Lichaam & mond les 1 (terreinverkenning)
Anatomie = houdt zich bezig met de bouw van het menselijk lichaam.
Fysiologie = wetenschap over de functies van het levende lichaam.
Functionele anatomie = wetenschap die verbanden legt tussen bouw en functie.
(combinatie van fysiologie & anatomie)
Onderzoeksmethoden
• - Inspectie > observeren van het lichaam
• - Palpatie > betasten van diepere gelegen structuren
• - Percussie > klop je aan de buitenkant op een deel van het lichaam
• - Auscultatie > luisteren met een stethoscoop
• - Röntgenstraling > opname maken van botten in het lichaam
• - Computertomografie (CT) > hierbij zijn ook zachtere weefsels te zien
• - Bitewing > caviteiten beoordelen peri apicale rx > wortelpunt te zien
orthopantogram gehele bovenkaak-onderkaak
• - Magnetic resonance imaging (MRI) > bepaalde eigenschappen van de
structuren en weefsels zijn te zien
• - Echografie > beeldvormend onderzoek met behulp van ultrageluidstrillingen
(ATM-gewricht kaken) EXAMEN VRAAG VORIG JAAR!
• - Endoscopie > verzamelnaam voor alle onderzoeken > optische sonde voorzien
van een minicamera > alle holle organen en grote gewrichten van binnen kunnen
worden bekeken
Standaardmens
• - Man
• - 25 jaar
• - Gezond
• - Gemiddelde lichaamsbouw
• - 1,75m lang
• - 70kg
Afkortingen die je moet kennen!!
• - A = arteria = slagader
• - V=vena=ader
• - N = nervus = zenuw
• - M = musculus = spier
,Lichaam & mond les 1 (Cellen) Cel metabolisme
Metabolisme = stofwisseling > alle biochemische reacties die in de cellen kunnen
plaatsvinden > twee soorten biochemische reacties > anabole en katabole reacties.
Anabole reacties > kleine moleculen worden samengevoegd tot grotere moleculen > dit
kost energie > de gevormde moleculen worden tijdelijk ingebouwd in de cellen en wordt
gebruikt voor groei, onderhoud en reparatie van weefsel. Dit wordt ook wel assimilatie
genoemd.
Katabole reacties > grotere moleculen worden afgebroken tot kleinere moleculen >
energie komt vrij > energie kan gebruikt worden voor de opbouwstofwisseling of andere
energie vragende processen als beweging en warmteproductie > er is sprake van
afbraak van sto]en dit wordt aangeduid met dissimilatie.
Verbranding
Aerobe dissimilatie > verbranding van een bepaalde brandstof (glucose, vet) met
aanwezigheid van zuurstof. Het doel hiervan is het vrij maken van energie zodat de cel
activiteiten kan uitvoeren.
Anaerobe dissimilatie > verbranding van vetten zonder zuurstof > de cel breekt
energierijke sto]en af > nadeel er ontstaan meer afvalsto]en zoals melkzuur > dit geeft
een brandend gevoel.
Energie
Verbranding in de cellen gebeurt continue > hierdoor beschikt de cel over energie.
Adenosinedifosfaat = ADP > stof die energie kan opladen > heeft twee fosfaat moleculen
(di = 2) (p = phosfaat) > vast aan het eiwit. (adenosine)
Losse fosfaat moleculen zweven rond in het lichaam > zodra er energie door
verbranding ontstaat kan er een derde fosfaatmolecuul aan ADP worden gebonden =
ATP.
Adenosinetrifosfaat = ATP > energie kan tegelijkertijd worden opgeslagen > is een
energierijke binding > ADP = opgeladen > ATP = energie bewaren.
Formule vorming Adenotrifosfaat: ADP + P + ENERGIE = ATP
Formule vrijmaken van energie uit ATP-moleculen: ATP > ADP + P + Energie
Enzymen
Alle biochemische reacties vinden plaats met behulp van reactieversnellers oftewel
enzymen.
• - Altijd eiwitten
, • - Worden gemaakt door het lichaam zelf
• - Laten biochemische reacties razendsnel verlopen
• - Reactie specifiek
• - Temperatuur specifiek > bij lage tempratuur werkt het enzym trager > hoog kan
de structuur beschadigen
• - Zuurgraad specifiek (PH) > te zuur of te basische omgeving werkt het trager of
helemaal niet
• - Worden zelf niet gebruikt bij de reactie
• - Hebben vaak een co-enzym (vitamine)
• - Worden meestal genoemd naar de stof die ze splitsen of naar de reactie die ze
beïnvloeden (-ase)
Cellen
De cel is gevuld met cytoplasma een geleiachtig vocht, dat bestaat uit water
waarin onder andere meer eiwitten, koolhydraten, vetten en zouten zijn opgelost.
Celmembraan
• - Buitenkant van de cel die een belangrijke rol speelt bij het afschermen van de
intracellulaire ruimte en zorgt ervoor dat er geen sto]en zomaar uitlekken of
zomaar binnendringen.
• - Bestaat uit een dubbele laag fosfolipiden met daartussen afhankelijk van het
type cel meer of minder cholesterolmoleculen.
Cholesterolmoleculen
• - Zijn vetten met een hydrofiele en hydrofobe kant
• - Liggen tussen de fosfolipidemoleculen
• - Verstevigen het celmembraan en houden de fosfolipiden bij elkaar
Fosfolipiden
• - Vet molecuul
• - Kop-staartgedeelte
• - Kop = fosfor > hydrofiel = wateraantrekkend
, • - Staart = hydrofoob = waterafstotend
• - Ligt in het celmembraan > maakt het bijna een vloeibaar, vervormbaar en
waterafstotende vlies
Membraaneiwitten
Eiwitmoleculen in de dubbele fosfolipide laag.
Membraan poriën
Dienen voor transport van sto]en van en naar het cytoplasma.
Transport via de celmembraan
- Passief transport van sto]en via de celmembraan gaat door middel van di]usie en
osmose.
Diffusie
• - Deeltjes verplaatsen van een hoge concentratie naar een plek met een lage
concentratie
• - CO2 en O2 gaan vrij door de celmembraan
• - Permeabel = doorlaatbaar
Osmose
- Di]usie van water H2O via een semipermeabele wand = half doorlaat baar
- Deeltjes verplaatsen van een lage concentratie naar een hoge concentratie
- Zuigkracht op het water wordt veroorzaakt door opgeloste zouten = Kristalloïd-
osmotische druk (KOD)
- Eiwitmoleculen die groter zijn dan zouten lossen niet op, eiwitten en water
vormen een colloïdale oplossing > zorgt voor zuigkracht = Colloïd-osmotische
druk
- Actief transport van sto]en = ruimte met een lage concentratie naar een ruimte
met een hoge concentratie > 2 soorten: actief transport en blaasjestransport.
Enzymatische pomp
• - Transporteren sto]en met behulp van enzymen, deze enzymen zijn
membraaneiwitten en worden transporteiwitten genoemd.
• - Vervoert geladen deeltjes zoals calcium
• - Het vervoer kost de celenergie > ATP
Blaasjes transport
Anatomie = houdt zich bezig met de bouw van het menselijk lichaam.
Fysiologie = wetenschap over de functies van het levende lichaam.
Functionele anatomie = wetenschap die verbanden legt tussen bouw en functie.
(combinatie van fysiologie & anatomie)
Onderzoeksmethoden
• - Inspectie > observeren van het lichaam
• - Palpatie > betasten van diepere gelegen structuren
• - Percussie > klop je aan de buitenkant op een deel van het lichaam
• - Auscultatie > luisteren met een stethoscoop
• - Röntgenstraling > opname maken van botten in het lichaam
• - Computertomografie (CT) > hierbij zijn ook zachtere weefsels te zien
• - Bitewing > caviteiten beoordelen peri apicale rx > wortelpunt te zien
orthopantogram gehele bovenkaak-onderkaak
• - Magnetic resonance imaging (MRI) > bepaalde eigenschappen van de
structuren en weefsels zijn te zien
• - Echografie > beeldvormend onderzoek met behulp van ultrageluidstrillingen
(ATM-gewricht kaken) EXAMEN VRAAG VORIG JAAR!
• - Endoscopie > verzamelnaam voor alle onderzoeken > optische sonde voorzien
van een minicamera > alle holle organen en grote gewrichten van binnen kunnen
worden bekeken
Standaardmens
• - Man
• - 25 jaar
• - Gezond
• - Gemiddelde lichaamsbouw
• - 1,75m lang
• - 70kg
Afkortingen die je moet kennen!!
• - A = arteria = slagader
• - V=vena=ader
• - N = nervus = zenuw
• - M = musculus = spier
,Lichaam & mond les 1 (Cellen) Cel metabolisme
Metabolisme = stofwisseling > alle biochemische reacties die in de cellen kunnen
plaatsvinden > twee soorten biochemische reacties > anabole en katabole reacties.
Anabole reacties > kleine moleculen worden samengevoegd tot grotere moleculen > dit
kost energie > de gevormde moleculen worden tijdelijk ingebouwd in de cellen en wordt
gebruikt voor groei, onderhoud en reparatie van weefsel. Dit wordt ook wel assimilatie
genoemd.
Katabole reacties > grotere moleculen worden afgebroken tot kleinere moleculen >
energie komt vrij > energie kan gebruikt worden voor de opbouwstofwisseling of andere
energie vragende processen als beweging en warmteproductie > er is sprake van
afbraak van sto]en dit wordt aangeduid met dissimilatie.
Verbranding
Aerobe dissimilatie > verbranding van een bepaalde brandstof (glucose, vet) met
aanwezigheid van zuurstof. Het doel hiervan is het vrij maken van energie zodat de cel
activiteiten kan uitvoeren.
Anaerobe dissimilatie > verbranding van vetten zonder zuurstof > de cel breekt
energierijke sto]en af > nadeel er ontstaan meer afvalsto]en zoals melkzuur > dit geeft
een brandend gevoel.
Energie
Verbranding in de cellen gebeurt continue > hierdoor beschikt de cel over energie.
Adenosinedifosfaat = ADP > stof die energie kan opladen > heeft twee fosfaat moleculen
(di = 2) (p = phosfaat) > vast aan het eiwit. (adenosine)
Losse fosfaat moleculen zweven rond in het lichaam > zodra er energie door
verbranding ontstaat kan er een derde fosfaatmolecuul aan ADP worden gebonden =
ATP.
Adenosinetrifosfaat = ATP > energie kan tegelijkertijd worden opgeslagen > is een
energierijke binding > ADP = opgeladen > ATP = energie bewaren.
Formule vorming Adenotrifosfaat: ADP + P + ENERGIE = ATP
Formule vrijmaken van energie uit ATP-moleculen: ATP > ADP + P + Energie
Enzymen
Alle biochemische reacties vinden plaats met behulp van reactieversnellers oftewel
enzymen.
• - Altijd eiwitten
, • - Worden gemaakt door het lichaam zelf
• - Laten biochemische reacties razendsnel verlopen
• - Reactie specifiek
• - Temperatuur specifiek > bij lage tempratuur werkt het enzym trager > hoog kan
de structuur beschadigen
• - Zuurgraad specifiek (PH) > te zuur of te basische omgeving werkt het trager of
helemaal niet
• - Worden zelf niet gebruikt bij de reactie
• - Hebben vaak een co-enzym (vitamine)
• - Worden meestal genoemd naar de stof die ze splitsen of naar de reactie die ze
beïnvloeden (-ase)
Cellen
De cel is gevuld met cytoplasma een geleiachtig vocht, dat bestaat uit water
waarin onder andere meer eiwitten, koolhydraten, vetten en zouten zijn opgelost.
Celmembraan
• - Buitenkant van de cel die een belangrijke rol speelt bij het afschermen van de
intracellulaire ruimte en zorgt ervoor dat er geen sto]en zomaar uitlekken of
zomaar binnendringen.
• - Bestaat uit een dubbele laag fosfolipiden met daartussen afhankelijk van het
type cel meer of minder cholesterolmoleculen.
Cholesterolmoleculen
• - Zijn vetten met een hydrofiele en hydrofobe kant
• - Liggen tussen de fosfolipidemoleculen
• - Verstevigen het celmembraan en houden de fosfolipiden bij elkaar
Fosfolipiden
• - Vet molecuul
• - Kop-staartgedeelte
• - Kop = fosfor > hydrofiel = wateraantrekkend
, • - Staart = hydrofoob = waterafstotend
• - Ligt in het celmembraan > maakt het bijna een vloeibaar, vervormbaar en
waterafstotende vlies
Membraaneiwitten
Eiwitmoleculen in de dubbele fosfolipide laag.
Membraan poriën
Dienen voor transport van sto]en van en naar het cytoplasma.
Transport via de celmembraan
- Passief transport van sto]en via de celmembraan gaat door middel van di]usie en
osmose.
Diffusie
• - Deeltjes verplaatsen van een hoge concentratie naar een plek met een lage
concentratie
• - CO2 en O2 gaan vrij door de celmembraan
• - Permeabel = doorlaatbaar
Osmose
- Di]usie van water H2O via een semipermeabele wand = half doorlaat baar
- Deeltjes verplaatsen van een lage concentratie naar een hoge concentratie
- Zuigkracht op het water wordt veroorzaakt door opgeloste zouten = Kristalloïd-
osmotische druk (KOD)
- Eiwitmoleculen die groter zijn dan zouten lossen niet op, eiwitten en water
vormen een colloïdale oplossing > zorgt voor zuigkracht = Colloïd-osmotische
druk
- Actief transport van sto]en = ruimte met een lage concentratie naar een ruimte
met een hoge concentratie > 2 soorten: actief transport en blaasjestransport.
Enzymatische pomp
• - Transporteren sto]en met behulp van enzymen, deze enzymen zijn
membraaneiwitten en worden transporteiwitten genoemd.
• - Vervoert geladen deeltjes zoals calcium
• - Het vervoer kost de celenergie > ATP
Blaasjes transport