1. Freud
VRIJE ASSOCIATIE = Patiënt moet alles wat in hem of haar opkomt hardop zeggen,
zonder censuur, filtering of oordeel. Dit kunnen woorden, beelden,
herinneringen, gevoelens of gedachten zijn — zelfs als ze irrelevant,
vreemd, gênant of onsamenhangend lijken.
➔ Therapeut probeert patronen, herhalingen, conflicten of
verdrongen inhoud te herkennen die kunnen wijzen op
onderliggende psychische processen. Het doel ervan is om
toegang te krijgen tot het onbewuste van een persoon
HYSTERIE = Psychische aandoening waarbij emotionele conflicten zich uiten in
lichamelijke symptomen — zonder dat er een medische oorzaak
gevonden wordt. Freud beschouwde hysterie als een manifestatie van
verdrongen psychische conflicten, vaak gerelateerd aan traumatische
ervaringen of onderdrukte verlangens
CATHARIS = Het verwijst naar het emotioneel ontladen van verdrongen
gevoelens, vaak tijdens het herbeleven van traumatische
herinneringen. Het idee is dat het uiten van deze emoties leidt tot
psychische verlichting en vermindering van symptomen.
MENTALISEREN = Psychologisch concept dat verwijst naar het vermogen om het eigen
gedrag en dat van anderen te begrijpen in termen van mentale
toestanden — zoals gedachten, gevoelens, intenties, verlangens en
overtuigingen. Het speelt een centrale rol in de ontwikkeling van
persoonlijkheid, emotionele regulatie en interpersoonlijke relatie
OVERDRACHT o Patiënt projecteert gevoelens uit vroegere relaties (bv. met
ouders) op de therapeut.
o Belangrijk instrument in psychoanalytische therapie
TEGENOVERRACHT o Gevoelens die de therapeut ervaart tegenover de patiënt.
o Kan inzicht geven, maar ook therapie verstoren als niet goed
beheerd.
LIBIDO DRIFT = Eros, levensdrift
De libido is de psychische energie die voortkomt uit de seksuele drift,
maar in bredere zin ook uit de levensdrift. Freud zag libido als de
kracht achter:
o Liefde en hechting
o Creativiteit
o Zelfbehoud
o Seksuele verlangens
1
, Libido is verbonden met Eros, de levensdrift die gericht is op opbouw,
verbinding en voortplanting. Het is niet beperkt tot seksuele activiteit,
maar omvat ook affectie, zorg, intimiteit en sociale binding.
= alle processen die zowel fysiologisch als psychologisch denderen
naar synthese of verbondenheid, verwijzing naar objectrelationele
verbondenheid, aanwezig in alle positieve aspecten van
intermenselijke relaties, het constructieve en bindende element in het
menselijke gedrag
AGRESSIE DRIFT = Thanatos, doodsdrift
= alle motivationele krachten die leiden tot destructie, uiteenvallen en
differentiatie/autonomie
De agressiedrift verwijst naar de neiging tot vernietiging, agressie,
zelfdestructie en terugkeer naar een spanningsloze toestand (de
dood). Freud introduceerde dit later in zijn theorie als Thanatos, de
tegenhanger van Eros.
Agressiedrift kan zich uiten in:
o Fysieke of verbale agressie
o Zelfbeschadiging
o Destructief gedrag
o Verzet tegen verandering of groei
AFWEER Afweer is een verzamelterm voor onbewuste psychische strategieën
die mensen gebruiken om zichzelf te beschermen tegen angstige,
pijnlijke of onaanvaardbare gedachten en gevoelens. Ze helpen om
innerlijke conflicten te hanteren en psychisch evenwicht te bewaren.
VERDRINGING Verdringing is een specifiek afweermechanisme waarbij een pijnlijke
of bedreigende gedachte, herinnering of impuls uit het bewustzijn
wordt geweerd en in het onbewuste wordt opgeslagen. Het is een
kernbegrip in Freuds theorie.
SYMPTOOMVORMING o Symptomen (bv. angst, dwang, lichamelijke klachten) zijn
uitingen van onbewuste conflicten.
o Hebben vaak een symbolische betekenis.
FIXATIE o Vastzitten in een bepaalde psychoseksuele fase door over- of
onderbevrediging.
o Leidt tot karakterstructuren of neurotische symptomen.
REGRESSIE o Terugval naar een eerdere ontwikkelingsfase bij stress of
conflict.
o Bijvoorbeeld: een volwassene die zich kinderlijk gedraagt bij
angst.
2
,BISEKSUALITEIT Mannelijke en vrouwelijke strevingen in elk individu, objectkeuze
naargelang overheersing van ene streving over andere
PARTIELE DRIFTEN Partiële driften zijn specifieke lichamelijke en psychische impulsen
die gericht zijn op lustbeleving via bepaalde lichaamszones of
handelingen. Ze zijn nog niet gericht op een ander persoon als
liefdesobject, maar eerder op het eigen lichaam of op objecten die
lust verschaffen.
= wijze waarop de driftmatige impuls vorm krijgt binnen een
specifieke ontwikkelingsfase, vooral ontwikkeld in relatie tot de
seksuele drift
EROTOGENE DRIFTEN = Die delen van het lichaam waaraan het kind plezier kan beleven, in
het begin in relatie tot de moeder (door haar aandacht, zorg en
stimulatie) -> belangrijke anderen
ORALE KARAKTER Orale karakterstructuur
De orale fase (0–1 jaar) draait om lustbeleving via de mond: zuigen,
eten, drinken, en nabijheid zoeken. Als een kind in deze fase te veel of
te weinig bevrediging ervaart, kan er een orale fixatie ontstaan.
Kenmerken van het orale karakter:
o Afhankelijkheid: Sterke behoefte aan steun, zorg en
bevestiging van anderen.
o Passiviteit: Moeite met initiatief nemen of grenzen stellen.
o Zucht naar orale bevrediging: Roken, overmatig eten, praten,
kauwgom, nagelbijten.
o Optimisme of pessimisme: Afhankelijk van hoe de orale
behoeften zijn vervuld.
Mogelijke latere uitingen:
Mensen met een oraal karakter kunnen zich vastklampen aan
anderen, bang zijn voor verlating, of troost zoeken in orale gewoontes.
ANALE KARAKTER Anale karakterstructuur
De anale fase (1–3 jaar) draait om controle over ontlasting en
zindelijkheid. Het kind leert grenzen stellen, vasthouden en loslaten.
Problemen in deze fase kunnen leiden tot een anale fixatie.
Kenmerken van het anale karakter:
o Orde en netheid: Sterke behoefte aan controle, structuur en
precisie.
o Koppigheid: Moeite met flexibiliteit, vasthouden aan eigen
standpunten.
o Zuinigheid: Zowel financieel als emotioneel.
o Ambivalentie: Wisselend tussen controle en chaos, geven en
vasthouden.
3
, Mogelijke latere uitingen:
Mensen met een anaal karakter kunnen perfectionistisch zijn, moeite
hebben met loslaten, of juist rebels en slordig zijn als tegenreactie.
FALLISCHE o Het kind richt zijn libido op de geslachtsdelen.
KARAKTERFASE o Er ontstaat een fascinatie voor lichamelijke verschillen en
seksualiteit.
o Het kind ervaart ambivalente gevoelens ten opzichte van de
ouder van hetzelfde geslacht (rivaliteit) en affectie voor de
ouder van het andere geslacht.
o Het Oedipuscomplex speelt een centrale rol: het kind wil de
exclusieve liefde van de ouder van het andere geslacht en ziet
de andere ouder als concurrent.
OEDIPUSCOMPLEX o Cruciaal in de fallische fase
o Het kind ontwikkelt een onbewuste seksuele
aantrekkingskracht tot de ouder van het andere geslacht en
rivaliteit met de ouder van hetzelfde geslacht
o Bij jongens: angst voor castratie
o Bij meisjes: penisnijd (volgens Freud)
PENISNIJD o Specifiek voor de vrouwelijke ontwikkeling volgens Freud.
o Het meisje ervaart een gevoel van gemis en richt haar
verlangen op de vader.
o Later bekritiseerd en herwerkt door o.a. Karen Horney.
CASTRATIEANGST o Bij jongens: angst om gestraft te worden (symbolisch of
letterlijk) voor seksuele verlangens richting de moeder.
o Belangrijk in de ontwikkeling van het superego.
ID = Het driftmatige, onbewuste deel
Functie: Het id bevat de aangeboren driften en instincten, zoals de
libido (levensdrift) en agressiedrift (doodsdrift).
Kenmerken:
o Volledig onbewust
o Werkt volgens het lustprincipe: onmiddellijke bevrediging van
behoeften
o Geen logica, moraal of realiteitsbesef
Voorbeeld: Een hongerig kind dat begint te huilen zonder rekening te
houden met de omgeving.
EGO = Het realiteitsgerichte deel
Functie: Het ego bemiddelt tussen de eisen van het id, de normen van
het superego en de beperkingen van de realiteit.
4
VRIJE ASSOCIATIE = Patiënt moet alles wat in hem of haar opkomt hardop zeggen,
zonder censuur, filtering of oordeel. Dit kunnen woorden, beelden,
herinneringen, gevoelens of gedachten zijn — zelfs als ze irrelevant,
vreemd, gênant of onsamenhangend lijken.
➔ Therapeut probeert patronen, herhalingen, conflicten of
verdrongen inhoud te herkennen die kunnen wijzen op
onderliggende psychische processen. Het doel ervan is om
toegang te krijgen tot het onbewuste van een persoon
HYSTERIE = Psychische aandoening waarbij emotionele conflicten zich uiten in
lichamelijke symptomen — zonder dat er een medische oorzaak
gevonden wordt. Freud beschouwde hysterie als een manifestatie van
verdrongen psychische conflicten, vaak gerelateerd aan traumatische
ervaringen of onderdrukte verlangens
CATHARIS = Het verwijst naar het emotioneel ontladen van verdrongen
gevoelens, vaak tijdens het herbeleven van traumatische
herinneringen. Het idee is dat het uiten van deze emoties leidt tot
psychische verlichting en vermindering van symptomen.
MENTALISEREN = Psychologisch concept dat verwijst naar het vermogen om het eigen
gedrag en dat van anderen te begrijpen in termen van mentale
toestanden — zoals gedachten, gevoelens, intenties, verlangens en
overtuigingen. Het speelt een centrale rol in de ontwikkeling van
persoonlijkheid, emotionele regulatie en interpersoonlijke relatie
OVERDRACHT o Patiënt projecteert gevoelens uit vroegere relaties (bv. met
ouders) op de therapeut.
o Belangrijk instrument in psychoanalytische therapie
TEGENOVERRACHT o Gevoelens die de therapeut ervaart tegenover de patiënt.
o Kan inzicht geven, maar ook therapie verstoren als niet goed
beheerd.
LIBIDO DRIFT = Eros, levensdrift
De libido is de psychische energie die voortkomt uit de seksuele drift,
maar in bredere zin ook uit de levensdrift. Freud zag libido als de
kracht achter:
o Liefde en hechting
o Creativiteit
o Zelfbehoud
o Seksuele verlangens
1
, Libido is verbonden met Eros, de levensdrift die gericht is op opbouw,
verbinding en voortplanting. Het is niet beperkt tot seksuele activiteit,
maar omvat ook affectie, zorg, intimiteit en sociale binding.
= alle processen die zowel fysiologisch als psychologisch denderen
naar synthese of verbondenheid, verwijzing naar objectrelationele
verbondenheid, aanwezig in alle positieve aspecten van
intermenselijke relaties, het constructieve en bindende element in het
menselijke gedrag
AGRESSIE DRIFT = Thanatos, doodsdrift
= alle motivationele krachten die leiden tot destructie, uiteenvallen en
differentiatie/autonomie
De agressiedrift verwijst naar de neiging tot vernietiging, agressie,
zelfdestructie en terugkeer naar een spanningsloze toestand (de
dood). Freud introduceerde dit later in zijn theorie als Thanatos, de
tegenhanger van Eros.
Agressiedrift kan zich uiten in:
o Fysieke of verbale agressie
o Zelfbeschadiging
o Destructief gedrag
o Verzet tegen verandering of groei
AFWEER Afweer is een verzamelterm voor onbewuste psychische strategieën
die mensen gebruiken om zichzelf te beschermen tegen angstige,
pijnlijke of onaanvaardbare gedachten en gevoelens. Ze helpen om
innerlijke conflicten te hanteren en psychisch evenwicht te bewaren.
VERDRINGING Verdringing is een specifiek afweermechanisme waarbij een pijnlijke
of bedreigende gedachte, herinnering of impuls uit het bewustzijn
wordt geweerd en in het onbewuste wordt opgeslagen. Het is een
kernbegrip in Freuds theorie.
SYMPTOOMVORMING o Symptomen (bv. angst, dwang, lichamelijke klachten) zijn
uitingen van onbewuste conflicten.
o Hebben vaak een symbolische betekenis.
FIXATIE o Vastzitten in een bepaalde psychoseksuele fase door over- of
onderbevrediging.
o Leidt tot karakterstructuren of neurotische symptomen.
REGRESSIE o Terugval naar een eerdere ontwikkelingsfase bij stress of
conflict.
o Bijvoorbeeld: een volwassene die zich kinderlijk gedraagt bij
angst.
2
,BISEKSUALITEIT Mannelijke en vrouwelijke strevingen in elk individu, objectkeuze
naargelang overheersing van ene streving over andere
PARTIELE DRIFTEN Partiële driften zijn specifieke lichamelijke en psychische impulsen
die gericht zijn op lustbeleving via bepaalde lichaamszones of
handelingen. Ze zijn nog niet gericht op een ander persoon als
liefdesobject, maar eerder op het eigen lichaam of op objecten die
lust verschaffen.
= wijze waarop de driftmatige impuls vorm krijgt binnen een
specifieke ontwikkelingsfase, vooral ontwikkeld in relatie tot de
seksuele drift
EROTOGENE DRIFTEN = Die delen van het lichaam waaraan het kind plezier kan beleven, in
het begin in relatie tot de moeder (door haar aandacht, zorg en
stimulatie) -> belangrijke anderen
ORALE KARAKTER Orale karakterstructuur
De orale fase (0–1 jaar) draait om lustbeleving via de mond: zuigen,
eten, drinken, en nabijheid zoeken. Als een kind in deze fase te veel of
te weinig bevrediging ervaart, kan er een orale fixatie ontstaan.
Kenmerken van het orale karakter:
o Afhankelijkheid: Sterke behoefte aan steun, zorg en
bevestiging van anderen.
o Passiviteit: Moeite met initiatief nemen of grenzen stellen.
o Zucht naar orale bevrediging: Roken, overmatig eten, praten,
kauwgom, nagelbijten.
o Optimisme of pessimisme: Afhankelijk van hoe de orale
behoeften zijn vervuld.
Mogelijke latere uitingen:
Mensen met een oraal karakter kunnen zich vastklampen aan
anderen, bang zijn voor verlating, of troost zoeken in orale gewoontes.
ANALE KARAKTER Anale karakterstructuur
De anale fase (1–3 jaar) draait om controle over ontlasting en
zindelijkheid. Het kind leert grenzen stellen, vasthouden en loslaten.
Problemen in deze fase kunnen leiden tot een anale fixatie.
Kenmerken van het anale karakter:
o Orde en netheid: Sterke behoefte aan controle, structuur en
precisie.
o Koppigheid: Moeite met flexibiliteit, vasthouden aan eigen
standpunten.
o Zuinigheid: Zowel financieel als emotioneel.
o Ambivalentie: Wisselend tussen controle en chaos, geven en
vasthouden.
3
, Mogelijke latere uitingen:
Mensen met een anaal karakter kunnen perfectionistisch zijn, moeite
hebben met loslaten, of juist rebels en slordig zijn als tegenreactie.
FALLISCHE o Het kind richt zijn libido op de geslachtsdelen.
KARAKTERFASE o Er ontstaat een fascinatie voor lichamelijke verschillen en
seksualiteit.
o Het kind ervaart ambivalente gevoelens ten opzichte van de
ouder van hetzelfde geslacht (rivaliteit) en affectie voor de
ouder van het andere geslacht.
o Het Oedipuscomplex speelt een centrale rol: het kind wil de
exclusieve liefde van de ouder van het andere geslacht en ziet
de andere ouder als concurrent.
OEDIPUSCOMPLEX o Cruciaal in de fallische fase
o Het kind ontwikkelt een onbewuste seksuele
aantrekkingskracht tot de ouder van het andere geslacht en
rivaliteit met de ouder van hetzelfde geslacht
o Bij jongens: angst voor castratie
o Bij meisjes: penisnijd (volgens Freud)
PENISNIJD o Specifiek voor de vrouwelijke ontwikkeling volgens Freud.
o Het meisje ervaart een gevoel van gemis en richt haar
verlangen op de vader.
o Later bekritiseerd en herwerkt door o.a. Karen Horney.
CASTRATIEANGST o Bij jongens: angst om gestraft te worden (symbolisch of
letterlijk) voor seksuele verlangens richting de moeder.
o Belangrijk in de ontwikkeling van het superego.
ID = Het driftmatige, onbewuste deel
Functie: Het id bevat de aangeboren driften en instincten, zoals de
libido (levensdrift) en agressiedrift (doodsdrift).
Kenmerken:
o Volledig onbewust
o Werkt volgens het lustprincipe: onmiddellijke bevrediging van
behoeften
o Geen logica, moraal of realiteitsbesef
Voorbeeld: Een hongerig kind dat begint te huilen zonder rekening te
houden met de omgeving.
EGO = Het realiteitsgerichte deel
Functie: Het ego bemiddelt tussen de eisen van het id, de normen van
het superego en de beperkingen van de realiteit.
4