Introductie maatschappijwetenschappen
CONFLICT THEORIE EN BOURDIEU
Hoofdstuk 6
● Groepsconflict = ontstaat wanneer de manifeste belangen van de ene groep
conflicteren met die van een andere.
● Macht = een ongelijk verdeeld, voortdurend bron van conflict en verzet.
● Dialectiek van macht en verzet = voortdurende conflicten (en veranderingen) in de
samenleving die worden voortgebracht door machtsongelijkheden tussen groepen en
groepsverzet tegen die ongelijkheden.
● Belangengroep = elke groep waarvan de leden bewust vergelijkbare belangen delen
en uiten.
● Manifeste belangen = expliciet geformuleerde doelstellingen.
● Latente belangen = onuitgesproken, impliciete belangen van de ene groep ten
opzichte van een andere.
● Democratisering van conflict = het tot stand brengen van formeel georganiseerde
belangengroepen en van institutionele mechanismen (e.g., arbeidsrechtbanken,
bemiddelingscommissies) om groepsconflicten te reguleren.
● Postkapitalistische samenleving = Dahrendorfs term; het resultaat van
transformaties in de economie en in de beroeps- en klassenstructuren sinds het
midden van de twintigste eeuw die de hedendaagse kapitalistische samenleving
structureel anders maken dan haar laat-negentiende-eeuwse incarnatie (toen Marx
schreef over de kapitalistische structuur en klassenverhoudingen).
● Conflictgroepen = concurrerende belangengroepen in de samenleving.
● Autoriteitsstructuren = uiteenlopende bronnen van legitimatie, autoriteit of macht in
de moderne samenleving; mogelijke bronnen van voortdurend normaal conflict.
● Nieuwe middenklasse = de groeiende sector van opgeleide (maar politiek
onverschillige) betaalde managers, professionals en verkoop- en
kantoormedewerkers die voortkwam uit de naoorlogse uitbreiding van bureaucratie
en de consumptie-economie.
● Postindustriële samenleving = veranderingen in economie en samenleving die
voortkomen uit de afname van de verwerkende industrie en het toegenomen en
groeiende belang van diensten en informatie als economische motoren/bronnen van
werkgelegenheid (verwijst in wezen naar dezelfde processen die Dahrendorf
benadrukte in zijn begrip van de postkapitalistische samenleving).
● Machtselite = bovenste echelon in het onderling verbonden netwerk van
economische, politieke en militaire besluitvormers; houders van macht, prestige en
rijkdom in de samenleving.
● Driehoek van macht = het snijpunt van economische, politieke en militaire
instituties.
● Massamaatschappij thesis = het idee dat individuen in de samenleving passief zijn,
zich niet bewust zijn van en niet betrokken zijn bij politiek.
, Hoofdstuk 13
● Structuur = objectieve manieren waarop de samenleving is georganiseerd;
bijvoorbeeld, de sociale klassenstructuur bestaat en heeft objectieve consequenties
voor de subjectieve sociale klassegevoelens en zelfcategorisering van individuen.
● Cultuur = disposities, smaken, evaluatieve oordelen en kennis die worden ingeprent
in en als gevolg van door klasse geconditioneerde, belichaamde ervaringen (inclusief
maar niet beperkt tot formeel onderwijs).
● Sociale klassen = brede groepen op basis van objectieve verschillen in
hoeveelheden economisch, sociaal en cultureel kapitaal.
● Economisch kapitaal = hoeveelheid economische bezittingen die een individu/gezin
heeft; kan worden omgezet in sociaal en cultureel kapitaal en om aanvullend
economisch kapitaal te verwerven.
● Klassenfractie = gedifferentieerde, hiërarchische subcomponenten (e.g., de lagere
middenklasse) van breed gedefinieerde sociale klassen (e.g., de middenklasse); het
economisch en cultureel kapitaal van klassenfracties varieert.
● Cultureel kapitaal = vertrouwdheid en gemak met (de legitieme) gewoonten, kennis,
smaken, vaardigheden en stijlen van het dagelijks leven; onderwijs is een
institutioneel veld dat cultureel kapitaal vereist, overdraagt, produceert en
reproduceert; kan worden gebruikt om economisch en sociaal kapitaal te verwerven
en om aanvullend cultureel kapitaal te accumuleren.
● Culturele competentie = het bezitten van de passende familie- en sociale
klasseachtergrond, kennis, gemak en smaak in het tonen van (en het verwerven van
aanvullend) cultureel kapitaal.
● Sociaal kapitaal = de banden of connecties van individuen met anderen; kan
worden omgezet in economisch en cultureel kapitaal en in aanvullend sociaal
kapitaal.
● Symbolisch kapitaal = iemands reputatie voor competentie, goede smaak,
integriteit, prestaties, etc.; heeft uitwisselingswaarde en kan worden omgezet in
economisch, sociaal en cultureel kapitaal.
● Institutioneel veld = specifieke institutionele sferen (e.g., onderwijs, cultuur, religie,
recht) die worden gekenmerkt door instellingsspecifieke regels en praktijken die
ongelijkheid reproduceren.
● Smaak = door sociale klasse en familie geconditioneerde, gewone, alledaagse
voorkeuren en gewoonten; sociaal aangeleerde manieren van waardering, stijl.
● Habitus = relatief duurzame schema’s van perceptie, waardering en toe-eigening
van dingen, belichaamd in en door door klasse geconditioneerde socialisatie en tot
uiting gebracht in alledaagse keuzes en smaak.
● Symbolische goederen = goederen die we kopen, tonen en geven om ons van
anderen te onderscheiden; signaleren en reproduceren smaak, status, sociale
hiërarchie en sociale klassenongelijkheid.
● Esthetische dispositie = de door klasse ingeprente houding die de hogere klasse in
staat stelt en vereist om kunst, kleding, etc. te bewonderen om stijl in plaats van
praktische functie.
● Spel van cultuur = deelname aan evaluatieve en smaakpraktijken die stijl of
distinctie als ‘natuurlijk’ beschouwen in plaats van als gevolg van
klasseconditionering; reproduceert sociale klassenhiërarchieën.