Week 1.......................................................................................................... 1
Week 2.......................................................................................................... 3
Week 3.......................................................................................................... 5
Week 4.......................................................................................................... 7
Week 5.......................................................................................................... 8
Week 6........................................................................................................ 10
Week 7........................................................................................................ 11
Week 1
Je begrijpt wat ontwikkelingspsychologie is en de belangrijkste psychologische
perspectieven herkennen.
1
, Ontwikkelingspsychologie is een wetenschappelijke studie van patronen van groei,
verandering en stabiliteit bij mensen vanaf conceptie tot en met de late volwassenheid.
Biologische perspectief; erfelijkheid (Darwin).
Behavioristisch perspectief; observeerbaar gedrag (Pavlov, Skinner).
Cognitief perspectief; mentale processen (Vygotsky, Gardner).
Whole person perspectief; hele individu, inclusief persoonlijke groei (Freund, Maslov, Deci &
Ryan).
Cultureel perspectief; culturele context (Bronferbrenner, Vygotsky, Hofstede).
Ontwikkelingsgericht perspectief; verandering door de jaren heen (Piaget, Erikson)
Je kunt de stadia van prenatale ontwikkeling en de rol van genetica hierin
herkennen.
(Voor de geboorte = prenataal)
1. Germinaal; bevruchting tot 2 weken. Hier groei je als een klomp cellen. Je hebt nog
geen invloed van je omgeving.
2. Embryonaal; 2-8 weken. Hier wordt de basis gelegd voor het vormen van belangrijke
organen. De omgeving en moeder hebben effect op de baby.
3. Foetaal; 8 weken tot de geboorte. Hier ben je het meest gevoelig voor je omgeving. Je
reageert op alles.
Je begrijpt het concept van erfelijkheid en gen-omgevingsinteractie-effecten en
hoe deze de ontwikkeling kunnen beïnvloeden.
Nurture is erfelijkheid. Genetische aanleg kan de omgeving beïnvloeden; genotype-
omgevingseffecten. Actief; het kind creëert zelf een omgeving die past, een bewuste keuze.
Reactief/evocatief; opvoeders creëren een omgeving in reactie op het kind. Aanpak naar het
kind aanpassen. Passief; niet actief, onbewust geeft de ouder dingen door aan het kind.
Kinderen kunnen dit ook bij elkaar doen.
Je begrijpt het Diathese Stress Model en de Differential Susceptibility
Hypothese en kunt deze toepassen op verschillende typen kinderen.
Diathese (= aanleg) stress model; aanleg en de omgevingsinvloeden leidt tot stress uiting.
Differential susceptibility (= gevoeligheid); het ligt niet alleen aan de aanleg, aangezien
sommige kinderen gewoon gevoelig zijn. Hiermee wordt de positieve en negatieve
gevoeligheid bedoelt. Positief meer profiteren. Negatief kwetsbaarder.
Orchideekinderen; zeer gevoelig voor omgevingsinvloeden. Snel gevoelig.
Paardenbloemkinderen; veerkrachtig en minder beïnvloedbaar door omgevingsfactoren.
Minder gevoelig.
2