Samenvatting bestuursrecht
Inhoud
H1. Inleiding bestuursrecht................................................................................. 1
H2. Bevoegdheidsverkrijging............................................................................... 4
H3. Belanghebbende........................................................................................... 5
H4. Het besluit..................................................................................................... 7
H5. De beschikking.............................................................................................. 9
H6. Besluit van algemene strekking..................................................................11
H7. Algemene beginselen van behoorlijk bestuur.............................................12
H8. De formele beginselen van behoorlijk bestuur............................................13
H9. Materiële beginselen van behoorlijk bestuur..............................................14
H10. Handhaving............................................................................................... 17
H13. De bestuurlijke voorprocedure..................................................................19
H14. Beroep bij de bestuursrechter...................................................................22
H15. Hoger beroep............................................................................................ 23
H16. Voorlopige voorzieningen..........................................................................25
H17. Schade vergoeding................................................................................... 26
Hoofdstuk 12 bestuursrecht uit recht introductie..............................................29
H1. Inleiding bestuursrecht
Het bestuursrecht bevat de regels die de overheid nodig heeft om te kunnen en
mogen besturen en de regels die de burger nodig heeft om tegen dit besturen te
kunnen optreden.
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen het algemeen en bijzonder
bestuursrecht.
Het algemeen bestuursrecht wordt in de Algemene wet bestuursrecht behandeld.
In deze wet worden algemene regels gegeven over de rechtsbescherming,
handhaving etc.
De Awb kent een aantal doelen:
- Meer eenheid brengen in de bestuursrechtelijke wetgeving
- De bestuursrechtelijke wetgeving systematiseren en vereenvoudigen
- Normen die in de rechtspraak zijn ontwikkeld codificeren (opnemen in een
wet)
Het bijzonder bestuursrecht richt zich op een bepaald onderdeel van het
bestuursrecht. Het richt zich op een specifiek onderwerk of een specifieke
1
,doelgroep. Voorbeelden zijn het vreemdelingenrecht, belastingrecht en
socialezekerheidsrecht.
Algemeen wet bestuursrecht en bijzonder bestuursrecht:
De Awb bevat algemene regels over de rechtsbescherming, handhaving en
bijvoorbeeld de begrippen, bestuursorgaan, delegatie, attributie, mandaat,
besluit en beschikking.
Doel Awb: meer eenheid brengen in de bestuursrechtelijke wetgeving, de
bestuursrechtelijke wetgeving systematiseren en vereenvoudigen en ten
slotte normen die in de rechtspraak zijn ontwikkeld codificeren.
Bijzonder bestuursrecht richt zich op een bepaald onderdeel van het
bestuursrecht, Belastingen, financiën, onderwijs, milieu, sociale zekerheid,
ruimtelijke ordening etc.
Materieel en formeel bestuursrecht
Materieel bestuursrecht: rechtsnormen waarin voor burgers en
bestuursorganen aanspraken of verplichtingen zijn opgenomen. Voorbeeld:
een bepaling in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, waarin de
voorwaarden staan waaraan een aanvraag voor een omgevingsvergunning
moet worden getoetst.
Formeel bestuursrecht: de procesrechtelijke regels die de burger nodig
heeft om tegen het optreden van de overheid iets te ondernemen.
Voorbeeld: de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen de afwijzing van
een omgevingsvergunning.
Bronnen van bestuursrecht: Internationale recht (Art 6 EVRM), nationale
wetgeving (gemeente of grondwet), jurisprudentie en ongeschreven
bestuursrecht
De nationale wetgeving bestaat uit een groot aantal bestuursrechtelijke wetten in
formele zin (dit zijn wetten die door de regering en de Staten-Generaal worden
vastgesteld, zoals de Gemeentewet en de Grondwet.
Gemeentewet: is een wet die regelt hoe gemeenten in Nederland worden
bestuurd. Het legt vast wat de gemeenteraad, de burgemeester en wethouders
mogen doen en hoe ze dit moeten doen. Ook regelt het zaken zoals de begroting
en belastingen van gemeenten. Het is de belangrijkste wet voor het functioneren
van de lokale overheid.
Kenmerken bestuursrecht
Legaliteitsbeginsel: bevoegdheden en rechten van de overheid om op te
treden moeten in de wet zijn terug te vinden.
Specialiteitsbeginsel: Om te voorkomen dat een overheid zich te
gemakkelijk kan beroepen op het dienen van het algemeen belang, wordt
in de wet telkens het specifiek belang aangegeven. De overheid mag bij
2
, het gebruik van een bevoegdheid dus alleen het belang behartigen
waarvoor die regelgeving speciaal is bedoeld. Als de overheid zijn
bevoegdheid gebruikt voor een ander doel dan waar de bevoegdheid voor
bedoeld is, dan is er sprake van ‘détournement de pouvoir’.
Het ongeschreven bestuursrecht wordt ook wel het gewoonterecht genoemd.
Denk hierbij aan het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidbeginsel
Met bestuursdwang wordt een onrechtmatige toestand hersteld.
Gelede normstelling: Toepasselijkheid van een rechtsregel is niet in 1 wet te
vinden, maar in een combinatie van met elkaar samenhangende regelingen.
De regelgeving bestaat op verschillende niveaus. Van het hoogste tot het laagste
niveau is de regelgeving als volgt geregeld:
1. Verdragen
2. Statuut
3. Grondwet
4. Wetten in formele zin
5. AMVB
6. Ministeriële regelingen (verordeningen)
7. Provinciale verordeningen
8. Gemeentelijke verordeningen en waterschapverordeningen
9. Beleidsregels
10.Vergunningsvoorschriften
Openbare lichaam: Nederland is een gedecentraliseerde eenheidsstaat. Dit
betekent dat de macht verdeeld ligt over verschillende niveaus. Elk niveau heeft
zijn eigen openbare lichaam. Zoals de Staat, de provincies, de waterschappen, de
gemeenten en de lichamen waar via de Grondwet een bevoegdheid aan is
toegekend. Deze openbare lichamen bestaan uit bestuursorganen
Staat: regering, minister en staatsecretarissen
Provincie: provinciale staten, gedeputeerde staten, commissaris van de
koning,
Gemeente: burgemeester, college van B&W, gemeenteraad, commissies
Een bestuursorgaan moet een tot een in de wet te herleiden bevoegdheid
hebben om besluiten te nemen én mag niet in strijd handelen met de wet. Dit
noem je ook wel de wetmatigheid van bestuur (ook wel het staatsrechtelijke
legaliteitsbeginsel)
De SER is een adviesorgaan, het adviseert de regering en het parlement over het
sociaaleconomisch beleid. Het is een openbaar lichaam op basis van art. 134
Grondwet.
Overheid en privaatrecht:
Openbare lichamen bezitten rechtspersoonlijkheid. Dat betekent dat zij
rechtshandelingen kunnen verrichten. De overheid staat op grond van art. 2:5 BW
gelijk met een natuurlijk persoon
3
,Taken van gemeenten:
1. Ruimtelijke ordening en bouwvergunningen.
2. Afvalinzameling en -verwerking.
3. Onderhoud van openbare voorzieningen zoals wegen en parken.
Taken van provincies:
1. Regionale planning en economische ontwikkeling
2. Natuur- en milieubeheer, inclusief toezicht op natuurgebieden
3. Toezicht houden op gemeenten en financiële stabiliteit controleren
Openbare lichamen hebben rechtspersoonlijkheid, dat betekent dat de openbare
lichamen, zoals gemeenten en provincies, juridisch gezien als entiteit kunnen
handelen, net als een individu. Ze kunnen contracten sluiten, eigendommen
bezitten, en juridische stappen nemen, los van de personen die er werken. Dit
zorgt voor duidelijkheid en stabiliteit in juridische zaken en helpt hen effectief te
functioneren als overheidsorganen
H2. Bevoegdheidsverkrijging
Een bestuursorgaan kan op drie manieren een bevoegdheid krijgen om
beslissingen te nemen:
1. Attributie (10:22 Awb):
Attributie is het toekennen van een nieuwe bevoegdheid aan het bestuursorgaan.
Bevoegdheden kunnen aan (zelfstandige) bestuursorganen en aan ambtenaren
worden toegekend (geattribueerd). Zo is de belastinginspecteur (ambtenaar)
bevoegd om belastingaanslagen op te leggen.
Voorbeeld: Art. 147 lid 1 van de Gemeentewet bepaalt dat de gemeenteraad
verordeningen mag vaststellen. De gemeenteraad heeft daarmee een
geattribueerde bevoegdheid gekregen. De wetgever heeft in dit geval een
nieuwe wetgevende bevoegdheid aan de gemeenteraad toegekend.
2. Delegatie (10:13 Awb):
Overdragen van een bevoegdheid aan een ander.
Alleen toegestaan indien dit bij wettelijk voorschrift mogelijk is gemaakt.
Art.10:15 Awb
De legataris gaat de bevoegdheid op eigen naam en onder eigen
verantwoordelijkheid uitoefenen.
Het originele bestuursorgaan raakt zijn bevoegdheid kwijt art.10:17 Awb,
maar kan het wel terugkrijgen art.10:18 Awb.
Delegans – degene die de bevoegdheid overdraagt
4
, Delegataris – degene die de bevoegdheid krijgt.
Onder delegatie of subdelegatie – de delegataris kan het nemen van
besluiten aan een ander delegeren.
3. Mandaat:
De bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen
art.10:1 Awb
Bij delegatie worden bevoegdheden overgedragen, bij mandaat niet.
Mandaat moet schriftelijk worden verleend.
Degene die namens de ander de bevoegdheid uitoefent noem je de mandataris.
De mandans is degene die het mandaat geeft. Mandaat kan worden verleend aan
organen en personen.
Voorbeeld mandaat aan een persoon: een ambtenaar neemt een beslissing
namens de minister. Feitelijk beslist de ambtenaar. De minister blijft
verantwoordelijkheid en kan op de beslissing van de ambtenaar worden
aangesproken.
Verordening:
Een verordening is een algemeen verbindend voorschrift en op lokaal niveau de
‘hoogste’ regeling. Een verordening wordt door de gemeenteraad vastgesteld. De
verordening is rechtstreeks bindend voor de burger. In de nadere regels worden
deze verordeningen vervolgens weer verder uitgewerkt.
Nadere regels:
Nadere regels zijn algemeen verbindende voorschriften die een uitwerking zijn
van wetten of
verordeningen. In het geval van gemeenten gaat het om het uitwerkingen van
bijv.
bepalingen die in de verordeningen Wmo en Jeugd staan.
Het vaststellen van een verordening is dus een taak van de gemeenteraad. Het
college kan
beslissen over nadere regels. Dit maakt het makkelijker om deze nadere regels
regelmatig
bij te stellen. In de nadere regels mag niets worden bepaald dat in strijd is met de
verordening. Het zijn tenslotte nadere regels en geen nieuwe regels. Nadere
regels kunnen
dus rechten en plichten bevatten voor burgers. Beleidsregels kunnen dat niet.
beleidsregels: art 1:3 lid 4 Awb zegt wat beleidsregels zijn. Dus hoe een
bestuursorgaan om moet gaan met een bepaalde bevoegdheid. Er kunnen geen
rechten en plichten in worden vastgelegd
H3. Belanghebbende
Ontvankelijk - inhoudelijk wordt behandelt
Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij
een besluit is betrokken (art.1:2 Awb). Als een bestuursorgaan een besluit neemt
dat juridische consequenties heeft voor degene tot wie het besluit is gericht, is
die persoon belanghebbende.
5
, Wanneer je zelf de aanvrager bent en/of het besluit is aan jou persoonlijk gericht,
dan ben je de normadressant. Je bent dan per definitie een directe
belanghebbende, omdat het besluit aan jou persoonlijk is gericht en dus hoe dan
ook (juridische) consequenties voor jou heeft.
Naast directe belanghebbende (normadressant), kun je ook derde
belanghebbende zijn. Je bent dan niet de aanvrager en het besluit is ook niet
direct tot jou gericht. Om te bepalen of je derde belanghebbende bent, zijn er
diverse voorwaarden vanuit de jurisprudentie ontwikkeld.
Eisen belanghebbende:
1. Je hebt een eigen belang.
- Het belang waarvoor je opkomt moet een belang van jezelf zijn, waar jij
door getroffen bent.
2. Je hebt een objectief bepaalbaar belang.
- Je belang mag niet te persoonlijk zijn. Enkel een subjectief gevoel van
sterke betrokkenheid is onvoldoende.
3. Je hebt een actueel, voldoende zeker belang.
- Je belang moet op het moment dat het besluit is genomen aanwezig zijn
en mag niet een in de toekomst gelegen onzeker belang zijn.
4. Je hebt een persoonlijk belang.
- Je belang moet zich voldoende onderscheiden van dat van anderen.
5. Je hebt een rechtstreeks betrokken belang.
- Iemands belang moet voldoende direct door het besluit zijn geraakt.
Er moet voldoende causaal verband zijn tussen het besluit en
iemands belang.
Belang van rechtspersoon:
Rechtspersonen kunnen belanghebbende zijn met betrekking tot hun eigen
belangen 1:2 lid 1 Awb. Voor hen gelden dezelfde criteria als voor natuurlijke
personen die die belanghebbende zijn.
Art.1:2 lid 3 Awb maakt het mogelijk voor rechtspersonen om ook als
belanghebbende te worden aangemerkt als het gaat om het behartigen van
algemene en collectieve (Gezamenlijke) belangen. Voorbeelden van algemene
belangen zijn belangen die te maken hebben met milieubelang of de
volksgezondheid
Om als rechtspersoon voor je collectieve en algemene belangen op te komen
moet je:
1. Rechtspersoon zijn (art.2:3 Awb)
2. Het betreffende belang in het bijzonder behartigen. Een rechtspersoon
moet de doelstelling in de statuten voldoende specifiek omschrijven.
3. De belangenbehartiging laten blijken uit de statutaire doelomschrijving en
de feitelijke werkzaamheden. Dit betekent dat de organisatie laat haar
belangenbehartiging zien door wat er staat in haar officiële doelstellingen
en wat ze daadwerkelijk doet.
6
Inhoud
H1. Inleiding bestuursrecht................................................................................. 1
H2. Bevoegdheidsverkrijging............................................................................... 4
H3. Belanghebbende........................................................................................... 5
H4. Het besluit..................................................................................................... 7
H5. De beschikking.............................................................................................. 9
H6. Besluit van algemene strekking..................................................................11
H7. Algemene beginselen van behoorlijk bestuur.............................................12
H8. De formele beginselen van behoorlijk bestuur............................................13
H9. Materiële beginselen van behoorlijk bestuur..............................................14
H10. Handhaving............................................................................................... 17
H13. De bestuurlijke voorprocedure..................................................................19
H14. Beroep bij de bestuursrechter...................................................................22
H15. Hoger beroep............................................................................................ 23
H16. Voorlopige voorzieningen..........................................................................25
H17. Schade vergoeding................................................................................... 26
Hoofdstuk 12 bestuursrecht uit recht introductie..............................................29
H1. Inleiding bestuursrecht
Het bestuursrecht bevat de regels die de overheid nodig heeft om te kunnen en
mogen besturen en de regels die de burger nodig heeft om tegen dit besturen te
kunnen optreden.
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen het algemeen en bijzonder
bestuursrecht.
Het algemeen bestuursrecht wordt in de Algemene wet bestuursrecht behandeld.
In deze wet worden algemene regels gegeven over de rechtsbescherming,
handhaving etc.
De Awb kent een aantal doelen:
- Meer eenheid brengen in de bestuursrechtelijke wetgeving
- De bestuursrechtelijke wetgeving systematiseren en vereenvoudigen
- Normen die in de rechtspraak zijn ontwikkeld codificeren (opnemen in een
wet)
Het bijzonder bestuursrecht richt zich op een bepaald onderdeel van het
bestuursrecht. Het richt zich op een specifiek onderwerk of een specifieke
1
,doelgroep. Voorbeelden zijn het vreemdelingenrecht, belastingrecht en
socialezekerheidsrecht.
Algemeen wet bestuursrecht en bijzonder bestuursrecht:
De Awb bevat algemene regels over de rechtsbescherming, handhaving en
bijvoorbeeld de begrippen, bestuursorgaan, delegatie, attributie, mandaat,
besluit en beschikking.
Doel Awb: meer eenheid brengen in de bestuursrechtelijke wetgeving, de
bestuursrechtelijke wetgeving systematiseren en vereenvoudigen en ten
slotte normen die in de rechtspraak zijn ontwikkeld codificeren.
Bijzonder bestuursrecht richt zich op een bepaald onderdeel van het
bestuursrecht, Belastingen, financiën, onderwijs, milieu, sociale zekerheid,
ruimtelijke ordening etc.
Materieel en formeel bestuursrecht
Materieel bestuursrecht: rechtsnormen waarin voor burgers en
bestuursorganen aanspraken of verplichtingen zijn opgenomen. Voorbeeld:
een bepaling in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, waarin de
voorwaarden staan waaraan een aanvraag voor een omgevingsvergunning
moet worden getoetst.
Formeel bestuursrecht: de procesrechtelijke regels die de burger nodig
heeft om tegen het optreden van de overheid iets te ondernemen.
Voorbeeld: de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen de afwijzing van
een omgevingsvergunning.
Bronnen van bestuursrecht: Internationale recht (Art 6 EVRM), nationale
wetgeving (gemeente of grondwet), jurisprudentie en ongeschreven
bestuursrecht
De nationale wetgeving bestaat uit een groot aantal bestuursrechtelijke wetten in
formele zin (dit zijn wetten die door de regering en de Staten-Generaal worden
vastgesteld, zoals de Gemeentewet en de Grondwet.
Gemeentewet: is een wet die regelt hoe gemeenten in Nederland worden
bestuurd. Het legt vast wat de gemeenteraad, de burgemeester en wethouders
mogen doen en hoe ze dit moeten doen. Ook regelt het zaken zoals de begroting
en belastingen van gemeenten. Het is de belangrijkste wet voor het functioneren
van de lokale overheid.
Kenmerken bestuursrecht
Legaliteitsbeginsel: bevoegdheden en rechten van de overheid om op te
treden moeten in de wet zijn terug te vinden.
Specialiteitsbeginsel: Om te voorkomen dat een overheid zich te
gemakkelijk kan beroepen op het dienen van het algemeen belang, wordt
in de wet telkens het specifiek belang aangegeven. De overheid mag bij
2
, het gebruik van een bevoegdheid dus alleen het belang behartigen
waarvoor die regelgeving speciaal is bedoeld. Als de overheid zijn
bevoegdheid gebruikt voor een ander doel dan waar de bevoegdheid voor
bedoeld is, dan is er sprake van ‘détournement de pouvoir’.
Het ongeschreven bestuursrecht wordt ook wel het gewoonterecht genoemd.
Denk hierbij aan het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidbeginsel
Met bestuursdwang wordt een onrechtmatige toestand hersteld.
Gelede normstelling: Toepasselijkheid van een rechtsregel is niet in 1 wet te
vinden, maar in een combinatie van met elkaar samenhangende regelingen.
De regelgeving bestaat op verschillende niveaus. Van het hoogste tot het laagste
niveau is de regelgeving als volgt geregeld:
1. Verdragen
2. Statuut
3. Grondwet
4. Wetten in formele zin
5. AMVB
6. Ministeriële regelingen (verordeningen)
7. Provinciale verordeningen
8. Gemeentelijke verordeningen en waterschapverordeningen
9. Beleidsregels
10.Vergunningsvoorschriften
Openbare lichaam: Nederland is een gedecentraliseerde eenheidsstaat. Dit
betekent dat de macht verdeeld ligt over verschillende niveaus. Elk niveau heeft
zijn eigen openbare lichaam. Zoals de Staat, de provincies, de waterschappen, de
gemeenten en de lichamen waar via de Grondwet een bevoegdheid aan is
toegekend. Deze openbare lichamen bestaan uit bestuursorganen
Staat: regering, minister en staatsecretarissen
Provincie: provinciale staten, gedeputeerde staten, commissaris van de
koning,
Gemeente: burgemeester, college van B&W, gemeenteraad, commissies
Een bestuursorgaan moet een tot een in de wet te herleiden bevoegdheid
hebben om besluiten te nemen én mag niet in strijd handelen met de wet. Dit
noem je ook wel de wetmatigheid van bestuur (ook wel het staatsrechtelijke
legaliteitsbeginsel)
De SER is een adviesorgaan, het adviseert de regering en het parlement over het
sociaaleconomisch beleid. Het is een openbaar lichaam op basis van art. 134
Grondwet.
Overheid en privaatrecht:
Openbare lichamen bezitten rechtspersoonlijkheid. Dat betekent dat zij
rechtshandelingen kunnen verrichten. De overheid staat op grond van art. 2:5 BW
gelijk met een natuurlijk persoon
3
,Taken van gemeenten:
1. Ruimtelijke ordening en bouwvergunningen.
2. Afvalinzameling en -verwerking.
3. Onderhoud van openbare voorzieningen zoals wegen en parken.
Taken van provincies:
1. Regionale planning en economische ontwikkeling
2. Natuur- en milieubeheer, inclusief toezicht op natuurgebieden
3. Toezicht houden op gemeenten en financiële stabiliteit controleren
Openbare lichamen hebben rechtspersoonlijkheid, dat betekent dat de openbare
lichamen, zoals gemeenten en provincies, juridisch gezien als entiteit kunnen
handelen, net als een individu. Ze kunnen contracten sluiten, eigendommen
bezitten, en juridische stappen nemen, los van de personen die er werken. Dit
zorgt voor duidelijkheid en stabiliteit in juridische zaken en helpt hen effectief te
functioneren als overheidsorganen
H2. Bevoegdheidsverkrijging
Een bestuursorgaan kan op drie manieren een bevoegdheid krijgen om
beslissingen te nemen:
1. Attributie (10:22 Awb):
Attributie is het toekennen van een nieuwe bevoegdheid aan het bestuursorgaan.
Bevoegdheden kunnen aan (zelfstandige) bestuursorganen en aan ambtenaren
worden toegekend (geattribueerd). Zo is de belastinginspecteur (ambtenaar)
bevoegd om belastingaanslagen op te leggen.
Voorbeeld: Art. 147 lid 1 van de Gemeentewet bepaalt dat de gemeenteraad
verordeningen mag vaststellen. De gemeenteraad heeft daarmee een
geattribueerde bevoegdheid gekregen. De wetgever heeft in dit geval een
nieuwe wetgevende bevoegdheid aan de gemeenteraad toegekend.
2. Delegatie (10:13 Awb):
Overdragen van een bevoegdheid aan een ander.
Alleen toegestaan indien dit bij wettelijk voorschrift mogelijk is gemaakt.
Art.10:15 Awb
De legataris gaat de bevoegdheid op eigen naam en onder eigen
verantwoordelijkheid uitoefenen.
Het originele bestuursorgaan raakt zijn bevoegdheid kwijt art.10:17 Awb,
maar kan het wel terugkrijgen art.10:18 Awb.
Delegans – degene die de bevoegdheid overdraagt
4
, Delegataris – degene die de bevoegdheid krijgt.
Onder delegatie of subdelegatie – de delegataris kan het nemen van
besluiten aan een ander delegeren.
3. Mandaat:
De bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen
art.10:1 Awb
Bij delegatie worden bevoegdheden overgedragen, bij mandaat niet.
Mandaat moet schriftelijk worden verleend.
Degene die namens de ander de bevoegdheid uitoefent noem je de mandataris.
De mandans is degene die het mandaat geeft. Mandaat kan worden verleend aan
organen en personen.
Voorbeeld mandaat aan een persoon: een ambtenaar neemt een beslissing
namens de minister. Feitelijk beslist de ambtenaar. De minister blijft
verantwoordelijkheid en kan op de beslissing van de ambtenaar worden
aangesproken.
Verordening:
Een verordening is een algemeen verbindend voorschrift en op lokaal niveau de
‘hoogste’ regeling. Een verordening wordt door de gemeenteraad vastgesteld. De
verordening is rechtstreeks bindend voor de burger. In de nadere regels worden
deze verordeningen vervolgens weer verder uitgewerkt.
Nadere regels:
Nadere regels zijn algemeen verbindende voorschriften die een uitwerking zijn
van wetten of
verordeningen. In het geval van gemeenten gaat het om het uitwerkingen van
bijv.
bepalingen die in de verordeningen Wmo en Jeugd staan.
Het vaststellen van een verordening is dus een taak van de gemeenteraad. Het
college kan
beslissen over nadere regels. Dit maakt het makkelijker om deze nadere regels
regelmatig
bij te stellen. In de nadere regels mag niets worden bepaald dat in strijd is met de
verordening. Het zijn tenslotte nadere regels en geen nieuwe regels. Nadere
regels kunnen
dus rechten en plichten bevatten voor burgers. Beleidsregels kunnen dat niet.
beleidsregels: art 1:3 lid 4 Awb zegt wat beleidsregels zijn. Dus hoe een
bestuursorgaan om moet gaan met een bepaalde bevoegdheid. Er kunnen geen
rechten en plichten in worden vastgelegd
H3. Belanghebbende
Ontvankelijk - inhoudelijk wordt behandelt
Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij
een besluit is betrokken (art.1:2 Awb). Als een bestuursorgaan een besluit neemt
dat juridische consequenties heeft voor degene tot wie het besluit is gericht, is
die persoon belanghebbende.
5
, Wanneer je zelf de aanvrager bent en/of het besluit is aan jou persoonlijk gericht,
dan ben je de normadressant. Je bent dan per definitie een directe
belanghebbende, omdat het besluit aan jou persoonlijk is gericht en dus hoe dan
ook (juridische) consequenties voor jou heeft.
Naast directe belanghebbende (normadressant), kun je ook derde
belanghebbende zijn. Je bent dan niet de aanvrager en het besluit is ook niet
direct tot jou gericht. Om te bepalen of je derde belanghebbende bent, zijn er
diverse voorwaarden vanuit de jurisprudentie ontwikkeld.
Eisen belanghebbende:
1. Je hebt een eigen belang.
- Het belang waarvoor je opkomt moet een belang van jezelf zijn, waar jij
door getroffen bent.
2. Je hebt een objectief bepaalbaar belang.
- Je belang mag niet te persoonlijk zijn. Enkel een subjectief gevoel van
sterke betrokkenheid is onvoldoende.
3. Je hebt een actueel, voldoende zeker belang.
- Je belang moet op het moment dat het besluit is genomen aanwezig zijn
en mag niet een in de toekomst gelegen onzeker belang zijn.
4. Je hebt een persoonlijk belang.
- Je belang moet zich voldoende onderscheiden van dat van anderen.
5. Je hebt een rechtstreeks betrokken belang.
- Iemands belang moet voldoende direct door het besluit zijn geraakt.
Er moet voldoende causaal verband zijn tussen het besluit en
iemands belang.
Belang van rechtspersoon:
Rechtspersonen kunnen belanghebbende zijn met betrekking tot hun eigen
belangen 1:2 lid 1 Awb. Voor hen gelden dezelfde criteria als voor natuurlijke
personen die die belanghebbende zijn.
Art.1:2 lid 3 Awb maakt het mogelijk voor rechtspersonen om ook als
belanghebbende te worden aangemerkt als het gaat om het behartigen van
algemene en collectieve (Gezamenlijke) belangen. Voorbeelden van algemene
belangen zijn belangen die te maken hebben met milieubelang of de
volksgezondheid
Om als rechtspersoon voor je collectieve en algemene belangen op te komen
moet je:
1. Rechtspersoon zijn (art.2:3 Awb)
2. Het betreffende belang in het bijzonder behartigen. Een rechtspersoon
moet de doelstelling in de statuten voldoende specifiek omschrijven.
3. De belangenbehartiging laten blijken uit de statutaire doelomschrijving en
de feitelijke werkzaamheden. Dit betekent dat de organisatie laat haar
belangenbehartiging zien door wat er staat in haar officiële doelstellingen
en wat ze daadwerkelijk doet.
6