• Verkeerd document? Gratis ruilen
  • Geschreven door studenten die geslaagd zijn
  • Direct beschikbaar na je betaling
  • Online lezen of als PDF
Verkopen
Kies je studieland
Kies je taal
Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 34 pagina's
Samenvatting

Samenvatting Sociale Psychologie - Volledig!

Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 34 pagina's

Samenvatting gebaseerd op lesnotities , powerpoints , boek .

Voorbeeld van de inhoud

SOCIALE PSYCHOLOGIE

HOOFDSTUK 1 – SOCIALE COGNITIES


WAT IS SOCIALE PSYCHOLOGIE?

= Is een studie die tracht te begrijpen, verklaren en voorspellen hoe de gedachten, gevoelens en gedragingen van
individuen beïnvloed worden door de waargenomen, ingebeelde of impliciete gedachten, gevoelens en
gedragingen van anderen.

 Algemene psychologie = Over het individu
 Sociologie = Gedrag van anderen , hoe mensen functioneren in een sameleving.

SOCIALE COGNITIE – DEFINITIE:

= Denkprocessen waarbij we informatie verwerven, organiseren en interpreteren. Deze informatie gaat over
mensen namelijk onszelf en anderen.

- Sociale schema’s bestaan uit het geheel van eigenschappen en gedragingen die men karakteristiek
acht voor de leden van deze categorieën.


ACTIEF AAN DE SLAG MET INFORMATIE

= We gaan actief aan de slag met informatie om een beeld te vormen van wie de anderen zijn.

- Bv: Bij welke groep horen ze? Welke karaktertrekken kunnen we hen toeschrijven?
- Bv: Vind ik hen leuk en vinden zij mij leuk?


WET OP DE VERWERKING VAN PERSOONSGEGEVENS

= Belgische wet sinds 1992 tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer bij de bewerking van
persoonsgegevens.

 Heeft betrekking tot verzamelen, invoeren, verwerken en uitvoeren van informatie over personen.


SOCIALE COGNITIE:

Processen waarbij we informatie

- verwerven / selectie / opslaan
- integreren / organiseren / structureren / interpreteren

over mensen

- anderen (sociale perceptie)
- zichzelf (zelfperceptie)

Nieuwe informatie verwerken is afhankelijk van de sociale context

 Bv: We zullen rumoerig zijn in een klas waar de anderen niet opletten en lawaai maken.
= Constructie van ons zelfbeeld is verbonden met ons beeld over groepen waartoe we behoren of niet tot
behoren.



GEBEURT IN FASEN :

1) Selectie -> De prikkel of de informatie moet binnenkomen

2) Je integreert en je ordent , je informatie ga je orderen.

3) Interpreteren

,  Bv: iemand roept help , dat komt binnen de prikkel


SCHEMA’S:

= Schema’s zijn een cognitieve structuur waarin eerder verworven kennis over een stimulus of concept is
gerepresenteerd.

1. Over personen, opvattingen, fysieke daden, feiten,..
2. Kenmerken
3. Relaties tussen die kenmerken


SOCIALE SCHEMA’S

= Wat wij denken over onszelf en anderen en ook hoe wij denken dat anderen over ons denken

 Bv: Schematische representaties van een altruïst, een arts, een single,..

Wat we denken over onszelf of wat we denken dat anderen over ons denken

 Sociale cognitive heeft invloed = Op ons zelfbeeld
 Sociale context heeft invloed = Op ons handelen


SCHEMA’S VOLGENS PIAGET

= Schema’s zijn mentale structuren die aan de basis van ons handelen liggen, het zijn gestructureerde
functioneringspatronen.

- Door assimilatie en accommodatie worden schema’s complexer en meer op elkaar afgestemd
 Beïnvloeden na een tijd ook mentale processen

- Sociale cognitie steunt op de (sociale) schema’s
 Kunnen ons gedrag correct of foutief besture


ZELFSCHEMA:

= Zelfschema is een belangrijk schema voor de mens, Bevat de zaken waarmee je jezelf beschrijft , Bv: Zorgzaam

Zelfkennis bestaat uit:

1) Zelfobservatie (Je kijkt naar jezelf om te begrijpen wie je bent.)
2) ‘Looking-glass self’ (Je vormt een beeld van jezelf op basis van hoe je denkt dat anderen je zien.)
3) Sociale vergelijking (Je vergelijkt jezelf met anderen om jezelf beter te begrijpen.)


SCHEMA’S – OMSCHRIJVING:


2 SOORTEN SOCIALE SCHEMA’S:


1) Prototype: Soort gemiddelde van een specifieke groep mensen.
 Bv: Er vraagt iemand wat vinden jullie van een buschauffeur? Dan heb je een bepaald schema in je hoofd
over de job ‘buschauffeur’.

2) Script: Schema voor het verloop van opeenvolgende acties , soort van schema over een situatie waarmee
je al ervaring hebt en weet welke stappen je moet ondernemen
 Bv: “Als mijn man thuiskomt, dan zal hij zijn schoenen weer in het midden van de gang plaatsen, zoals
altijd!”
 !Gedrag niet conform aan script geeft meer info!

Persona = Specifieke mensen van een bepaalde job , tis een abstracte representatie v/d algemene tendens in een
bepaalde groep.


SCHEMA’S – KENMERKEN:

, 1) GESTALT

= Je ordent informatie in een samenhangend geheel (een ‘schema’). Dat geheel wordt een
nieuwe gestalt(structuur/patroon).

 Voorbeeld: Als je aan "restaurant" denkt, heb je al een beeld van wat daar gebeurt (bestellen, eten,
betalen).


2) TOP-DOWN OF THEORY-DRIVEN

= Schema’s sturen je waarneming vanuit bestaande kennis of verwachtingen (niet vanuit wat je op dat
moment precies ziet).

 Voorbeeld: Als je iemand in een doktersjas ziet, denk je sneller dat het een arts is, zelfs als je die
persoon niet kent.


3) STUREN PERSOONSPERCEPTIE

= Schema’s beïnvloeden hoe je mensen ziet of beoordeelt. Je let vooral op wat past binnen je bestaande beeld van
iemand of een groep.

Vooral aandacht voor wat past binnen geactiveerd schema

 Informatie die past bij het schema valt meer op.
 Wat niet past, wordt sneller genegeerd of vergeten.


4) SCHEMA’S BEÏNVLOEDEN DE HERINNERING

= Je herinnert je dingen makkelijker als ze passen bij je schema. Soms herinner je je zelfs dingen die niet echt
gebeurd zijn, omdat ze logisch in je schema passen.


5) PRESCRIPTIEF

= Bieden verwachtingen over hoe iets "moet" zijn, wat ons gedrag kan sturen en bevestiging van bestaande
overtuigingen bevordert.

- Bieden een beeld van hoe iets moet/kan zijn en stuurt ons gedrag
- Attributies zoeken die schema in stand houden
- Need for cognition <-> need for certainty


6) TOEGANKELIJKER NAARMATE

- Vaker opgeroepen
- Recenter opgeroepen

Door schema’s vlugger verwerking info

 Label (niet altijd werkelijkheid)


LAAG- EN HOOGBEVOOROORDEELDE MENSEN OMGAAN MET STEREOTYPES , BEIDE GROEPEN
ACTIVEREN DEZELFDE STEREOTYPES, MAAR GEBRUIKEN ZE VERSCHILLEND:

1) Laagbevooroordeeld (Systeem 2 – traag, rationeel):
Ze merken hun negatieve gedachten op, proberen ze te onderdrukken of corrigeren uit plichtsbesef of
schuldgevoel.
2) Hoogbevooroordeeld (Systeem 1 – snel, automatisch):
Ze gebruiken de negatieve stereotypes direct in hun oordeel → leidt tot vooroordelen.

CONFIGUREREN:

, Maar welk schema gebruiken we nu wanneer? Hoe komt het dat we op bepaalde manieren denken?

- Verschillende effecten
- Effecten zorgen soms voor vertekening


1.OPVALLENDE KENMERKEN

Wat opvalt, valt op. Dit schema wordt als eerste geactiveerd en omvat kenmerken zoals naam, geslacht en
huidskleur.

 Opvallendheid is contextafhankelijk


2.PRIMACY-EFFECT

= Informatie die wij eerst over iemand krijgen beïnvloedt het globale oordeel meer dan later verworven
informatie.

- Je kan maar een keer een eerste indruk maken
- Eerste indruk: vooral door lichaamstaal

Bvb. Kunstenaars, muziekgroepen die vastzitten aan eerste etiket (bvb cd)

Verklaringen:

Werking korte termijngeheugen

- Aan later verkregen informatie wordt minder aandacht bested
- Latere informatie geïnterpreteerd in het licht van vroegere informatie
- Behoefte aan afsluiten, zodra men ongeveer een beeld heeft (maar je kan je wapenen)


3.RECENCY EFFECT

= Wat laatst komt, beïnvloedt meer het globale oordeel!

 Wanneer je informatie traag krijgt.

CONFIGURATIEMODEL ASCH:

Van een persoon vormt men zich een Gestalt:

- Een intern consistent beeld
- Betekenis van een element wordt mee bepaald door de betekenis die men aan de andere elementen geeft
en omgekeerd
- Beeld kan dus bepaald worden door enkele dominante eigenschappen


EXPERIMENT:

= Lijst van kenmerken persoon + ‘warm’ of koud’ -> Andere beeldvorming bij identieke lijsten

Kenmerk Warme betekenis Koude betekenis
Fier Zelfrespect Verwaand
Vol durf Moedig Roekeloos
Discreet Tactvol Heimelijk
Kalm Sereen Berekend


IMPLICIETE PERSOONLIJKHEIDSTHEORIE (IMPT):

= Onze onbewuste veronderstelling dat bepaalde eigenschappen vaak samen voorkomen. We gebruiken dit
automatisch bij indruksvorming om een beeld van iemand te vervolledigen.

 Het beïnvloedt hoe we informatie interpreteren en verwerken.

Inhoudsopgave

  1. 01 hoofdstuk 1 – sociale cognities 1
    1. Wat is sociale psychologie? 1
    2. Sociale cognitie – definitie: 1
    3. Configureren: 3
    4. Configuratiemodel Asch: 4
    5. Persoonsperceptie 5
    6. Priming 5
    7. Dissonantie 6
    8. Het negatieve 7
  2. 02 Hoofdstuk 2 – attributies: 7
    1. Criteria – attributies: 7
    2. Attributietheorieën 8
    3. Motivatie: 9
    4. Vertekeningen: 9
  3. 03 Hoofdstuk 3 – sociale beinvloeding: 10
    1. 1. Conformisme of meerderheidsinvloed 10
    2. 2. Innovatie of minderheidsinvloed 12
    3. 3. Gehoorzaamheid en autoriteit 13
    4. 5. Sociale facilitatie en belemmering 15
    5. 6. Sociaal meeliften 15
  4. 04 Hoofdstuk 4 – hulpverlener: 16
    1. 1. Altruïsme 16
    2. 2. Verwantschap 16
    3. 3. Wederkerig altruïsme 16
    4. 4. Empathie 18
    5. 5. Stappenmodel 18
    6. 6. Beïnvloedende factoren 20
  5. 05 Hoofdstuk 5 – in groep: 20
    1. 3.Sociale categorisatie 21
    2. 4. Kenmerken – Accentuation effect: 21
    3. 5. Assumed similarity effect 21
    4. 6. Outgroup homogeneity effect 21
    5. 7. Ingroup favoritisme effect 22
    6. 8. Valkuilen vermijden 22
    7. Valkuilen voor groepen: 22
    8. 10. Polarisatie 23
  6. 06 Hoofdstuk 6 – stereotypering 23
    1. 1. Stereotypen: 23
    2. 2. Hoe ontstaan stereotypen? 24
    3. 3. Invloed 26
    4. Stereotypen: alleen maar slecht nieuws? 26
  7. 07 Hoofdstuk 7 – attitudes 26
    1. Omschrijving: 26
    2. 1. Soorten: 27
    3. 2. Kenmerken 27
    4. 3. Meten 28
    5. 4. Gedrag 28
    6. 5. Veranderen 28
  8. 08 Leerpad 1 - Impact sociale media op sociale cognitie en attributie 28
    1. Beeldvorming via sociale media versus werkelijkheid 28
    2. Gevolgen van mediagebruik: 29
    3. PANOREPORTAGE OVER KWETSBAARHEID ONLINE DELEN 29
    4. Invloed van negatieve haatberichten op sociale cognitie 30
    5. Link cognitieve schema’s: 30
    6. ATTRIBUTIETHEORIE TOEPASSEN OP SOCIALE MEDIA OF GEDRAG VAN MENSEN ONLINE 30
    7. Deepfake: 31
  9. 09 Leerpad 2 – Over groepen, stereotypen en vooroordelen online: 31
    1. 1. Wat is sociale categorisering? 31
    2. 2. Stereotypen en vooroordelen: 32
    3. The danger of a single story: 32
    4. 3. Polorisatie: 33

Gekoppeld boek
 image
Rudy Schellaert Sociale psychologie vandaag
Uitgever: Onbekend ISBN: 9789400006096 Druk: 1

Documentinformatie

Heel boek samengevat?
Ja
Geüpload op
21 december 2025
Aantal pagina's
34
Geschreven in
2025/2026
Type
Samenvatting
€8,56

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kan je een ander document kiezen. Je kan het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Verkocht
2
Volgers
0
Items
8
Laatst verkocht
8 maanden geleden



Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via Bancontact, iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo eenvoudig kan het zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen