Sociologie
Hoofdstuk 11: Ongelijkheid is van alle ti jden. Over de gelaagdheid van de samenleving,
over mobiliteit en macht (les)
1. Ontbrekende breuklijnen
Relaties tussen actoren (mensen, groepen, organisaties) kunnen nevenschikkend en boven- en
onderschikkend zijn
- Nevenschikking: kan leiden tot sociale differentiatie of sociale verscheidenheid
Horizontaal verband, naast elkaar, geen hiërarchie, sociale rol/positie wordt
gewaardeerd, vb: relatie met broer/zus
- Boven- en onderschikking: kan leiden tot sociale ongelijkheid
Wel hiërarchie, verticale relatie, 1 staat hoger in macht dan de ander, ongelijke
rollen, vb: lector-student, werkgever-werknemer, ouder-kind
Enkel de verschillen die betrekking hebben op centrale kenmerken van het samenlevingsverband
kunnen resulteren in ongelijkheid (bv: opleidingsniveau)
1) Hiërarchie: nevenschikking of boven-onderschikking?
2) Breuklijnen: scheidingslijnen, bakenen onze kansen en problemen af, vaak gevormd uit
eerdere conflicten 4 soorten:
Relationele breuklijnen: cfr. ‘the strength of weak ties’
Ontbreken van relaties tussen actoren binnen een netwerk
Als je niet veel banden hebt binnen een netwerk, dreigt er sociaal isolement ->
geen/weinig toegang tot sociale goederen die je vooruit helpen in het leven
Bij een tekort aan weinig/zwakke banden, emotionele steun
Institutionele breuklijnen
Gevolg van uitdrukkelijke en bedoelde ingrijpen van collectieve actoren (overheid)
Vb: recht op bepaalde sociale uitkering, waardoor ‘rechthebbenden’ en ‘niet-
gerechtigden’ van elkaar worden gescheiden
Treffen we aan bij sociale, culturele of fysieke ontoegankelijkheid van diensten
Ruimtelijke breuklijnen
Resultaat van fragmentering in ruimte
‘Achtergestelde buurten’
, Gated communities -> rijke buurten waarvan toegang wordt gecontroleerd door
veiligheidspersoneel en/of toegangspoorten
Meestal gepaard met sociale en culturele breuklijn
Maatschappelijke breuklijnen
Tussen verschillende subculturen, groepen van mensen
Worden versterkt door specifieke omstandigheden van gemeenschappen en
ontbreken van interactie- en communicatiepatronen tussen gemeenschappen
Vb: manier waarop mensen geld verdienen: verdiende-gekregen, belastingen
betalen- van staatsteun leven’
2. 4 soorten van sociale verschillen
De combinatie van de 2 genoemde variabelen (aan-afwezigheid van hiërarchie en breuklijnen) leidt
tot eigen typologie van 4 soorten sociale verschillen: differentiatie, fragmentering, ongelijkheid en
uitsluiting
2.1. Sociale differentiatie
Horizontale relatie
Diversiteit die er is omdat we niet gelijk zijn, we hebben allemaal verschillende
eigenschappen
Zichtbare en onzichtbare diversiteit
Geen hiërarchie
Maar kan wel leiden tot maatschappelijke voor-en nadelen
Bv: sollicitatie: eerste indruk of in WO2 werd je als superieur gezien door uiterlijke
kenmerken
Diversiteit op vlak van natuurlijke eigenschappen en capaciteiten in samenleving
Wanneer die posities/rollen gewaardeerd worden als gelijkwaardig in termen van status,
reputatie of rijkdom, dan staan mensen in een nevenschikkende relatie tot elkaar. Er is een
horizontaal verband tussen de personen.
Maar deze ‘onschuldige’ kenmerken kunnen wel structureel de maatschappelijke positie en
kansen bepalen
Het hebben van verschillen zonder ongelijkheden
Bv: een bakker en een dokter hebben verschillende beroepen maar het betekend niet dat de een
belangrijker is dan de ander
2.2. Sociale fragmentering
Horizontale relatie
Sociale puzzelstukjes van een samenlevingsverband: elk
stukje heeft eigenheid, maar geen enkel stukje is
belangrijker dan het andere
Superdiverse samenleving – ethnic villages
Je steekt mensen in groepjes op basis van kenmerken
Opsplitsing maar geen hiërarchie
Wel breuklijn
Het gescheiden leven van groepen
Bv: In een stad wonen mensen van verschillende achtergronden in aparte wijken, waardoor er
weinig contact tussen groepen is.
Hoofdstuk 11: Ongelijkheid is van alle ti jden. Over de gelaagdheid van de samenleving,
over mobiliteit en macht (les)
1. Ontbrekende breuklijnen
Relaties tussen actoren (mensen, groepen, organisaties) kunnen nevenschikkend en boven- en
onderschikkend zijn
- Nevenschikking: kan leiden tot sociale differentiatie of sociale verscheidenheid
Horizontaal verband, naast elkaar, geen hiërarchie, sociale rol/positie wordt
gewaardeerd, vb: relatie met broer/zus
- Boven- en onderschikking: kan leiden tot sociale ongelijkheid
Wel hiërarchie, verticale relatie, 1 staat hoger in macht dan de ander, ongelijke
rollen, vb: lector-student, werkgever-werknemer, ouder-kind
Enkel de verschillen die betrekking hebben op centrale kenmerken van het samenlevingsverband
kunnen resulteren in ongelijkheid (bv: opleidingsniveau)
1) Hiërarchie: nevenschikking of boven-onderschikking?
2) Breuklijnen: scheidingslijnen, bakenen onze kansen en problemen af, vaak gevormd uit
eerdere conflicten 4 soorten:
Relationele breuklijnen: cfr. ‘the strength of weak ties’
Ontbreken van relaties tussen actoren binnen een netwerk
Als je niet veel banden hebt binnen een netwerk, dreigt er sociaal isolement ->
geen/weinig toegang tot sociale goederen die je vooruit helpen in het leven
Bij een tekort aan weinig/zwakke banden, emotionele steun
Institutionele breuklijnen
Gevolg van uitdrukkelijke en bedoelde ingrijpen van collectieve actoren (overheid)
Vb: recht op bepaalde sociale uitkering, waardoor ‘rechthebbenden’ en ‘niet-
gerechtigden’ van elkaar worden gescheiden
Treffen we aan bij sociale, culturele of fysieke ontoegankelijkheid van diensten
Ruimtelijke breuklijnen
Resultaat van fragmentering in ruimte
‘Achtergestelde buurten’
, Gated communities -> rijke buurten waarvan toegang wordt gecontroleerd door
veiligheidspersoneel en/of toegangspoorten
Meestal gepaard met sociale en culturele breuklijn
Maatschappelijke breuklijnen
Tussen verschillende subculturen, groepen van mensen
Worden versterkt door specifieke omstandigheden van gemeenschappen en
ontbreken van interactie- en communicatiepatronen tussen gemeenschappen
Vb: manier waarop mensen geld verdienen: verdiende-gekregen, belastingen
betalen- van staatsteun leven’
2. 4 soorten van sociale verschillen
De combinatie van de 2 genoemde variabelen (aan-afwezigheid van hiërarchie en breuklijnen) leidt
tot eigen typologie van 4 soorten sociale verschillen: differentiatie, fragmentering, ongelijkheid en
uitsluiting
2.1. Sociale differentiatie
Horizontale relatie
Diversiteit die er is omdat we niet gelijk zijn, we hebben allemaal verschillende
eigenschappen
Zichtbare en onzichtbare diversiteit
Geen hiërarchie
Maar kan wel leiden tot maatschappelijke voor-en nadelen
Bv: sollicitatie: eerste indruk of in WO2 werd je als superieur gezien door uiterlijke
kenmerken
Diversiteit op vlak van natuurlijke eigenschappen en capaciteiten in samenleving
Wanneer die posities/rollen gewaardeerd worden als gelijkwaardig in termen van status,
reputatie of rijkdom, dan staan mensen in een nevenschikkende relatie tot elkaar. Er is een
horizontaal verband tussen de personen.
Maar deze ‘onschuldige’ kenmerken kunnen wel structureel de maatschappelijke positie en
kansen bepalen
Het hebben van verschillen zonder ongelijkheden
Bv: een bakker en een dokter hebben verschillende beroepen maar het betekend niet dat de een
belangrijker is dan de ander
2.2. Sociale fragmentering
Horizontale relatie
Sociale puzzelstukjes van een samenlevingsverband: elk
stukje heeft eigenheid, maar geen enkel stukje is
belangrijker dan het andere
Superdiverse samenleving – ethnic villages
Je steekt mensen in groepjes op basis van kenmerken
Opsplitsing maar geen hiërarchie
Wel breuklijn
Het gescheiden leven van groepen
Bv: In een stad wonen mensen van verschillende achtergronden in aparte wijken, waardoor er
weinig contact tussen groepen is.