen goed tegen
druk. Ze zetten uit en veren terug, waardoor het bloed
vrij continu stroomt.
- Spierslagaders → (distributieslagaders) leveren bloed
aan specifieke lichaamsorganen. De elastische slagaders
maken distaal plaats voor de spierslagaders. De
gespierde slagaders hebben de dikste tunica media. Zij
bevatten relatief meer gladde spieren en minder
elastisch weefsel dan elastische slagaders. Ze zijn
actiever in vasoconstrictie en minder in staat tot
uitrekking. In gespierde slagaders bevindt zich een
elastisch membraan aan beide zijden van de tunica
media.
- Arteriolen → zijn de kleinste van de slagaders. Ze
hebben een lumen diameter van 0.3 mm tot 10 µm.
Grotere arteriolen hebben alle drie de tunieken, maar
hun tunica media bestaat voornamelijk uit gladde
spieren met een paar verspreide elastische vezels. Kleine
arteriolen, die uitmonden in haarvaten, bestaan uit een
enkele laag gladde spiercellen die spieraalgewijs rond de
endotheelbekleding liggen.
De bloedstroom in de haarvaten wordt bepaald door de arteriolaire diameter, die varieert als
reactie op veranderende neurale, hormonale en chemische invloeden.

Haarvaten
De haarvaten zijn de kleinste bloedvaten. Hun dunne wanden bestaan uit slechts een dunne tunica
intima. In sommige gevallen vorm één endotheelcel de volledige capillaire wand. Langs het
buitenoppervlak bevinden zich pericyten, gladde spierachtige cellen die de capillaire wand
stabiliseren en de capillaire permeabiliteit helpen regelen. De
gemiddelde lengte van de haarvaten is 1 mm en de diameter van
het lumen 8-10 µm.
Er zijn 3 soorten haarvaten:
- Continue haarvaten → komen het meest voor in huid en
spieren. Endotheelcellen zijn nauw verbonden (tight
junctions), wat leidt tot een ononderbroken bekleding.
De verbindingen zijn gewoonlijk onvolledig en laten
openingen van niet-aangesloten membraan,
intercellulaire spleten, achter die groot genoeg zijn voor
beperkte doorgang van vloeistoffen en kleine

, oplosmiddelen. Typisch is dat het cytoplasma van de
endotheelcel pinocytische blaasjes bevat die vloeistoffen
over de capillaire wand transporteren.
- Gefenestreerde haarvaten → zijn vergelijkbaar met de
doorlopende haarvaten, behalve dat de endotheelcellen
in gefenestreerde haarvaten doorzeefd zijn met ovale
poriën. Daardoor zijn ze veel doorlaatbaarder voor
vloeistoffen en kleine solventen. Ze worden overal
aangetroffen waar actieve capillaire absorptie of filtratie
optreedt. Bv. nieren, dunne darm, endocriene organen.
- Sinusoïde haarvaten → sterk gemodificeerde, lekkende
haarvaten die alleen voorkomen in de lever, het
beenmerg, de milt, en het bijniermerg. Ze hebben grote
onregelmatig gevormde lumina en zijn gefenestreerd.
Hun endotheliale bekleding heeft minder tight junctions
en grotere intercellulaire spleten. Door deze structuur
kunnen grote moleculen en zelfs bloedcellen tussen het
bloed en de omliggende weefsels passeren.

Capillaire bedden
Haarvaten vormen met elkaar vervlochten netwerken die
capillaire bedden worden genoemd. In de meeste
lichaamsgebieden bestaat een capillair bed uit twee soorten
vaten: een vasculaire shunt, een kort bloedvat dat de arteriole en venule rechtstreeks verbindt, en
echte capillairen, de eigenlijke uitwisselingsvaten.

Veneuze systeem
Aders transporteren bloed van de haarvaten naar het hart. Onderweg
neemt de diameter van de veneuze vaten toe en worden hun
wanden dikker.
- Venulen → worden gevormd wanneer haarvaten zich
verenigen. Hun diameter varieert van 8 tot 100 µm. De
kleinste venulen, de postcapillaire venulen, bestaan volledig
uit endotheel met pericyten. Deze zijn heel poreus. Grotere
venulen hebben een of twee lagen gladde spiercellen en ook
een dunne tunica externa.
- Venen → worden gevormd wanneer venulen zich verenigen.
Ze hebben drie afzonderlijke tunieken, maar hun wanden zijn
altijd dunner en hun lumina groter dan die van arteriën. Er is
weinig gladde spier of elastine in de tunica media, die slecht
ontwikkeld is en dun. De tunica externa is de zwaarste
wandlaag. Zij bestaat uit dikke longitudinale bundels
collageenvezels en elastische netwerken en is vaak veel
dikker dan de tunica media. Bevatten veneuze kleppen, die
voorkomen dat het bloed terugstroomt.

Bloeddruk in de capillairen verhogen door arteriolen dilatatie en/of venulen constrictie

,Diagram van wiggers + druk-volume grafiek

Hartcyclus (diagram van Wiggers)
Op elk moment worden gelijke
volumes bloed naar de pulmonale
en systemische circuits gepompt,
maar de twee ventrikels hebben
een zeer ongelijke werkbelasting.

Systole = periode van
samentrekking
Diastole = periode van
ontspanning.

De hartcyclus omvat alle
gebeurtenissen die verband
houden met de bloedstroom door
het hart gedurende één volledige
hartslag – atriale systole en
diastole gevolgd door ventriculaire
systole en diastole. De hartcyclus
wordt gekenmerkt door een
opeenvolging van druk- en
bloedvolumeveranderingen in het
hart:
1. Ventriculaire vulling:
midden-late diastole →
De druk in het hart is laag,
bloed dat terugkeert uit de
circulatie stroomt passief door de atria en de open AV-kleppen naar de ventrikels, en de
aorta- en pulmonale kleppen zijn gesloten. Meer dan 80% van de ventriculaire vulling vindt
gedurende deze periode plaats, en de AV-kleppen beginnen naar gesloten positie af te
drijven. (De resterende 20% wordt aan de ventrikels afgegeven wanneer de atria tegen het
einde van deze fase samentrekken).
Vervolgens vindt er atriale systole plaats. Het bloed in de kamers wordt samengedrukt en dit
veroorzaakt een lichte stijging van de atriale druk, die het resterende bloed uit de atria in de
ventrikels stuwt. Op dit punt bevinden de ventrikels zich in het laatste deel van hun diastole
en hebben zij het maximale volume bloed, einddiastolisch volume (EDV) genaamd. Daarna
ontspannen de boezems en depolariseren de ventrikels. De atriale diastole duurt voort
tijdens rest van de cyclus.
2. Ventriculaire systole (atria in diastole) → Terwijl de boezems ontspannen, beginnen de
ventrikels samen te trekken. Hun wanden sluiten zich om het bloed in hun kamers en de
ventriculaire druk stijgt snel en sterk, waardoor de AV-kleppen sluiten. De fractie van een
seconde waarin de ventrikels volledig gesloten zijn en het bloedvolume in de kamers
constant blijft terwijl de ventrikels samentrekken, is de isovolumetrische
samentrekkingsfase. De ventriculaire druk blijft stijgen. Wanneer deze uiteindelijk hoger is
dan de druk in de grote slagaders, eindigt de isovolumetrische fase doordat de SL-kleppen
worden opengeduwd en het bloed uit de ventrikels erin stroomt. Dit is de ventriculaire
ejectiefase.
3. Isovolumetrische relaxatie: vroege diastole → Tijdens deze korte fase ontspannen de
ventrikels zich. Omdat het in hun kamers achtergebleven bloed, het zogenaamde

, eindsystolisch volume (ESV), niet langer wordt samengeperst, daalt de ventriculaire druk
snel en stroomt het bloed in de aorta en de truncus pulmonales terug naar het hart,
waardoor de SL-kleppen sluiten. Sluiting van de aortaklep verhoogt de aortadruk kortstondig
als terugstromend bloed weerkaatst van de gesloten klepflappen, een gebeurtenis die bij de
dicrotic notch begint. Nogmaals zijn de ventrikels volledig gesloten kamers.

Gedurende de hele ventriculaire systole zijn de atria in diastole geweest. Zij hebben zich met bloed
gevuld en de intra-atriale druk is gestegen. Wanneer de bloeddruk aan de atriale zijde van de AV-
kleppen hoger is dan die in de ventrikels, worden de AV-kleppen opengeduwd en begint fase 1
opnieuw.
De hartcyclus duurt gemiddeld ongeveer 0.8s, waarbij de atriale systole 0.1s duurt en de
ventriculaire systole 0.3s. De resterende 0.4s is een periode van totale ontspanning van het hart, de
rustperiode.


Druk-volume curven
Een diagram dat nuttig is om de pompmechanismen van de
linkerventrikel uit te leggen, zijn de volume-drukcurven. De
belangrijkste onderdelen van het diagram zijn de twee
curven diastolische druk en systolische druk.
- De diastolische drukcurve wordt bepaald door het
hart met steeds grotere bloedvolumes te vullen en
vervolgens de diastolische druk onmiddellijk vóór de
samentrekking van het ventrikel te meten; dit is de
einddiastolische druk van het ventrikel.
- De systolische drukcurve wordt bepaald door de
systolische druk te registreren die tijdens
ventriculaire contractie bij elk vulvolume wordt
bereikt.

Totdat het volume van de niet samentrekkende hartkamer boven ongeveer 150 ml komt, neemt de
diastolische druk niet sterk toe. Tot dit volume kan het bloed dus gemakkelijk, vanuit de boezem in
de ventrikel stromen. Boven de 150 ml neemt de ventriculaire diastolische druk snel toe, deels door
het vezelige weefsel in het hart dat niet meer kan uitrekken en deels doordat het hartzakje bijna tot
de grens gevuld raakt.
Tijdens de ventriculaire contractie neemt de systolische druk toe, zelfs bij een laag ventriculair
volume, en bereikt een maximum bij een ventriculair volume van 150 tot 170 milliliter. Vervolgens,
als het volume nog verder toeneemt, neemt de systolische druk onder bepaalde omstandigheden
zelfs af, omdat bij deze grote volumes de actine- en mysoinefilamenten van de hartspiervezels zo ver
uit elkaar worden getrokken dat de kracht van elke samentrekking van de hartspiervezels minder dan
optimaal wordt.

De rode lijnen vormen een lus die het volume-druk diagram van de hartcyclus voor de normale
functie van de linkerventrikel wordt genoemd. Het is verdeeld in vier fasen:
1. Periode van vulling → Deze fase begint bij een ventrikelvolume van ongeveer 50 ml en een
diastolische druk van 2 tot 3 mm Hg. De hoeveelheid bloed die na de vorige hartslag, 50 ml,
in het ventrikel achterblijft wordt het eind-systolische volume genoemd. Wanneer veneus
bloed vanuit de linkerboezem in de linkerventrikel stroomt, neemt het ventriculaire volume
normaal gesproken toe tot ongeveer 120 ml, het einddiastolische volume genoemd, een
toename van 70 ml. (Punt A naar B in grafiek). De diastolische druk neemt toe tot ongeveer
5-7 mm Hg.

, 2. Periode van isovolumetrische contractie → Tijdens
de isovolumetrische contractie verandert het
volume van de ventrikel niet omdat alle kleppen
gesloten zijn. De druk in de ventrikel neemt echter
toe tot deze gelijk is aan de druk in de aorta, bij een
drukwaarde van ongeveer 80 mm Hg. (Punt C)
3. Periode van ejectie → Tijdens de ejectie stijgt de
systolische druk nog meer omdat het ventrikel nog
meer samentrekt. Tegelijkertijd neemt het volume
van de ventrikel af, omdat de aortakelp nu geopend
is en het bloed uit de ventrikel in de aorta stroomt.
4. Periode van isovolumetrische relaxatie → Aan het
einde van de ejectie periode sluit de aortakelp en
valt de ventriculaire druk terug tot het diastolische
niveau. Het ventrikel keert terug naar zijn beginpunt.

Het gebied onder dit volume-drukdiagram (EW) vertegenwoordigt de netto externe arbeidsprestatie
van het linkerventrikel tijdens de contractiecyclus. Wanneer het hart grote hoeveelheden bloed
pompt, wordt de oppervlakte van het werkdiagram veel groter. Dat wil zeggen, het strekt zich ver
naar rechts uit omdat het ventrikel zich tijdens de diastole met meer bloed vult, het stijgt veel hoger,
omdat het ventrikel met een grotere druk samentrekt, en het strekt zich meestal verder naar links uit
omdat het ventrikel tot een kleiner volume samentrekt.

Ejectiefractie = slagvolume / EDV




Lokale regulatie bloeddruk
- Hoe werkt het bij inspanning

Bij het sporten wordt het bloed omgeleid van de spijsverteringsorganen naar de haarvaten van de
skeletspieren, waar een meer onmiddellijke behoefte is. Tijdens de inspanning neemt de activiteit
van het sympathische zenuwstelsel toe; de noradrenaline die vrijkomt uit de sympathische zenuwen
veroorzaakt vaatvernauwing van de vaten van de bloedreservoirs (spijsverteringskanaal, huid) → dat
leidt het bloed tijdelijk weg van deze gebieden om ervoor te zorgen dat meer bloed de spieren
bereikt.

- Wet van Ohm en wet van Poisseuille

Bloedstroom = het volume bloed dat in een bepaalde periode door een bloedvat, een orgaan of de
gehele bloedsomloop stroom (ml/min). De bloedstroom door afzonderlijke organen kan sterk
variëren naar hun behoeften.
Bloeddruk = de kracht die per oppervlakte-eenheid door het daarin aanwezige bloed op een
vaatwand wordt uitgeoefend, wordt uitgedrukt in mm kwik (mm Hg). (Hiermee wordt vaak de
systemische arteriële bloeddruk in de grootste slagaders bij het hart bedoelt). Bloed blijft stromen
door het verschil in bloeddruk door het lichaam.
Weerstand = weerstand tegen de doorstroming. Het is een maat voor de hoeveelheid wrijving die
het bloed ondervindt wanneer het door de vaten stroomt. (Meeste weerstand vindt plaats in de
perifere (systemische) circulatie, op ruime afstand van het hart → perifere weerstand). Er zijn drie
belangrijke bronnen van weerstand:
€7,66
Krijg toegang tot het volledige document:

100% tevredenheidsgarantie
Direct beschikbaar na je betaling
Lees online óf als PDF
Geen vaste maandelijkse kosten

Maak kennis met de verkoper
Seller avatar
anoukvandenbroek

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
anoukvandenbroek Maastricht University
Bekijk profiel
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
0
Lid sinds
4 jaar
Aantal volgers
0
Documenten
4
Laatst verkocht
-

0,0

0 beoordelingen

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Veelgestelde vragen