Samenvatting Burgerlijk
Procesrecht
2025-2026
Register
xxx belangrijk zinsdeel
xxx kern / belangrijkste woorden
xxx wetsartikelen
xxx arrest
xxx uitzonderingen
,Inhoudsopgave
Bijeenkomst 1: Voorbereiding van het geding, procesingang, procedure in
vogelvlucht, alternatieven...........................................................................2
Sleutel tot het burgerlijk procesrecht, paragraaf 2.2 t/m 2.6....................2
Bijeenkomst 2: Partijen en competentie.....................................................19
Sleutel tot het burgerlijk procesrecht, paragraaf 2.1 en hfdst. 3............19
Bijeenkomst 3: Verstek, verweer en verwikkelingen..................................29
Sleutel tot het burgerlijk procesrecht, hfdst. 4........................................29
Bijeenkomst 4: Bewijs................................................................................42
Sleutel tot het burgerlijk procesrecht, hfdst 5.........................................42
Bijeenkomst 5: Uitspraak en rechtsmiddelen.............................................51
Sleutel tot het burgerlijk procesrecht, paragraaf 6.1 t/m 6.3, hfdst. 7....51
Bijeenkomst 6: Beslag- en executierecht...................................................69
Hoofdstuk 8: Hoofdlijnen van het beslag en executierecht.....................69
Bijeenkomst 1: Voorbereiding van het geding, procesingang,
procedure in vogelvlucht, alternatieven
Sleutel tot het burgerlijk procesrecht, paragraaf 2.2 t/m 2.6
2.2 Alternatieven voor een procedure bij de civiele rechter
,Wanneer duidelijk is wie de partijen zouden moeten zijn, moet de
beslissing om te gaan procederen nog worden genomen. Een procedure
wordt vaak gepresenteerd als een ultimum remedium. De achtergrond van
deze regel is dat het belang van de cliënt vaak gediend is met
duidelijkheid op korte termijn en niet met een lange, maar juridisch
interessante procedure. De overheid ziet de voordelen daarentegen vooral
in de ontlasting van de rechterlijke macht.
2.2.1 Treffen van een Regeling
Het risico bestaat dat bij onderling overleg tot niets leidt en de kosten
hiervoor voor niets zijn gemaakt. Die kosten kunnen echter in beginsel in
een eventuele procedure later op grond van art. 6:96 BW aan de eis
worden toegevoegd als buitengerechtelijke kosten
De wet spreekt niet van een regeling, maar van een
vaststellingsovereenkomst
(art. 7:900 e.v. BW). De wettelijke regeling van de
vaststellingsovereenkomst is erop gericht partijen zekerheid te verschaffen
over hun rechtspositie. Achteraf kan daarom niet worden betoogd dat de
regeling in strijd is met dwingend recht, maar er kan wel een beroep
worden gedaan op de andere gronden van art. 3:40 BW (art. 7:902 BW).
Een beroep op dwaling is ook mogelijk, met name indien die is te wijten
aan een inlichting van de wederpartij. In latere rechtspraak wordt wel
aangenomen dat alleen een ernstige tekortkoming de ontbinding
rechtvaardigt (Hof Arnhem 3 september 2002, NJK 2002/83).
De regeling van de vaststellingsovereenkomst maakt het mogelijk die te
misbruiken voor het omzeilen van dwingendrechtelijke bepalingen. Door
bijvoorbeeld bepalingen in een arbeidsovereenkomst te gieten in de vorm
van een vaststellingsovereenkomst, zou het mogelijk zijn de
dwingendrechtelijke ontslagbepalingen buiten spel te zetten met een
beroep op art. 7:902 BW. De HR heeft hier een stokje voor gestoken door
te beslissen dat een beroep op die bepaling alleen mogelijk is
ingeval middels een vaststellingsovereenkomst een einde wordt
gemaakt aan een bestaand geschil. Voor mogelijke toekomstige
geschillen kan wel een vaststellingsovereenkomst worden gesloten, maar
die blijft nietig als de vaststelling in strijd is met dwingend recht (HR 9
januari 2015, ECLI 39, NJ 2015/156 (Yachtbuilders)).
Art. 7:901 BW bepaalt dat voor het bewerkstelligen van de
overeengekomen rechtstoestand nog wel de gebruikelijke handelingen
moeten worden verricht. Verjaringstermijnen beginnen te lopen vanaf het
moment van de afspraak, mits overigens aan alle eisen is voldaan
(Baijing/Huijgers). De toepasselijke verjaringsbepalingen worden bepaald
door de regeling, niet door de daaraan voorafgaande rechtsverhouding
waarover een geschil bestond. Bewijsafspraken worden alleen aangemerkt
als vaststellingsovereenkomst wanneer tegenbewijs wordt uitgesloten (art.
7:900 lid 3 BW), wat te maken heeft met de voor partijen onbegrijpelijke
vrees van de wetgever dat men anders door middel van een
bewijsovereenkomst het dispositieve stelsel met bijbehorende
leveringsverplichtingen zou kunnen ontwijken.
, Voor een regeling geldt geen vormvoorschrift, zodat deze ook mondeling
tot stand kan komen. Het treffen van een regeling is doorgaans goedkoop,
snel, biedt zekerheid en voorkomt veel ergernis en getob. Nadeel is dat als
de regeling niet wordt nagekomen alsnog een vordering in rechte moet
worden ingesteld om een titel te verkrijgen. Dit kan een vordering tot
nakoming zijn bijv. Door de regeling vast te leggen in een notariële akte
kan dit evenwel worden ondervangen (art. 430 Rv).
2.2.2 Mediation
In de woorden van de HR: Mediation kan worden omschreven als een vorm
van bemiddeling ter oplossing van een geschil, waarbij een neutrale
bemiddelingsdeskundige, de mediator, onderhandelingen tussen partijen
begeleidt die zijn gericht op een gezamenlijk gedragen uitkomst met
inachtneming van de belangen van partijen. Essentie van de mediation is
daarbij dat de mediator geen adviezen geeft en geen oordelen uitspreekt,
maar slechts probeert de besluitvorming van partijen te kanaliseren door
her debat gericht te laten verlopen en inzichten te bieden die partijen
waren ontgaan.
Het juridische kader van de mediation moet vooralsnog worden gezocht in
het algemene verbintenissen- en procesrecht. De mediator heeft geen
verschoningsrecht, zodat hij als getuige zal kunnen worden opgeroepen.
Dat kan weer worden voorkomen door in een bewijsovereenkomst dit
bewijsmiddel uit te sluiten. Mediation heeft dezelfde voor- en nadelen als
het zelf treffen van een regeling. Het verschil is dat partijen ook de kosten
van een mediator moeten betalen. Via de Wet op rechtsbijstand kan, als
de middelen van een van de partijen niet toereikend zijn, een toevoeging
worden aangevraagd
(art. 33a-33e Wet op de rechtsbijstand).
2.2.3 Bindend advies
Partijen bij een rechtsbetrekking kunnen de inhoud van die
rechtsbetrekking nader laten bepalen door een derde. Er wordt dan
gesproken van een “bindend advies”, dat in het eerste geval “zuiver” en in
het tweede geval “onzuiver” wordt genoemd.
Het door middel van een bindend advies laten beslissen van een geschil of
een deel daarvan door een of meer derden is een partijafspraak en wel
een vaststellingsovereenkomst (art. 7:900 lid 1 BW). Het bindend advies
zelf gaat deel uitmaken van die overeenkomst. De ontbinding van de
overeenkomst (met inbegrip van het daarin ingebouwde bindend advies)
wegens wanprestatie wordt in dit geval beperkt door art. 7:905 BW.
Onvoorwaardelijke gebondenheid aan de beslissing van de bindend
adviseur is niet gewenst. Daarom codificeert art. 7:904 lid 1 BW de in het
verleden door de HR gegeven regel dat een bindend advies vernietigbaar
is wanneer het in verband met zijn inhoud of wijze van totstandkoming in
de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om daaraan te worden gehouden.
Procesrecht
2025-2026
Register
xxx belangrijk zinsdeel
xxx kern / belangrijkste woorden
xxx wetsartikelen
xxx arrest
xxx uitzonderingen
,Inhoudsopgave
Bijeenkomst 1: Voorbereiding van het geding, procesingang, procedure in
vogelvlucht, alternatieven...........................................................................2
Sleutel tot het burgerlijk procesrecht, paragraaf 2.2 t/m 2.6....................2
Bijeenkomst 2: Partijen en competentie.....................................................19
Sleutel tot het burgerlijk procesrecht, paragraaf 2.1 en hfdst. 3............19
Bijeenkomst 3: Verstek, verweer en verwikkelingen..................................29
Sleutel tot het burgerlijk procesrecht, hfdst. 4........................................29
Bijeenkomst 4: Bewijs................................................................................42
Sleutel tot het burgerlijk procesrecht, hfdst 5.........................................42
Bijeenkomst 5: Uitspraak en rechtsmiddelen.............................................51
Sleutel tot het burgerlijk procesrecht, paragraaf 6.1 t/m 6.3, hfdst. 7....51
Bijeenkomst 6: Beslag- en executierecht...................................................69
Hoofdstuk 8: Hoofdlijnen van het beslag en executierecht.....................69
Bijeenkomst 1: Voorbereiding van het geding, procesingang,
procedure in vogelvlucht, alternatieven
Sleutel tot het burgerlijk procesrecht, paragraaf 2.2 t/m 2.6
2.2 Alternatieven voor een procedure bij de civiele rechter
,Wanneer duidelijk is wie de partijen zouden moeten zijn, moet de
beslissing om te gaan procederen nog worden genomen. Een procedure
wordt vaak gepresenteerd als een ultimum remedium. De achtergrond van
deze regel is dat het belang van de cliënt vaak gediend is met
duidelijkheid op korte termijn en niet met een lange, maar juridisch
interessante procedure. De overheid ziet de voordelen daarentegen vooral
in de ontlasting van de rechterlijke macht.
2.2.1 Treffen van een Regeling
Het risico bestaat dat bij onderling overleg tot niets leidt en de kosten
hiervoor voor niets zijn gemaakt. Die kosten kunnen echter in beginsel in
een eventuele procedure later op grond van art. 6:96 BW aan de eis
worden toegevoegd als buitengerechtelijke kosten
De wet spreekt niet van een regeling, maar van een
vaststellingsovereenkomst
(art. 7:900 e.v. BW). De wettelijke regeling van de
vaststellingsovereenkomst is erop gericht partijen zekerheid te verschaffen
over hun rechtspositie. Achteraf kan daarom niet worden betoogd dat de
regeling in strijd is met dwingend recht, maar er kan wel een beroep
worden gedaan op de andere gronden van art. 3:40 BW (art. 7:902 BW).
Een beroep op dwaling is ook mogelijk, met name indien die is te wijten
aan een inlichting van de wederpartij. In latere rechtspraak wordt wel
aangenomen dat alleen een ernstige tekortkoming de ontbinding
rechtvaardigt (Hof Arnhem 3 september 2002, NJK 2002/83).
De regeling van de vaststellingsovereenkomst maakt het mogelijk die te
misbruiken voor het omzeilen van dwingendrechtelijke bepalingen. Door
bijvoorbeeld bepalingen in een arbeidsovereenkomst te gieten in de vorm
van een vaststellingsovereenkomst, zou het mogelijk zijn de
dwingendrechtelijke ontslagbepalingen buiten spel te zetten met een
beroep op art. 7:902 BW. De HR heeft hier een stokje voor gestoken door
te beslissen dat een beroep op die bepaling alleen mogelijk is
ingeval middels een vaststellingsovereenkomst een einde wordt
gemaakt aan een bestaand geschil. Voor mogelijke toekomstige
geschillen kan wel een vaststellingsovereenkomst worden gesloten, maar
die blijft nietig als de vaststelling in strijd is met dwingend recht (HR 9
januari 2015, ECLI 39, NJ 2015/156 (Yachtbuilders)).
Art. 7:901 BW bepaalt dat voor het bewerkstelligen van de
overeengekomen rechtstoestand nog wel de gebruikelijke handelingen
moeten worden verricht. Verjaringstermijnen beginnen te lopen vanaf het
moment van de afspraak, mits overigens aan alle eisen is voldaan
(Baijing/Huijgers). De toepasselijke verjaringsbepalingen worden bepaald
door de regeling, niet door de daaraan voorafgaande rechtsverhouding
waarover een geschil bestond. Bewijsafspraken worden alleen aangemerkt
als vaststellingsovereenkomst wanneer tegenbewijs wordt uitgesloten (art.
7:900 lid 3 BW), wat te maken heeft met de voor partijen onbegrijpelijke
vrees van de wetgever dat men anders door middel van een
bewijsovereenkomst het dispositieve stelsel met bijbehorende
leveringsverplichtingen zou kunnen ontwijken.
, Voor een regeling geldt geen vormvoorschrift, zodat deze ook mondeling
tot stand kan komen. Het treffen van een regeling is doorgaans goedkoop,
snel, biedt zekerheid en voorkomt veel ergernis en getob. Nadeel is dat als
de regeling niet wordt nagekomen alsnog een vordering in rechte moet
worden ingesteld om een titel te verkrijgen. Dit kan een vordering tot
nakoming zijn bijv. Door de regeling vast te leggen in een notariële akte
kan dit evenwel worden ondervangen (art. 430 Rv).
2.2.2 Mediation
In de woorden van de HR: Mediation kan worden omschreven als een vorm
van bemiddeling ter oplossing van een geschil, waarbij een neutrale
bemiddelingsdeskundige, de mediator, onderhandelingen tussen partijen
begeleidt die zijn gericht op een gezamenlijk gedragen uitkomst met
inachtneming van de belangen van partijen. Essentie van de mediation is
daarbij dat de mediator geen adviezen geeft en geen oordelen uitspreekt,
maar slechts probeert de besluitvorming van partijen te kanaliseren door
her debat gericht te laten verlopen en inzichten te bieden die partijen
waren ontgaan.
Het juridische kader van de mediation moet vooralsnog worden gezocht in
het algemene verbintenissen- en procesrecht. De mediator heeft geen
verschoningsrecht, zodat hij als getuige zal kunnen worden opgeroepen.
Dat kan weer worden voorkomen door in een bewijsovereenkomst dit
bewijsmiddel uit te sluiten. Mediation heeft dezelfde voor- en nadelen als
het zelf treffen van een regeling. Het verschil is dat partijen ook de kosten
van een mediator moeten betalen. Via de Wet op rechtsbijstand kan, als
de middelen van een van de partijen niet toereikend zijn, een toevoeging
worden aangevraagd
(art. 33a-33e Wet op de rechtsbijstand).
2.2.3 Bindend advies
Partijen bij een rechtsbetrekking kunnen de inhoud van die
rechtsbetrekking nader laten bepalen door een derde. Er wordt dan
gesproken van een “bindend advies”, dat in het eerste geval “zuiver” en in
het tweede geval “onzuiver” wordt genoemd.
Het door middel van een bindend advies laten beslissen van een geschil of
een deel daarvan door een of meer derden is een partijafspraak en wel
een vaststellingsovereenkomst (art. 7:900 lid 1 BW). Het bindend advies
zelf gaat deel uitmaken van die overeenkomst. De ontbinding van de
overeenkomst (met inbegrip van het daarin ingebouwde bindend advies)
wegens wanprestatie wordt in dit geval beperkt door art. 7:905 BW.
Onvoorwaardelijke gebondenheid aan de beslissing van de bindend
adviseur is niet gewenst. Daarom codificeert art. 7:904 lid 1 BW de in het
verleden door de HR gegeven regel dat een bindend advies vernietigbaar
is wanneer het in verband met zijn inhoud of wijze van totstandkoming in
de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om daaraan te worden gehouden.