Hoofdstuk 1: Organisatie
● Wat is een organisatie?
= Een geheel of eenheid van mensen die op een bewuste manier bij elkaar zijn gebracht om (een)
specifiek€ gemeenschappelijk doel(en) te verwezenlijken
o Wat zijn de drie basiskenmerken of bestanddelen van een organisatie en wat
verstaan we daaronder?
▪ Ze bestaat uit een groep van mensen
▪ Ze is opgebouwd rond een of meerdere gemeenschappelijk(e) doel(en)
= Er moet een reden zijn waarom je rond tafel wil zitten of iets wil nastreven
▪ Ze is een bewust gecoördineerde eenheid en bevat op die manier een
doelgerichte structuur
= manier waarom je samenwerkt zullen bewust gecoördineerd worden
Voorbeelden van organisaties:
- Vives
- Manpower
- Kuleuven
- delhaize
- Spar
- NMBS
- tankstation
- ING
- …
o Illustreer dit aan de hand van een concreet voorbeeld.
▪ Een autofabrikant heeft verschillende soorten mensen in dienst die samen
de productie van de personenwagens verwezenlijken
▪ AZ delta (een ziekenhuis) heeft veel verschillende soorten lenzen in dienst
die samen een gemeenschappelijk doel hebben en dat is om mensen helpen.
▪ Hockey daarin moeten de ouders zelf kijken/ zorgen voordat alles lukt. (bv
scheidsrechter regelen, vervoer,..)
● In een organisatie kunnen we op basis van verschillende invalshoeken soorten van mensen of
organisatieleden onderscheiden.
o Neem twee verschillende invalshoeken en som de soorten van organisatieleden op.
→ Soorten organisatieleden obv functie of rol: eigenaars, managers, arbeiders, bedienden
→ Soorten organisatieleden obv expertise: designers, technische specialisten, verkopers,
boekhouders…
, o Illustreer hoe dit onderscheid de vormgeving van de organisatie beïnvloeden.
Het is niet gemakkelijk om de verschillende groepen van organisatieleden samen te brengen in 1
samenhangend, werkend geheel en mensen streven binnen eenzelfde groep van organisatieleden
toch nog naar andere, persoonsgebonden doelen
● In een organisatie werken we met doelen
o Welke functies vervullen deze?
▪ Ze kunnen worden gebruikt als richtlijn voor activiteiten of het gedrag
▪ Als richtlijn voor nieuwe, toekomstige beslissingen
▪ Als basis voor de evaluatie en controle op de geleverde prestaties
Voorbeeld opleidingshoofd zegt dat doelstellingen vives warme school is, hiervoor gaat ze op
jaarlijkse gesprekken met docenten ook warme school/docenten gebruiken om te evalueren ( is de
docent warm, is hij/zij goede docent? match deze met de doelstelling warme school?)
o We hebben gezien dat je vier verschillende soorten doelstellingen kunt maken
afhankelijk van op wat je je baseert. Neem er drie van en leg uit welke doelstellingen
je dan hebt.
→ Soorten obv het voorwerp: doelen met betrekking tot de aankoop van grondstoffen, de omvang
vd productie, de aanwerving van medewerkers…
→ Soorten obv het organisatieniveau: doelen die betrekking hebben op de totale organisatie, op 1
bepaalde afdeling, op 1 bepaalde groep van organisatieleden…
→ Soorten obv de tijdshorizon: langetermijndoelen, middellangetermijndoelen, kortetermijndoelen..
→ Soorten obv het vormelijke karakter: Informele of formele doelen
● Een omgeving is onderhevig aan externe invloeden.
o Toon dit via een voorbeeld op micro-niveau aan (gebruik vier verschillende
invloeden).
▪ Klanten/gebruikers
● Productiekenmerken( materiaal, prijs, kwaliteit, disign,..)
Voorbeeld= Vives is afhankelijk van het aantal studenten, want zij bepalen hoe docenten werken (bv
op sova meer docenten nodig of minder?
● Service (betaalvoorwaarden, levertermijn, dienst na verkoop,..)
● info concurrenten!
Voorbeeld= Klanten brengen info mee over concurrenten
▪ Toeleveranciers
● Machines en installaties
● Grondstoffen of halffabrikaten
,LET OP ook technische kwaliteit, prijs, locatie, reputatie en betrouwbaarheid
Voorbeeld: stel je hebt een meubelbedrijf en je leverancier zegt dat de prijs van grondstoffen stijgt,
dan zullen de marges naar beneden gaan van je verkoop.
▪ Distributeurs
● zelf verspreiden
● andere= klein of groothandel
LET OP= locatie, omvang en kwaliteit, opslagcapaciteit, kwaliteit, verkoopprofiel , klanten,..
Voorbeeld= Boot die schijn lag op het water, niemand kon doorwerken want iedereen was aan het
wachten op de levering
▪ Concurrenten
● Directe concurrenten: organisaties die quasi dezelfde producten
en/of diensten aanbieden
Bv Howest is een directe concurrent van Vives
● Indirecte concurrenten: de potentiële toetreders (= nieuwe
organisaties die momenteel nog niet hetzelfde product of dienst
aanbieden maar dit in de nabije toekomst wel zullen doen of de
substituutproducten (= organisaties die andere producten of
diensten aanbieden maar die wel eenzelfde behoefte vd klant
dekken)
Bv lessen die je kunt vinden op het internet
▪ Externe financiers
● Interne geldverstrekkers = familieleden (KMO), aandeelhouders
(beurs)
● Externe geldverstrekkers = leningen, subsidies …
Voorbeeld Extern = omdat ze geen eigenaars zijn -> slecht tijdelijk en/of onder strikte
terugbetalingsregels geld ter beschikking stellen
▪ Onderaannemers en partnerorganisaties
● uitbesteden of samen uitvoeren
BV Uitbesteden= sd worx sociaal secretariaat want ze nemen HR taken over die organisaties niet zelf
doen
Bv Uitbesteden= noel franlin zoeken naar nieuwe werkkrachten
● Waarom?
o kostenvoordelen
, o kwalitietsvpordelen
o Toon dit via een voorbeeld op macro-nveau aan (gebruik twee verschillende
invloeden).
1) Politiek-juridische
● Wetgeving: wetten, richtlijnen, akkoorden, verordeningen
● = link HR?:
Voorbeeld verandering nachtwerk= is in Frankrijk niet zo belast (bv bonussen) dan in belgie
Voorbeeld redenen waarom sommige organisaties niet naar belgië komen omdat die onstabiliteit
zeer aanwezig is in wetgevingen rondom milieu, werken,..
● Politiek: politieke partijen, belangenverenigingen, drukkingsgroepen
…
● link HR?:
Voorbeeld Politiek-juridisch → instabiel Bijvoorbeeld zonnepanelen dat na enkele jaren de
wetgeving veranderd
2) Economische omgeving
● Economische groei,
● investeringsniveaus
● consumentenvertrouwen
● ondernemersvertrouwen
● economische debat
Bv het gemeentebestuur vd stad Antwerpen zal niet alleen info verzamelen over de economische
situatie in België en Vlaanderen maar ook over de specifieke economische toestand in de Antwerpse
regio
3) Technologische
● Informatietechnologie
● Duurzaamheid Technologie
● Technische eigenschappen van grondstoffen
● Trends en ontdekkingen
Heel belangrijk!
- Hoe snel de technologie wordt ontwikkeld
- Hoe ingezet wordt op duurzaamheid