KLINISCHE VORMING ONCOLOGIE
LEERDOELEN
De student kan de alarmsymptomen van een patiënt met een (nog onbekende) maligniteit
benoemen.
De student kan het verband tussen ziektestadium en de prognose van een patiënt met
kanker toelichten.
De student kent globaal de verschillende behandelvormen van een patiënt met kanker.
De student kan het nut van screening / bevolkingsonderzoek naar kanker benoemen.
EPIDEMIOLOGIE EN ETIOLOGIE
Meest voorkomende vormen van kanker:
Kinderen: acute leukemie.
Adolescenten en jongvolwassenen: lymfeklierkanker, zaadbalkanker en melanoom.
o Vrouwen >30 jaar en ouder: borstkanker.
o Mannen tussen 25-40: zaadbalkanker.
o Mannen >45: prostaatkanker.
Diverse oorzaken die kunnen bijdragen aan het ontstaan van kanker:
Carcinogene stoffen: koolteerderivaten (sigarettenrook)
o Naftylamine -> blaaskanker
o Asbest -> mesothelioom of bronchuscarcinoom
o Alkylerende cytostatica -> leukemie
Virussen:
o EBV -> burkittlymfoom en nasofarynxcarcinoom
o Hepatitis B -> levercarcinoom
o Lymfotrope virussen -> bepaalde vormen van T-celleukemie
o HPV -> cervix- en peniscarcinoom en hoofd-halstumoren
o HIV samen met het humane herpesvirus 8 -> kaposisarcoom
Hormonale invloeden: invloed op de groei van kankercellen.
o Insulin-like growth factor I (IGF-I) -> groei borstkankercellen.
Erfelijke invloeden
Immunologische factoren
Fysische invloeden: ultraviolette straling, zoals bij het melanoom en röntgenstraling.
Ongezonde levensstijl: roken, overgewicht, te weinig beweging.
, CARCINOGENESE
Carcinogenese: proces waarbij cellen zich geleidelijk als kankercellen gaan gedragen onder invloed van (veelal
onbekende) carcinogenen.
De meeste van deze carcinogenen zijn mutageen; dat wil zeggen dat ze in staat zijn mutaties in het DNA aan te
brengen. Oncogene stoffen en virussen kunnen een of meerdere mutaties bewerkstelligen.
Het BCRA1-gen en het BRCA2-gen: genen die borstkanker of ovariumkanker kunnen veroorzaken.
BRCA1-gen: mutaties geven een cumulatief risico op het ontstaan van een mammacarcinoom van 60-
80% en een cumulatief risico op het ontstaan van ovariumcarcinoom tot 40% op 70-jarige leeftijd.
BRCA2-gen: soortgelijk risico op het ontstaan van mammacarcinoom, maar minder grote kans op het
ontstaan van een ovariumcarcinoom.
Aan een erfelijke vorm van een maligniteit moet gedacht worden als patiënten op jonge leeftijd een maligniteit
ontwikkelen en als meerdere personen binnen een familie maligniteiten ontwikkelen die bij een bepaalde
mutatie passen. Patiënt en familieleden kunnen dan verwezen worden naar klinische genetica voor informatie,
eventuele diagnostiek en screeningsadviezen.
BIOLOGISCH GEDRAG
De differentiatiegraad van de tumor bepaalt de gelijkenis met het
weefsel van oorsprong.
De differentiatiegraad zegt hoe goed de tumorcellen nog op het
weefsel lijken waaruit ze oorspronkelijk ontstaan zijn.
Goed gedifferentieerd
Matig gedifferentieerd
Slecht gedifferentieerd
Ongedifferentieerd
Hoe slechter de differentiatiegraad, hoe minder het lijkt op de oorspronkelijke lichaamscellen en hoe
agressiever de tumor.
Kenmerken van een maligniteit:
Ongecontroleerde groei:
o Gemeten in verdubbelingstijd: groeisnelheid van de tumor, waarbij celafbraak (apoptose) en
cellen in rust (Go) zijn betrokken.
Verdubbelingstijd voor solide tumoren: 1-6 maanden.
Verdubbelingstijd voor snelgroeiende tumoren: 1 week tot 1 maand.
o Omgeving (micro-environment) speelt een belangrijke rol: omgevingscellen kunnen er voor
zorgen dat kankercellen voorzien worden van groeifactoren.
Infiltratieve groei: vermogen om het omliggende weefsel binnen te dringen en bloed en lymfevaten te
penetreren. Dit is vaak zichtbaar bij microscopisch onderzoek.
Metastasering:
o Via bloed of lymfevaten.
o Hematogene of lymfogene verspreiding van de tumorcellen
Lymfogene metastasering: via de klieren (bv okselklieren bij mammacarcinoom)
Hematogene metastasering: uitzaaiingen via venen.
LEERDOELEN
De student kan de alarmsymptomen van een patiënt met een (nog onbekende) maligniteit
benoemen.
De student kan het verband tussen ziektestadium en de prognose van een patiënt met
kanker toelichten.
De student kent globaal de verschillende behandelvormen van een patiënt met kanker.
De student kan het nut van screening / bevolkingsonderzoek naar kanker benoemen.
EPIDEMIOLOGIE EN ETIOLOGIE
Meest voorkomende vormen van kanker:
Kinderen: acute leukemie.
Adolescenten en jongvolwassenen: lymfeklierkanker, zaadbalkanker en melanoom.
o Vrouwen >30 jaar en ouder: borstkanker.
o Mannen tussen 25-40: zaadbalkanker.
o Mannen >45: prostaatkanker.
Diverse oorzaken die kunnen bijdragen aan het ontstaan van kanker:
Carcinogene stoffen: koolteerderivaten (sigarettenrook)
o Naftylamine -> blaaskanker
o Asbest -> mesothelioom of bronchuscarcinoom
o Alkylerende cytostatica -> leukemie
Virussen:
o EBV -> burkittlymfoom en nasofarynxcarcinoom
o Hepatitis B -> levercarcinoom
o Lymfotrope virussen -> bepaalde vormen van T-celleukemie
o HPV -> cervix- en peniscarcinoom en hoofd-halstumoren
o HIV samen met het humane herpesvirus 8 -> kaposisarcoom
Hormonale invloeden: invloed op de groei van kankercellen.
o Insulin-like growth factor I (IGF-I) -> groei borstkankercellen.
Erfelijke invloeden
Immunologische factoren
Fysische invloeden: ultraviolette straling, zoals bij het melanoom en röntgenstraling.
Ongezonde levensstijl: roken, overgewicht, te weinig beweging.
, CARCINOGENESE
Carcinogenese: proces waarbij cellen zich geleidelijk als kankercellen gaan gedragen onder invloed van (veelal
onbekende) carcinogenen.
De meeste van deze carcinogenen zijn mutageen; dat wil zeggen dat ze in staat zijn mutaties in het DNA aan te
brengen. Oncogene stoffen en virussen kunnen een of meerdere mutaties bewerkstelligen.
Het BCRA1-gen en het BRCA2-gen: genen die borstkanker of ovariumkanker kunnen veroorzaken.
BRCA1-gen: mutaties geven een cumulatief risico op het ontstaan van een mammacarcinoom van 60-
80% en een cumulatief risico op het ontstaan van ovariumcarcinoom tot 40% op 70-jarige leeftijd.
BRCA2-gen: soortgelijk risico op het ontstaan van mammacarcinoom, maar minder grote kans op het
ontstaan van een ovariumcarcinoom.
Aan een erfelijke vorm van een maligniteit moet gedacht worden als patiënten op jonge leeftijd een maligniteit
ontwikkelen en als meerdere personen binnen een familie maligniteiten ontwikkelen die bij een bepaalde
mutatie passen. Patiënt en familieleden kunnen dan verwezen worden naar klinische genetica voor informatie,
eventuele diagnostiek en screeningsadviezen.
BIOLOGISCH GEDRAG
De differentiatiegraad van de tumor bepaalt de gelijkenis met het
weefsel van oorsprong.
De differentiatiegraad zegt hoe goed de tumorcellen nog op het
weefsel lijken waaruit ze oorspronkelijk ontstaan zijn.
Goed gedifferentieerd
Matig gedifferentieerd
Slecht gedifferentieerd
Ongedifferentieerd
Hoe slechter de differentiatiegraad, hoe minder het lijkt op de oorspronkelijke lichaamscellen en hoe
agressiever de tumor.
Kenmerken van een maligniteit:
Ongecontroleerde groei:
o Gemeten in verdubbelingstijd: groeisnelheid van de tumor, waarbij celafbraak (apoptose) en
cellen in rust (Go) zijn betrokken.
Verdubbelingstijd voor solide tumoren: 1-6 maanden.
Verdubbelingstijd voor snelgroeiende tumoren: 1 week tot 1 maand.
o Omgeving (micro-environment) speelt een belangrijke rol: omgevingscellen kunnen er voor
zorgen dat kankercellen voorzien worden van groeifactoren.
Infiltratieve groei: vermogen om het omliggende weefsel binnen te dringen en bloed en lymfevaten te
penetreren. Dit is vaak zichtbaar bij microscopisch onderzoek.
Metastasering:
o Via bloed of lymfevaten.
o Hematogene of lymfogene verspreiding van de tumorcellen
Lymfogene metastasering: via de klieren (bv okselklieren bij mammacarcinoom)
Hematogene metastasering: uitzaaiingen via venen.