Het vak operations management richt zich op het management van het primaire
bedrijfsproces: het is een transformatie proces. Dit kan een productieproces of
een dienstverlening proces zijn. Er zijn inputs nodig, zoals materialen of
informatie of juist faciliteiten en staff, om outputs te creëeren.
Elke week behandelen we verschillende onderdelen in dit proces, onder te
verdelen in;
WEEK 1: Process management
Operations Management en performance
OM is goed te typeren adhv de prestaties die je wilt beïnvloeden. OM heeft
projectdoelen, zoals;
I. Het verhogen van de door de klant ervaren kwaliteit van de dienst
II. Verkorten van de doorlooptijden in een fabriek
III. Verkorten van de leverbetrouwbaarheid van een bedrijf
IV. Zorgen dat bedrijf flexibeler omgaat met vraagfluctuaties
V. Verlagen van de kosten van voorraden in een bedrijf
, Je kijkt dus naar kwaliteit, snelheid, betrouwbaarheid, flexibiliteit en
kosten. Dit gaat over effectiviteit en efficiency (kosten).
De effectiviteit betreft de outputs van het transformatieproces.
Efficiency betreft de benodigde inputs in het transformatieproces.
Productiviteit = output / input
Bijv. kostenverlaging betreft minder inputs voor dezelfde output. Is vaak
aantrekkelijker, omdat je meer input creëert met dezelfde resources
Flexibiliteit (is een effectiviteit performance)
Product/service flexibility = het vermogen om nieuwe
producten/diensten te introduceren
Mix flexibility = vermogen om een (wisselende) brede range te
produceren
Volume flexibility = vermogen om het productievolume snel aan te
passen
Delivery flexibility = vermogen om de timing van levering snel aan te
passen
Een ‘trade-off’ is een situatie waarin je moet kiezen tussen twee of meer
tegenstrijdige opties of doelen, waarbij het verbeteren van 1 aspect meestal ten
koste gaat van een ander aspect
Product-process matrix
Hoeveel flexibiliteit heeft het proces nodig?
Hoe gestandaardiseerd is het product?
Welke lay-out past hierbij?
,Op basis van het volume (hoeveelheid van productie, zoals massaproductie een
hoog volume heeft) en de variëteit (de variatie in de producten, die bij
massaproductie laag is). Vaak is het zo dat hoe hoger het volume, hoe lager de
variëteit, hoe gestroomlijnder en gestandaardiseerder je proces kan zijn.
Laag volume, hoge variety = project, job shop
Medium volume, medium variety = batch process
Hoog volume, lage variety = worker-paced/cell layout
Hoger volume, lagere variety (meer standaardisatie) = machine-paced line
Zeer hoog volume, zeer laag variety = continuous process
Je ziet in deze matrix dat er verschillende lay-outs zijn die passen bij de
hierboven benoemde procesvormen. Dus hoe deze aan elkaar gekoppeld zijn is
duidelijk, maar wat houden ze in?
, Fixed position = het product blijft maar op 1 plek > mensen, machines en
materialen komen naar het product toe. Dit komt doordat het product te
groot, zwaar of complex is om te verplaatsen. Vb. bouwplaats van een
huis, vliegtuigbouw, festivalopbouw, etc. te gebruiken bij unieke projecten,
met lange doorlooptijden.
Functional layout = machines en werkstations worden gegroepeerd op
functie, bijv. alle boormachines bij elkaar, alle snijmachines bij elkaar, etc.
Zo kan je elke klantorder anders door de fabriek laten lopen, is er veel
flexibiliteit en kan je veel varianten maken. Vb. ziekenhuis (radiologie,
chirurgie, laboratorium), drukkerij, etc. Dit gebruik je bij job shops en batch
processen, omdat de variëteit hoog is en een complexe planning en routine
heeft.
Cell layout = machines worden gegroepeerd in cellen, per productfamilie.
Zo kan elke cel een specifiek type product grotendeels of zelfs volledig
maken. Denk aan auto-onderdelen productie. Hierdoor zijn er minder
wachttijden, kortere doorlooptijd en is het nog steeds flexibel. Te gebruiken
bij worker-paced lijnen.
Product layout = productieopstelling in de volgorde van de processtappen,
vaak een lopende band met een vaste flow van begin tot eind. Dit is
extreem efficiënt, lage kosten per product maar er is weinig variatie
mogelijk. Vb. auto-massaproductie, chocoladefabriek, etc. Deze layout
wordt gebruikt bij machine-paced lines en continuous processess. Het
volume is hier zeer hoog en het product gestandaardiseerd.
De trade-off die hier loopt van fixed position naar product layout :
Minder variabele kosten, kortere doorlooptijden (door standaardisatie) maar dus
ook minder flexibiliteit
Little’s law legt een relatie tussen
a) Het gemiddeld aantal klanten/producten in een systeem (= onderhanden
werk = Work-in-process = WIP inventory)
b) De gemiddelde doorlooptijd van de klant/het product (= gem. WIP / flow
rate)
Kortom: de doorlooptijd realiseren, kan door het WIP te verlagen
Wanneer gebruik je Little’s law?
- Om de doorlooptijd af te leiden uit de wachtrij die de order/klant aantreft
bij aankomst (aanname: first come first serve)
- Om de gemiddelde doorlooptijd in een “stationair” systeem te bepalen