maandag 29 september 2025 15:34
1. Waarover gaat economie?
Hulp bij het nemen van beslissingen in:
○ bedrijven
○ organisaties
○ gezinsverband
○ etc…
Een beter begrip van actuele problemen
○ lokaal, regionaal, nationaal, Europees en mondiaal vlak
Beter voorkomen van toekomstige problemen
○ financiële crisissen
○ milieuproblemen
○ …
2. Het fundamenteel economisch probleem
= Hoe kan je beperkte schaarse middelen gebruiken om in de bestaande behoeften te voorzien, wanneer je dezelfde middelen slechts 1 keer kunt inzetten?
2.1 Menselijke en maatschappelijke behoeften
Behoefte: aanvoelen van een tekort en verlangen om dit tekort aan te vullen.
• Er zijn verscheidene behoeften
• Materieel (vb. Voeding) en ook immaterieel (vb. Cultuur)
• Individuele versus collectieve behoeften (vb. Nationale veiligheid)
• Behoeften kunnen wijzigen doorheen de tijd (vb. Drugsverslaving)
Opmerking: in de economie worden behoeften niet onderzocht op base van hun morele waarde (consumentensoevereiniteit)
2.2 Schaarse middelen en de noodzaak te kiezen
Schaarse middelen = economische goederen die nuttig zijn
• Kunnen een behoefte gedeeltelijk of volledig opvangen = nut
• Kan een prijskaartje aan vasthangen vb. Een blikje cola is €3
Niet-schaarse goederen = vrije goederen
• Voorbeeld: lucht
• Hangt af van tijd en context vb. Lucht is schaars voor een diepzeeduiker
2.3 Keuzeprobleem in de economie
Schaarse middelen zijn alternatief aanwendbaar, wat betekent dat er een keuzeprobleem ontstaat. Dit keuzeprobleem vestigt zicht op verschillende niveaus:
• individu
• huishoudens
• bedrijven
• overheid
Voorbeeld: "Robinson Crusoë economie"
• Schripbreukeling belandt op een onbewoond eiland
• Beschikt over schaarse middelen: aangespoeld materiaal, natuurlijke omgeving, eigen arbeid en vindingrijkheid
• Keuze om middelen aan te wenden:
○ Hut bouwen?
○ Boot maken?
• Dezelfde middelen kunnen maar 1 keer ingezet worden
2.4 Het maken van keuzes en opportuniteitskosten
De werkelijke kosten van een gemaakte keuze zijn niets anders dan de waarde van het beste alternatief dat men opgeeft door deze keuze te maken.
Voorbeeld: afgestudeerde student
• Twee keuzes: vaste job of een extra opleiding
• Opportuniteitskost van een extra opleiding: loon van de vast job
2.5 Economie: een definitie
Economische analyse:
• gaat na hoe beslissingsmakers (mensen, bedrijven, overheden, en andere organisaties) keuzes maken
• en wat daarvan de private en maatschappelijke gevolgen zijn.
,2.5.1 Definitie van economie volgens Scitovsky
= sociale wetenschap die tot voorwerp heeft het beheer van schaarse middelen.
Drie beheersproblemen:
• Hoe wijs je de schaarse middelen toe aan de diverse aanwendingen? = allocatieprobleem
• Hoe verdeel je de voordelen van geproduceerde goederen en diensten over de bevolking? = verdelings- of distributieprobleem
• Een goed beheer van schaarse middelen vereist het nastreven van de volledige aanwending van de beschikbare middelen = stabilisatieprobleem
De eerste twee problemen kunnen we samenvatten met de (productie)vraag: 'wat', 'hoeveel', 'hoe', 'waar', en 'voor wie'
• Het stabilisatieprobleem omvat onder meer het nastreven van volledige werkgeleginheid
2.6 Micro- en macro-economie
Micro-economie bestudeert gedrag van economische agenten (consumenten, producenten)
• Heeft te maken met distributie- en allocatieproblemen
Macro-economie bestudeert invloed van stabilisatie- en allocatieprobleem van arbeid en kapitaal op de werking van een economie
• Heeft te maken met het stabilisatieprobleem (vb. Werkloosheid)
>> Micro-economie en macro-economie: twee zijden van dezelfde medaille
3. Het productieproces
Het productieproces in elke moderne economie hangt af van veel factoren en doorloopt verschillende stadia. Combinaties van L, N, en K resulteren in productie.
• Rol van kapitaalgoederen verschil van arbeid en natuurlijke hulpbronnen
• Kapitaalgoederen: niet in aanmerking voor consumptie om aan menselijke behoeften te voldoen
○ Aangewend om economische goederen te produceren = behoeftebevredeging = omwegproductie
Het verhogen van kapitaalgoederen = investeren
• Ook wel uitstel van consumptie
• Voorbeeld: de bouw van een nieuwe fabriekshal of machine
3.1 De productiefactoren
Op macro-economisch vlak kunnen we schaarse middelen opdelen tot drie productiefactoren:
1. primaire productiefactoren
• arbeid: fysisch en intellectueel (L)
• natuur: grond, lucht, ruimte, klimaat (N)
2. afgeleide productiefactoren
• kapitaal: gebouwen, machines, infrastructuur (K)
3. ondernemersinitiatief: menselijk kapitaal
3.2 De productiefunctie
= technische relatie tussen de hoeveelheid productiefacotren (inputs) en de maximale output (economische goederen)
• 3 productiefactoren: hoeveelheid arbeid (L), natuur (N) en kapitaal (K), incl. ondernemersinitiatief
Productiefunctie: X = f(L, N, K) -> geeft de relatie tussen de hoeveelheid productiefactoren (inputs) en de hoeveelheid economische goederen (outputs = x)
• Verhoging van elke productiefactor = verhoging van de output
• Marginaal product van arbeid = positief
○ Partiele afgeleide van F naar L = positief
4. Curve van de productiemogelijkheden
Voorbeeld: er zijn 2 goederen (graan en kleding) en 3 productiefactoren (totale hoeveelheid natuur (N), kapitaal (K) en arbeid (L) gegeven);
Productiefunctie voor graan:
▪ productiefactoren: N (vast) en L (variabel) - N is de hoeveelheid hectare om graan te kweken, N is variabel want je kunt veel of weinig arbeid inzetten
▪ afnemend “marginaal product” van arbeid – naarmate we de grond meer gebruiken, wordt de grond minder vruchtbaar, dus de opbrengst van de eerste he
opbrengst laatste hectare
Productiefunctie voor kleding
, ▪ productiefactoren: K (vast) en L (variabel)
▪ constant “marginaal product” van arbeid – constant want de machines blijven hetzelfde
>> arbeid alternatief aanwendbaar
1L (arbeid) = 5 graan
2L = 9 graan
-> de 2L= 9 graan heeft maar 4 extra graan gegeven, dus dat is een dalend marginaal product
1L = 1 kleding
2L = 2 kleding
-> stijgt lineair en constant, want er komt altijd eentje bij
Moet je dan kiezen tussen graan en kleding als je maar vijf arbeidseenheden tot je beschikking hebt?
4.1 De productiemogelijkheden van een land met 5 arbeidseenheden
De opties B, C, D, en E geven aan dat je je arbeidsheden kunt verspreiden en combinaties kunt maken = extra productiemogelijkheden
Dit is de productiemogelijkhedencurve. Alles dat onder die curve ligt kun je ook produceren, maar je kan zeker meer doen. Alles wat op de curve ligt, betekent dat we alle ee
van arbeid inzetten. Alles eronder betekent dat we niet alle input inzetten (= economisch inefficient). Alles dat buiten deze curve ligt, bijvoorbeeld Z, is dromen (= economisc
haalbaar), tenzij dat we productiefactoren verbeteren (dus productiviteit verhogen) waardoor we meer eenheden kunnen produceren met dezelfde input. Dat heet ook wel
economische groei (= focus op productiviteit is nodig).
,4.1.1 Opportuniteitskost
Opportuniteitskost = delta X : delta Y
De opportuniteitskost van graan ten opzichte van kleding neemt toe:
• De prijs voor kleding uitgedrukt in graan stijgt wanneer je meer kleding wenst
• Elke eenheid kleding minder brengt ook minder en minder extra graan op
4.1.2 De curve van productiemogelijkheden
= geeft alle combinaties van de productie van economische goederen die mogelijk zijn bij volledige aanwending van de beschikbare productiefactoren
illustreert de begrippen:
• Schaarste: we kunnen niet alles doen, we moeten kiezen
• Opportuniteitskost: er is een kostprijs verbonden aan het minder of meer produceren van de goederen
• Keuzeprobleem: we weten niet waar we gaan eindigen, het maatschappelijk proces heeft inspraak
omvat twee beheersproblemen (zie Scitovsky):
• volledige aanwending
• allocatie van de middelen
4.1.3 Toepassingen
• oorlogseconomie versus vredeseconomie: minder/meer nadruk op militaire goederen
• Focus op levensnoodzakelijke versus luxegoederen: ontwikkelingsland versus geïndustrialiseerd land
• Keuze voor consumptie- versus kapitaalgoederen: hangt af van land tot land vb. In VS meer luxe goederen dan in de vroegere sovjet unie
• Productie van private versus publieke goederen: gaat over omvang van de publieke sector in de economie
5. Verruiming van de productiemogelijkheden
meer productiefactoren:
• natuur, kapitaal, arbeid, ondernemingsinitiatief
betere productiefactoren:
▪ arbeidsverdeling: specialisatie in het productieproces
○ Voorbeeld: Adam Smith, 1776:
▪ Speldenfabriek met 18 deeloperaties
▪ Aliënatie kan ontstaan tov de productie
• technologische vooruitgang
• nieuwe economische ordening/instituties: geheel van wetten, reglementen, gewoonten, etc.
○ Voorbeeld: verandering in het eigendomsrecht, afschaffing van protectionistische maatregelen, etc.
technologische vooruitgang: X = f(L,N,K,T)
• De grootste groei van nieuwe technologische processen en innovatieve processen – kan ook niet tastbaar zijn vb. Artificiele intelligentie
Dankzij technologie verhoogt de productiviteit (verruimde productiemogelijkheden) = met evenveel inputs, meer outputs
,6. Het marktmechanisme versus centrale planning
6.1 Centraal geleide economie
principe: centraal overheidsorgaan stelt plan op voor inputs en output
Afnemen van centraal geleide economie door moeilijkheden:
1. Moeilijkheden van informatiedoorstroming
2. Gebrekkige motivatie van bedrijfsleiders en werknemers
3. Afwezigheid van kwaliteitsnormen en -reglementering
4. gebrek aan concurrentie door de concentratie van de industriële productie van bepaalde prodcten
6.2 Markteconomie
principe: de markt werkt op basis van de beslissingen van individuele consumenten en producenten (vraag en aanbod)
Rol van het prijsmechanisme in de markteconomie:
1. Informatiefunctie: prijzen geven informatie rond de relatieve schaarste en het nut van goederen
2. Motivatiefunctie: prijzen geven prikkels of signalen aan consumenten of producten die hun beslissingen erop baseren
3. Rantsoeneringfunctie: wanneer prijs stijgt worden consumenten gerantsoeneerd en producenten gemotiveerd om meer te produceren
4. Primaire inkomensverdeling is direct verbonden met de prijs die kopers voor de productiefactoren betalen
Adam Smith (1776): onzichtbare hand: een automatische regelaar die als vanzelf evenwicht in het economisch leven brengt = de markt komt altijd op een evenwichtspunt
evaluatie:
• Stabilisatieprobleem: hoog- en laagconjunctuur; werkloosheid
• Distributieprobleem: inkomensongelijkheid
• Allocatieprobleem: marktfalingen (monopoliemacht, publieke of collectieve goederen, externe effecten, asymmetrische informatie)
6.3 Gemengde economie: marktwerking met overheidsinterventie
principe: marktmechanisme met overheidsinterventie
aard van de overheidsinterventie
hoeveel overheid?
• Keynesianen en klassieke economen
• Europa - USA
7. Methodologische aspecten van de economische analyse
De economische wetenschap bestudeert het menselijke keuzegedrag vanuit de gezichtshoek van de spanning tussen schaarse middelen en veelvuldige behoeften. De econo
humane wetenschap.
• Economische wetenschap steunt op een aantal hypothesen
• Duidelijk afgelijnd raamwerk om economische problemen te bestuderen
7.1 Hypothesen
Basishypothese: mensen reageren op prikkels en passen hun gedrag aan afh. vd prikkels
= menselijk gedrag kan gestuurd worden door het geven van de juiste prikkels vb. aanpassing in prijzen
Homo economicus: gedrag van een persoon is het gevolg van optimaliserend gedrag
• Keuzes maken door alternatieven te vergelijken
• Adhv preferenties en beperkingen de beste keuze maken
• Nut of winst maximaliseren
Ceteris paribus (= 'als al het overige gelijk blijft')
• Economen maken veel gebruik van partiële analyses
• Verandering van één variabele bestuderen zonder dat andere variabele de uitkomst beïnvloeden
• Voorbeeld: “Als de prijs van appels stijgt, ceteris paribus, neemt de vraag af.”
7.2 “Marginaal” principe
Economische beslissingen worden vaak gemaakt op de marge, dus op basis van een kleine extra eenheid
• Marginale kosten = kosten van één extra product
• Marginale opbrengst = opbrengst van één extra product
• Voorbeeld: Een bedrijf produceert tot het punt waar marginale kosten = marginale opbrengst.
7.3 Positieve en normatieve analyse
• Positief: beschrijft wat is of zal gebeuren, zonder waardeoordeel.
○ Voorbeeld: “Een verhoging van de benzineprijs vermindert de vraag.”
• Normatief: gaat over wat zou moeten of wat wenselijk is.
○ Voorbeeld: “De benzineprijs zou moeten stijgen om milieuvervuiling te verminderen.”
,7.4 Statische versus dynamische analyse
• Statische analyse: kijkt naar een momentopname, zonder rekening te houden met veranderingen in de tijd.
○ Voorbeeld: Hoeveel wordt er nu geproduceerd bij een bepaalde prijs?
• Dynamische analyse: bekijkt veranderingen door de tijd en effecten op de toekomst.
○ Voorbeeld: Hoe beïnvloedt technologische vooruitgang de productie over 10 jaar?
7.5 Deductieve en inductieve methode
• Deductief: begin met algemene theorie of wet en pas die toe op specifieke gevallen.
○ Voorbeeld: Wet van vraag en aanbod → voorspellen dat een prijsstijging de vraag vermindert.
• Inductief: begin met data of observaties en trek daar algemene conclusies uit.
○ Voorbeeld: Onderzoeken dat bij 10 landen hogere belastingen leiden tot lagere consumptie → algemene regel afleiden.
7.6 Experimenten
• Experimentele economie test economische theorieën in gecontroleerde omstandigheden, vaak met echte mensen of computersimulaties.
○ Voorbeeld: Proefpersonen krijgen budgetten en keuzes om te zien hoe ze reageren op prijsveranderingen.
7.7 Econometrie (economie + wiskunde + statistiek)
• Econometrie combineert theorie, wiskunde en statistiek om economische hypotheses te toetsen met echte data.
• Wordt gebruikt om relaties te kwantificeren, bijvoorbeeld:
○ Hoeveel stijgt de vraag naar fietsen als de prijs daalt met 10%?
○ Wat is het effect van een belastingverhoging op werkgelegenheid?
,Hoofdstuk 2: Het marktmechanisme
dinsdag 14 oktober 2025 11:04
1. Inleiding
1.1 Het concept "markt"
Concept van ontmoeting van potentiële vragers en aanbieders
Voorbeelden:
• goederenmarkten: auto’s, huizen, kleding
• dienstenmarkten: cinema, wellness
• inputmarkten: arbeidsmarkt, kapitaalmarkt
• financiële markten: wisselmarkt, aandelenmarkt, obligatiemarkt
1.2 Vier (strenge) voorwaarden voor zuivere mededinging
1. Homogene goederen (perfecte substituten)
Voorbeeld: een dollar blijft een dollar, maar wit en bruin brood zijn niet hetzelfde (=heterogeen)
2. Aantal potentiële kopers en aanbieders is zeer groot ("marktatomisme")
-> geen enkele (ver)koper heeft gewicht in de schaal = prijsnemers
3. Vrije toe-en uittreding (geen belemmeringen of barrieres)
-> bedrijven kunnen kosteloos in en uit de markt treden
4. Marktdeelnemers hebben perfecte informatie (markttransparantie)
-> heroïsche uitdrukking
Voorbeeld: als je een auto tweedehands koopt, dan weet je niet of die auto rommel is, maar de verkoper weet dat wel
2. De marktvraag
= de totale hoeveelheid die alle consumenten samen bereid zijn te kopen afhankelijk van determinanten zoals prijs en inkomen
2.1 Vraagfunctie
= Xv(Px, y, u, Pz, Pw, …, n, a)
Te verklaren/afhankelijke variabele: Xv (gevraagde hoeveelheid)
• Onafhankelijke variabelen:
○ PX: prijs van het goed
○ Y: inkomen
○ U: smaak of voorkeur
○ Pz, Pw,… : prijzen van andere goederen
○ N: aantal consumenten
○ A: andere factoren, voorbeeld: de verwachtingen van toekomstige prijzen, seizoen, reclame, etc.
2.2 De vraagcurve
Partiële analyse:
• Bekijkt enkel het effect van prijs van goed op de vraag naar het goed
• Ceteris paribus
Voordelen:
○ Eenvoudiger
○ Grafisch voorstelbaar
Nadelen:
○ Verwaarlozing van sommige effecten
Kenmerken:
• De wet van de vraag: negatief verband tussen p en x
• Bij prijswijziging: verschuiving LANGS de vraagcurve
• Bij wijziging van overige determinanten: verschuiving VAN de vraagcurve
2.2.1 Voorbeeld: verband tussen prijs en gevraagde hoeveelheid pizza
-> Hoe hoger de prijs, hoe lager de vraag
-> Hoe lager de prijs, hoe hoger de vraag
,2.2.2 Verschuiving van de vraagcurve
Voorbeeld:
• Rode curve V1: de vraag naar pizza in Frankrijk
• Zwarte curve V2: de vraag naar pizza in Italië, want zij eten voor een hogere prijs dezelfde aantal pizzas
• Grijze curve V3: de vraag naar pizza in Indonesië omwille van culturele voorkeur
-> Kan ook de vraag naar ijsjes in verschillende seizoenen zijn V2 is dan in de zomer en V3 is dan in de winter
2.2.3 Beweging langs de vraagcurve
• Bij figuur (a) heb je een analyse LANGS de vraagcurve, omdat de prijs verandert
• Bij figuur (b) heb je een analyse VAN de vraagcurve die te maken heeft met andere determinanten dan de prijs (verschuiving)
3. Marktaanbod
Marktaanbod Xa= totale hoeveelheid (x) van een goed die alle producenten samen bereid zijn te produceren in functie van een aantal determinanten
Determinanten van het aanbod
• Prijs van het goed (Px)
• Prijs van gebruikte productiefactoren (r,w, ...)
○ Met voorbeeld: r = rente van de huurprijs kapitaal
• Prijs van complementen en substituten in productie
• Productietechnologie (t)
• Aantal producenten, andere factoren
3.1 Aanbodfunctie
= Xa (Px, r, w, …, Pz, Pw, …, t, n, a)
• Verklaren/afhankelijke variabele: aangeboden hoeveelheid (Xa)
• Onafhankelijke/verklarende variabelen:
○ Px: prijs van het goed
○ R, w, …: prijzen van productiefactoren
○ Pz, Pw, …: prijzen van andere goederen
○ t: indicator voor stand van technologie
○ n: aantal producten
○ A: andere factoren, waaronder verwachte toekomstige prijzen
3.2 Aanbodcurve
• Positief verband tussen Px en Xa
• Bij prijswijziging: verschuiving LANGS de aanbodcurve
• Bij wijziging van overige determinanten (exogene factoren): verschuiving VAN de aanbodcurve
,3.2.1 Voorbeeld: verband tussen prijs en hoeveelheid van pizza
-> Hoe hoger de prijs, hoe meer producenten pizza's willen verkopen aan die prijs
3.2.2 Grafische voorstelling van aanbodcurve
Voor dezelfde prijs kan er meer of minder aanbod zijn door verschillende exogene factoren
-> positief verband, want hoe hoger de prijs, hoe hoger de hoeveelheid
4. Het marktevenwicht
4.1 Het begrip "marktevenwicht"
Op een markt worden vragers en aanbieders met elkaar geconfronteerd
• Een markt is in evenwicht in het punt e waar Xv (P) = Xa (P)
• De prijs is dan de evenwichtsprijs
• De verhandelde hoeveelheid = evenwichtshoeveelheid
4.1.1 Grafische voorstelling van het marktevenwicht
-> Wanneer de vraag hoog is, dan gaat het aanbod omhoog
-> Wanneer de vraag laag is, dan gaat het aanbod omlaag
= een marktevenwicht komt automatisch tot stand
Voorbeeld:
e = marktevenwicht -> producenten kunnen alles verkopen en consumenten kunnen alles aankopen
Voor p = 20 willen veel aanbieders produceren, maar gaat de vraag verminderen = aanbodoverschot
Voor p = 10 gaat de vraag omhoog, maar willen minder aanbieders produceren = aanbodtekort
, 4.2 Kenmerken van het marktevenwicht
• "automatisch"
• We gaan ervan uit dat individuen streven naar maximale behoeftebevrediging
• Consumenten- en producentesurplus
4.3 Veranderingen van het marktevenwicht: "comparatieve statica"
• Stijging van de vraag
• Stijging van het aanbod
• Stijging van vraag en aanbod
• Daling van vraag en stijging aanbod
= Automatisch mechanisme
Bijvoorbeeld: het netto-inkomen stijgt
• Vraag naar een bepaald goed zal stijgen
• Aanbodcurve blijft hetzelfde
• Prijs stijgt en evenwichtshoeveelheid stijgt
-> prijs stijgt als vraagcurve naar rechts verschuift
4.4 Marktevenwicht: nog veel meer toepassingen
Prijsstijgingen (ceteris paribus):
• vraagstijging: bloemen met Valentijn
• Aanboddaling: mislukte oogst
Prijsdaling (ceteris paribus):
• Vraagdaling: rundsvlees na BSE-crisis (gekke koeienziekte)
• Aanbodstijging: verbetering in technische kennis van CD-spelers
4.5 Empirisch bepalen van vraag en aanbod
1) Verzameling van statistische data over:
• marktprijzen
• verkochte hoeveelheden
• productiekostengegevens
• inkomens
• bbp
• …
2) interview gegevens
3) experimentele, gecontroleerde benadering