PRAKTIJKGERICHT
PSYCHOLOGISCH ONDERZOEK
NCOI HBO Toegepaste psychologie
XXX
Studentnummer: XXX
,Samenvatting
In een interview met een doorstroomcoach van de gemeente XXX komt naar voren dat in het casus-
en teamoverleg van de afdeling vaak wordt bediscussieerd wat oorzaken van schooluitval bij jongeren
in de leeftijd 16-23 jaar zijn. Het valt op dat er meer jongeren zijn met mentale problematiek (vooral na
de coronatijd), ook jongeren liever geld verdienen en werken. Doorstroomcoaches merken ook dat
jongeren niet altijd een weloverwogen beslissing nemen over hun studiekeuzes. Verschillende
factoren worden besproken waardoor een jongere op een opleiding is gestart, maar uiteindelijk niet
afmaakt. Er wordt opgemerkt dat jongeren vaak niet de goede studiekeuze hebben gemaakt, hier ook
niet altijd de juiste hulp bij hebben ontvangen en hierdoor ook de motivatie van jongeren om te
studeren, afneemt.
De afdeling Leerplicht/Doorstroompunt van de gemeente XXX wil graag onderzoeken hoe het staat
met de intrinsieke motivatie voor het volgen van een studie van de jongeren in de leeftijd 16-23 jaar uit
de gemeente XXX en verbonden regiogemeenten. Bij intrinsieke motivatie hebben we het over
motivatie die van binnenuit ontstaat. Hierbij vertonen jongeren actief en nieuwsgierig gedrag uit
zichzelf. Ze zijn gemotiveerd vanwege het feit dat zij geïnteresseerd zijn en het interessant vinden om
zich in studiekeuzes en eigen kwaliteiten te gaan verdiepen. Om een juiste studiekeuze te maken, is
het belangrijk dat de intrinsieke motivatie van jongeren zo hoog mogelijk is.
Het onderzoek is verricht om te achterhalen wat de mate van intrinsieke motivatie is en hoe de
motivatie vergroot kan worden. De volgende centrale onderzoeksvraag is gesteld:
“Wat is de mate van intrinsieke motivatie voor het volgen van een studie onder jongeren in de
leeftijd 16-23 jaar uit de gemeente XXX en verbonden regiogemeenten en hoe kan deze
motivatie worden vergroot?”
Binnen het onderzoek is literatuuronderzoek, kwantitatief en kwalitatief onderzoek gedaan. Er is een
vragenlijst afgenomen onder 40 jongeren, waarbij op een 4-punts Likertschaal is aangegeven of men
het eens of oneens was met de stelling. Er zijn 4 subschalen van motivatie gemeten. Ook is er een
kwalitatieve vraag toegevoegd, waarbij de vraag gesteld wat jongeren zelf denken dat hun intrinsieke
motivatie voor het volgen van een studie kan vergroten.
Uit het kwantitatieve onderzoek is gebleken dat de intrinsieke motivatie van jongeren laag is. De score
bij de extrinsieke motivatie is een stuk hoger, waardoor de conclusie getrokken kan worden dat de
jongeren uit de doelgroep meer extrinsiek dan intrinsiek gemotiveerd zijn om een studie te gaan
volgen. De geïdentificeerde motivatie heeft de hoogste score. Er is geen optimale congruentie tussen
het externe doel (studeren) en de eigen overtuigingen, maar er is wel identificatie met het te vertonen
gedrag. De motivatie bestaat niet vanuit eigen interesse, maar het belang wordt wel ingezien. Zij
hebben dus nog sturing van buitenaf nodig. Uit het kwalitatieve onderzoek blijkt dat jongeren meer
ondersteuning willen ontvangen bij het ontdekken van kwaliteiten en talenten en ook dat zij (in een
eerder stadium) meer studieloopbaanbegeleiding willen ontvangen ten behoeve van het maken van
een studiekeuze. Het literatuuronderzoek en kwantitatieve onderzoek komen in het onderzoek
grotendeels overeen. Echter is het de vraag of resultaten voldoende generaliseerbaar zijn voor de
gehele populatie, nu de steekproef 60 jongeren bevatte, waarvan 40 jongeren de enquête hebben
ingevuld.
Algemeen kan worden aanbevolen om dit onderzoek nogmaals te herhalen over een langere periode,
zodat meer respondenten gevraagd kunnen worden voor het onderzoek. Gericht op een interventie
zou een aanbeveling kunnen zijn om tijdens minimaal twee workshopochtenden van een traject van
de afdeling, specifiek in te zetten op het gevoel van competentie/zelfeffectiviteit. Uit het
literatuuronderzoek en enquête is naar voren gekomen dat het gevoel van competentie/zelfeffectiviteit
een belangrijke factor is in het vinden/behouden van motivatie. Jongeren die geloven in hun vermogen
om de juiste opleiding te vinden, een goed zelfbeeld hebben en weten welke eigenschappen
kenmerkend zijn voor hem/haar, zullen meer gemotiveerd zijn om de juiste keuzes te gaan maken.
Door zelfeffectiviteit te verhogen binnen het traject, krijgen jongeren beter zicht op hun gedrag,
, interesses maar ook falen uit het verleden. Hierdoor wordt naar alle waarschijnlijkheid hun intrinsieke
motivatie verhoogd, waardoor zij sneller een keuze maken voor een juiste studie.
Inhoudsopgave
Samenvatting.....................................................................................................................................1
Hoofdstuk 1 Probleemanalyse...........................................................................................................3
1.1 Organisatie....................................................................................................................................3
1.2 Probleemanalyse..........................................................................................................................3
1.3 Doelstelling...................................................................................................................................3
1.4 Onderzoeksvragen........................................................................................................................4
1.4.1 De theoretische onderzoeksvraag..........................................................................................4
1.4.2 De kwantitatieve onderzoeksvraag en kwantitatieve onderzoeksvraag.................................4
Hoofdstuk 2 Literatuuronderzoek......................................................................................................5
Hoofdstuk 3 Methode van onderzoek................................................................................................7
3.1 Literatuuronderzoek.....................................................................................................................7
3.2 Praktijkonderzoek.........................................................................................................................7
3.2.1 Populatie en respondenten....................................................................................................7
3.2.2 Procedure..............................................................................................................................7
3.2.3 Meetinstrument.....................................................................................................................7
3.2.4 Betrouwbaarheid en validiteit...............................................................................................8
Hoofdstuk 4 Resultaten.....................................................................................................................9
4.1 resultaten van het kwantitatieve onderzoek.................................................................................9
4.2 Resultaten van het kwalitatieve onderzoek..................................................................................9
Hoofdstuk 5 Conclusie.....................................................................................................................10
5.1 Conclusie theoretische onderzoeksvraag....................................................................................11
5.2 Conclusie kwantitatieve vraag....................................................................................................11
5.3 Conclusie kwalitatieve vraag.......................................................................................................11
5.4 Conclusie centrale onderzoeksvraag...........................................................................................12
Hoofdstuk 6 Aanbevelingen voor een interventie............................................................................12
6.1 Algemene aanbeveling................................................................................................................12
6.2 Praktijkgerichte interventie met implementatieplan..................................................................13
Literatuurlijst...................................................................................................................................13
Bijlage 1 Interviewgids.....................................................................................................................14
Bijlage 2 Vragenlijst.........................................................................................................................15
Bijlage 3 Resultaten vragenlijst per vraag........................................................................................17
PSYCHOLOGISCH ONDERZOEK
NCOI HBO Toegepaste psychologie
XXX
Studentnummer: XXX
,Samenvatting
In een interview met een doorstroomcoach van de gemeente XXX komt naar voren dat in het casus-
en teamoverleg van de afdeling vaak wordt bediscussieerd wat oorzaken van schooluitval bij jongeren
in de leeftijd 16-23 jaar zijn. Het valt op dat er meer jongeren zijn met mentale problematiek (vooral na
de coronatijd), ook jongeren liever geld verdienen en werken. Doorstroomcoaches merken ook dat
jongeren niet altijd een weloverwogen beslissing nemen over hun studiekeuzes. Verschillende
factoren worden besproken waardoor een jongere op een opleiding is gestart, maar uiteindelijk niet
afmaakt. Er wordt opgemerkt dat jongeren vaak niet de goede studiekeuze hebben gemaakt, hier ook
niet altijd de juiste hulp bij hebben ontvangen en hierdoor ook de motivatie van jongeren om te
studeren, afneemt.
De afdeling Leerplicht/Doorstroompunt van de gemeente XXX wil graag onderzoeken hoe het staat
met de intrinsieke motivatie voor het volgen van een studie van de jongeren in de leeftijd 16-23 jaar uit
de gemeente XXX en verbonden regiogemeenten. Bij intrinsieke motivatie hebben we het over
motivatie die van binnenuit ontstaat. Hierbij vertonen jongeren actief en nieuwsgierig gedrag uit
zichzelf. Ze zijn gemotiveerd vanwege het feit dat zij geïnteresseerd zijn en het interessant vinden om
zich in studiekeuzes en eigen kwaliteiten te gaan verdiepen. Om een juiste studiekeuze te maken, is
het belangrijk dat de intrinsieke motivatie van jongeren zo hoog mogelijk is.
Het onderzoek is verricht om te achterhalen wat de mate van intrinsieke motivatie is en hoe de
motivatie vergroot kan worden. De volgende centrale onderzoeksvraag is gesteld:
“Wat is de mate van intrinsieke motivatie voor het volgen van een studie onder jongeren in de
leeftijd 16-23 jaar uit de gemeente XXX en verbonden regiogemeenten en hoe kan deze
motivatie worden vergroot?”
Binnen het onderzoek is literatuuronderzoek, kwantitatief en kwalitatief onderzoek gedaan. Er is een
vragenlijst afgenomen onder 40 jongeren, waarbij op een 4-punts Likertschaal is aangegeven of men
het eens of oneens was met de stelling. Er zijn 4 subschalen van motivatie gemeten. Ook is er een
kwalitatieve vraag toegevoegd, waarbij de vraag gesteld wat jongeren zelf denken dat hun intrinsieke
motivatie voor het volgen van een studie kan vergroten.
Uit het kwantitatieve onderzoek is gebleken dat de intrinsieke motivatie van jongeren laag is. De score
bij de extrinsieke motivatie is een stuk hoger, waardoor de conclusie getrokken kan worden dat de
jongeren uit de doelgroep meer extrinsiek dan intrinsiek gemotiveerd zijn om een studie te gaan
volgen. De geïdentificeerde motivatie heeft de hoogste score. Er is geen optimale congruentie tussen
het externe doel (studeren) en de eigen overtuigingen, maar er is wel identificatie met het te vertonen
gedrag. De motivatie bestaat niet vanuit eigen interesse, maar het belang wordt wel ingezien. Zij
hebben dus nog sturing van buitenaf nodig. Uit het kwalitatieve onderzoek blijkt dat jongeren meer
ondersteuning willen ontvangen bij het ontdekken van kwaliteiten en talenten en ook dat zij (in een
eerder stadium) meer studieloopbaanbegeleiding willen ontvangen ten behoeve van het maken van
een studiekeuze. Het literatuuronderzoek en kwantitatieve onderzoek komen in het onderzoek
grotendeels overeen. Echter is het de vraag of resultaten voldoende generaliseerbaar zijn voor de
gehele populatie, nu de steekproef 60 jongeren bevatte, waarvan 40 jongeren de enquête hebben
ingevuld.
Algemeen kan worden aanbevolen om dit onderzoek nogmaals te herhalen over een langere periode,
zodat meer respondenten gevraagd kunnen worden voor het onderzoek. Gericht op een interventie
zou een aanbeveling kunnen zijn om tijdens minimaal twee workshopochtenden van een traject van
de afdeling, specifiek in te zetten op het gevoel van competentie/zelfeffectiviteit. Uit het
literatuuronderzoek en enquête is naar voren gekomen dat het gevoel van competentie/zelfeffectiviteit
een belangrijke factor is in het vinden/behouden van motivatie. Jongeren die geloven in hun vermogen
om de juiste opleiding te vinden, een goed zelfbeeld hebben en weten welke eigenschappen
kenmerkend zijn voor hem/haar, zullen meer gemotiveerd zijn om de juiste keuzes te gaan maken.
Door zelfeffectiviteit te verhogen binnen het traject, krijgen jongeren beter zicht op hun gedrag,
, interesses maar ook falen uit het verleden. Hierdoor wordt naar alle waarschijnlijkheid hun intrinsieke
motivatie verhoogd, waardoor zij sneller een keuze maken voor een juiste studie.
Inhoudsopgave
Samenvatting.....................................................................................................................................1
Hoofdstuk 1 Probleemanalyse...........................................................................................................3
1.1 Organisatie....................................................................................................................................3
1.2 Probleemanalyse..........................................................................................................................3
1.3 Doelstelling...................................................................................................................................3
1.4 Onderzoeksvragen........................................................................................................................4
1.4.1 De theoretische onderzoeksvraag..........................................................................................4
1.4.2 De kwantitatieve onderzoeksvraag en kwantitatieve onderzoeksvraag.................................4
Hoofdstuk 2 Literatuuronderzoek......................................................................................................5
Hoofdstuk 3 Methode van onderzoek................................................................................................7
3.1 Literatuuronderzoek.....................................................................................................................7
3.2 Praktijkonderzoek.........................................................................................................................7
3.2.1 Populatie en respondenten....................................................................................................7
3.2.2 Procedure..............................................................................................................................7
3.2.3 Meetinstrument.....................................................................................................................7
3.2.4 Betrouwbaarheid en validiteit...............................................................................................8
Hoofdstuk 4 Resultaten.....................................................................................................................9
4.1 resultaten van het kwantitatieve onderzoek.................................................................................9
4.2 Resultaten van het kwalitatieve onderzoek..................................................................................9
Hoofdstuk 5 Conclusie.....................................................................................................................10
5.1 Conclusie theoretische onderzoeksvraag....................................................................................11
5.2 Conclusie kwantitatieve vraag....................................................................................................11
5.3 Conclusie kwalitatieve vraag.......................................................................................................11
5.4 Conclusie centrale onderzoeksvraag...........................................................................................12
Hoofdstuk 6 Aanbevelingen voor een interventie............................................................................12
6.1 Algemene aanbeveling................................................................................................................12
6.2 Praktijkgerichte interventie met implementatieplan..................................................................13
Literatuurlijst...................................................................................................................................13
Bijlage 1 Interviewgids.....................................................................................................................14
Bijlage 2 Vragenlijst.........................................................................................................................15
Bijlage 3 Resultaten vragenlijst per vraag........................................................................................17