Cultural psychology
Module 1: what is culture?
What is the point of cultural psychology?
- Looks at how cultural factors influence human
- Aim to understand differences and similarities among people of various cultures
throughout the world
So: can we apply/use previous psychological findings for all groups and populations?
Culture: a unique meaning and information system, shared by a group and transmitted
across generations, that allows the group to meet basic needs of survival, pursue
happiness and wellbeing, and derive meaning from life.
Culture is not a community/country/race/ethnicity
Objective elements of culture: things you can cold; clothing, music, art
Subjective elements of culture: values, norms, attitudes, worldviews
Values: standards that are culturally defined and by which people determine (bepalen)
what is desirable (gewenst).
Hofstede’s cultural values: framework derived from studying the work-related values of
IBM-employees during the 1970s.
Four classic dimensions:
o Individualism/collectivism: de mate waarin leden van een samenleving
afhankelijk zijn van elkaar.
o Powerdistance: de mate waarin mensen in een land accepteren dat
macht ongelijk verdeeld is. Hoe goed luister je naar degene die boven jou
staan?
o Uncertainly avoidance (onzekerheidsvermijding): de mate waarin mensen
in een land bereid zijn om onzekerheid te vermijden of te accepteren.
(regels volgen of juist niet)
o Masculinty/feminity:
▪ De mate waarin de samenleving wordt gedreven door succes, geld
en dingen. Kracht en competitie is meer geaccepteerd en winnen is
belangrijk. = masculinity.
▪ Feminity = voor elkaar zorgen, kwaliteit van het leven, sympathie for
the underdog.
Two more dimensions (2010):
o Long term vs short term orientation
1
, ▪ Long term orientation: mensen denken aan de toekomst.
Verandering is normaal. Mensen kunnen wachten op resultaat.
Geduld, leren en sparen zijn belangrijk.
• Vb: je werkt nu hard, zodat het later beter gaat.
▪ Short term orientation: mensen richten op het verleden en het nu.
Tradities en vaste regels zijn belangrijk. De wereld wordt gezien als
stabiel. Het verleden geeft richting aan wat goed is.
• Vb: ‘’we doen het zo omdat het altijd zo is gedaan.’’
o Indulgence/restraint: hoe vrij voelen mensen zich om te genieten van het
leven?
▪ Indulgence (toelaten/genieten): genieten en vrijheid is belangrijk. Je
mag doen waar je zin in hebt. Emoties en wensen mogen geuit
worden.
▪ Restraint (beperking/streng): mensen vinden dat het leven plicht en
discipline vraagt. Regels en controle zijn belangrijk. Niet alles mag,
ook al wil je het. Leven wordt gezien als zwaar of serieus. Eerst
werken en plichten, daarna plezier.
Beliefs (overtuigingen): specific statements that people accept as true.
Bond & Leungs social axoms:
1. Dynamic externality: beliefs related to external forces (fate, spirit)
2. Societal cynism: pessimism (negative) towards the world.
Norms: generally accepted behaviours in a group, ways to express expectations of
others in a culture.
Gelfand et al.’s Differantiation of cultural norms.
o Tight culture: strong norms and low tolerance for deviant behaviour
▪ More ecological and/or historical threats, more tight
o Loose culture: weak norms and high tolerance for deviant behaviour.
Worldviews: manier waarop mensen naar de wereld en zichzelf kijken.
Wat je gelooft, wat je belangrijk vindt, hoe je denkt en voelt, hoe je jezelf ziet
Markus & Kitayama’s framework of construction of the self (1991)
- Independent self-construal: focus on being different from others.
(western)
- Interdependent self-construal: focus on being connected to others.
(eastern)
2
,Enculturation process: cultuur die we leren.
Maar biologie speelt ook een rol bij temperament (rustig vs. snel boos),
reactiviteit (hoe sterk je reageert), menselijk natuur (basisemoties, reflexen).
3 main views on the universality of psychological processes:
Absolutism: same for everyone
Relativism: different per culture
Universalism: process same, but expression differently
Etics = aspecten van leven die in elke cultuur gelijk zijn; vb iedereen kan praten
Emics = aspecten van leven die verschillen per cultuur; vb iedereen kan praten maar per
cultuur verschilt in welke taal dat is.
Western, Educated, Industrialised, Rich, Democratic
Henrich et al. (2010): many pyschological processes are taken for universal
without evidence
1. Mondern geïndustrialiseerd vs. Kleinschalige samenlevingen
Mensen uit verschillende samenlevingen zien de wereld anders
Voorbeeld: Müller-Lyer-illusie
▪ Mensen uit geïndustrialiseerde culturen → gevoeliger
▪ Mensen uit kleinschalige culturen → minder gevoelig
Waarneming is cultureel beïnvloed, niet universeel.
2. Westers vs. niet-westers geïndustrialiseerde samenlevingen
Ook binnen moderne landen zijn er verschillen.
• Westerse culturen:
o Meer individualistisch
o Minder conformiteit
• Niet-westerse geïndustrialiseerde culturen:
o Meer collectivistisch
o Meer aanpassing aan groep
3
, 3. Amerikanen vs. andere westerlingen
De VS is extreem individualistisch.
• Amerikanen:
o Denken: succes/mislukking = mijn eigen schuld
• Andere westerse landen (bv. Duitsland, Frankrijk):
o Denken: externe factoren spelen ook een rol
Amerikanen zijn geen goede standaard voor “het Westen”.
4. Hoogopgeleid vs. niet-hoogopgeleid (binnen VS)
Zelfs binnen één land verschillen mensen.
• Universitair opgeleiden:
o Denken anders
o Reageren anders
• Niet-universitair opgeleiden:
o Andere overtuigingen en beslissingen
Module 2: methods in cross-cultural research
Isomorphism: je mag niet zomaar aannemen dat een relatie tussen variabelen op elk
niveau hetzelfde is. Een verband dat je ziet op landniveau hoeft niet hetzelfde te zijn
op individueel niveau. Dit hangt samen met Simpson’s Paradox.
Omdat een therapie over het algemeen werkt, betekent dat niet dat hij ook voor
deze ene individu gaat werken.
Ecological fallacy: een denkfout waarbij je data van groepsniveau (bijv. landen) gebruikt
om uitspraken te doen over individuen binnen die groep.
In China eten ze meer rijst dan in Nederland, dit is een Chinees dus hij zal meer
rijst eten.
Dichotomies betekent dat je de wereld indeelt in twee tegenovergestelde categorieën.
Voorbeelden:
• individualistic vs collectivistic
• Western vs non-Western
• Je bent of extravert, of introvert, niks ertussen.
4
Module 1: what is culture?
What is the point of cultural psychology?
- Looks at how cultural factors influence human
- Aim to understand differences and similarities among people of various cultures
throughout the world
So: can we apply/use previous psychological findings for all groups and populations?
Culture: a unique meaning and information system, shared by a group and transmitted
across generations, that allows the group to meet basic needs of survival, pursue
happiness and wellbeing, and derive meaning from life.
Culture is not a community/country/race/ethnicity
Objective elements of culture: things you can cold; clothing, music, art
Subjective elements of culture: values, norms, attitudes, worldviews
Values: standards that are culturally defined and by which people determine (bepalen)
what is desirable (gewenst).
Hofstede’s cultural values: framework derived from studying the work-related values of
IBM-employees during the 1970s.
Four classic dimensions:
o Individualism/collectivism: de mate waarin leden van een samenleving
afhankelijk zijn van elkaar.
o Powerdistance: de mate waarin mensen in een land accepteren dat
macht ongelijk verdeeld is. Hoe goed luister je naar degene die boven jou
staan?
o Uncertainly avoidance (onzekerheidsvermijding): de mate waarin mensen
in een land bereid zijn om onzekerheid te vermijden of te accepteren.
(regels volgen of juist niet)
o Masculinty/feminity:
▪ De mate waarin de samenleving wordt gedreven door succes, geld
en dingen. Kracht en competitie is meer geaccepteerd en winnen is
belangrijk. = masculinity.
▪ Feminity = voor elkaar zorgen, kwaliteit van het leven, sympathie for
the underdog.
Two more dimensions (2010):
o Long term vs short term orientation
1
, ▪ Long term orientation: mensen denken aan de toekomst.
Verandering is normaal. Mensen kunnen wachten op resultaat.
Geduld, leren en sparen zijn belangrijk.
• Vb: je werkt nu hard, zodat het later beter gaat.
▪ Short term orientation: mensen richten op het verleden en het nu.
Tradities en vaste regels zijn belangrijk. De wereld wordt gezien als
stabiel. Het verleden geeft richting aan wat goed is.
• Vb: ‘’we doen het zo omdat het altijd zo is gedaan.’’
o Indulgence/restraint: hoe vrij voelen mensen zich om te genieten van het
leven?
▪ Indulgence (toelaten/genieten): genieten en vrijheid is belangrijk. Je
mag doen waar je zin in hebt. Emoties en wensen mogen geuit
worden.
▪ Restraint (beperking/streng): mensen vinden dat het leven plicht en
discipline vraagt. Regels en controle zijn belangrijk. Niet alles mag,
ook al wil je het. Leven wordt gezien als zwaar of serieus. Eerst
werken en plichten, daarna plezier.
Beliefs (overtuigingen): specific statements that people accept as true.
Bond & Leungs social axoms:
1. Dynamic externality: beliefs related to external forces (fate, spirit)
2. Societal cynism: pessimism (negative) towards the world.
Norms: generally accepted behaviours in a group, ways to express expectations of
others in a culture.
Gelfand et al.’s Differantiation of cultural norms.
o Tight culture: strong norms and low tolerance for deviant behaviour
▪ More ecological and/or historical threats, more tight
o Loose culture: weak norms and high tolerance for deviant behaviour.
Worldviews: manier waarop mensen naar de wereld en zichzelf kijken.
Wat je gelooft, wat je belangrijk vindt, hoe je denkt en voelt, hoe je jezelf ziet
Markus & Kitayama’s framework of construction of the self (1991)
- Independent self-construal: focus on being different from others.
(western)
- Interdependent self-construal: focus on being connected to others.
(eastern)
2
,Enculturation process: cultuur die we leren.
Maar biologie speelt ook een rol bij temperament (rustig vs. snel boos),
reactiviteit (hoe sterk je reageert), menselijk natuur (basisemoties, reflexen).
3 main views on the universality of psychological processes:
Absolutism: same for everyone
Relativism: different per culture
Universalism: process same, but expression differently
Etics = aspecten van leven die in elke cultuur gelijk zijn; vb iedereen kan praten
Emics = aspecten van leven die verschillen per cultuur; vb iedereen kan praten maar per
cultuur verschilt in welke taal dat is.
Western, Educated, Industrialised, Rich, Democratic
Henrich et al. (2010): many pyschological processes are taken for universal
without evidence
1. Mondern geïndustrialiseerd vs. Kleinschalige samenlevingen
Mensen uit verschillende samenlevingen zien de wereld anders
Voorbeeld: Müller-Lyer-illusie
▪ Mensen uit geïndustrialiseerde culturen → gevoeliger
▪ Mensen uit kleinschalige culturen → minder gevoelig
Waarneming is cultureel beïnvloed, niet universeel.
2. Westers vs. niet-westers geïndustrialiseerde samenlevingen
Ook binnen moderne landen zijn er verschillen.
• Westerse culturen:
o Meer individualistisch
o Minder conformiteit
• Niet-westerse geïndustrialiseerde culturen:
o Meer collectivistisch
o Meer aanpassing aan groep
3
, 3. Amerikanen vs. andere westerlingen
De VS is extreem individualistisch.
• Amerikanen:
o Denken: succes/mislukking = mijn eigen schuld
• Andere westerse landen (bv. Duitsland, Frankrijk):
o Denken: externe factoren spelen ook een rol
Amerikanen zijn geen goede standaard voor “het Westen”.
4. Hoogopgeleid vs. niet-hoogopgeleid (binnen VS)
Zelfs binnen één land verschillen mensen.
• Universitair opgeleiden:
o Denken anders
o Reageren anders
• Niet-universitair opgeleiden:
o Andere overtuigingen en beslissingen
Module 2: methods in cross-cultural research
Isomorphism: je mag niet zomaar aannemen dat een relatie tussen variabelen op elk
niveau hetzelfde is. Een verband dat je ziet op landniveau hoeft niet hetzelfde te zijn
op individueel niveau. Dit hangt samen met Simpson’s Paradox.
Omdat een therapie over het algemeen werkt, betekent dat niet dat hij ook voor
deze ene individu gaat werken.
Ecological fallacy: een denkfout waarbij je data van groepsniveau (bijv. landen) gebruikt
om uitspraken te doen over individuen binnen die groep.
In China eten ze meer rijst dan in Nederland, dit is een Chinees dus hij zal meer
rijst eten.
Dichotomies betekent dat je de wereld indeelt in twee tegenovergestelde categorieën.
Voorbeelden:
• individualistic vs collectivistic
• Western vs non-Western
• Je bent of extravert, of introvert, niks ertussen.
4